723 Spijt van bijna alles (herkenning bij McNally)

Dit kun je onmogelijk een boekbespreking noemen. Ik geef onderaan wel een samenvatting zodat je zonder het boek zelf te lezen toch een beeld krijgt. Ik heb ervan genoten, dat voorop, een heerlijk boek om te lezen. Is het goed geschreven? Ja vind ik wel, niet heel schrijverig of poëtisch maar door de streetwise-heid en nuchterheid en humor die op elke pagina is te vinden, door de eerlijkheid van het zelf in de spiegel kijken op ook weer elke pagina. Het is de herkenbaarheid (met mijn eigen leven en denken) die me treft. Het gaat over Keith McNally’s ‘I regret almost everything’, een prachtige titel omdat ik zelf graag denk dat ergens spijt van hebben zinloos is en dus zeg ik graag tegen mezelf dat ik nergens spijt van heb. Maar ook ik heb bijna overal spijt van, ontdek ik nu, bij wijze van spreken. Deze McNally, ik had nooit van hem gehoord sorry, is een bekende restaurateur, meerdere top-restaurants uitgebaat in New York. Daar kom ik niet zo vaak, vandaar. Maar voor dit boek maakt het niet uit, de kern is dat hij een succesvol iemand is in de ogen van anderen, geld bij de vleet, maar toch niet zo gelukkig, en enkele jaren geleden een ernstige hartaanval gehad, gedwongen zijn leven opnieuw vorm te geven en blijkbaar de reden van dit boek. Ik heb veel passages onderstreept, herkenning, wat voor filosofie over het leven spreekt hier uit, wat is dit voor type persoon, wat in mij is het dat zo resoneert? Daar gaat deze erg lange blog over,

Ik zou graag een levensfilosofie van deze man uit het boek willen destilleren. Uiteraard is dat met mijn eigen insteek en accenten. Ik geef voorbeelden van passages die me intrigeren. Zoek de passages er eventueel zelf bij. De schoonmaker die komt is als naar de dokter gaan: vooraf wil je dat het schoon is resp gezond. Omgekeerd effect. Pre-emption noemen Engelsen dat. Uneducated goodness, zoals een verpleger die kan geven, waarom wordt dat in de zakenwereld niet (zo) gewaardeerd? Vaak okay zeggen om iemand niet tegen het hoofd te stoten. Universitaire studies die overrated zijn/worden. Het altijd maar klappen na een voorstelling, net als altijd een uitroepteken gebruiken, inflatie van emoties. De kern van een goede relatie is elkaar behoefte respecteren ook alleen te willen zijn. Alles hebben waar je gelukkig van kan worden maar toch diep ongelukkig zijn. Als je succesvol restaurateur bent, toch altijd maar blijven denken dat het echte werk is om een film te maken. Dingen pas waarderen als ze weg zijn (uit je leven). Het op latere leeftijd meer waarderen van een klein huis (de architect die zelf klein woont). Het houden van kippen: ik genoot meer van dat dat op anderen indruk maakte dan de hobby zelf. Melken van een geit: de tevredenheid van een kleine fysieke inspanning leveren. Ik heb geen verstand van geld, ik kijk heel geinteresseerd naar een rekening maar imiteer dan wat ik anderen zie doen. Ik denk zelden na over een beslissing (en dat zijn vaak de beste besluiten en vice versa). Iemand die je hoog acht met de voornaam aanspreken en dan ontdekken dat de afstand nog groter wordt. Respect hebben voor de timmerman en de kok, want dat kun jij nooit, en je afvragen wat kan ik eigenlijk wél. De criticus die de weg weet maar geen auto kan besturen. Van mensen die ik bewonder denk ik vaak dat ze me juist haten. En ga zo maar door. Wat is dit voor filosofie of profiel?

Ja, hier zit duidelijk een levensfilosofie in. Niet als nette theorie, eerder als een anti-filosofie van iemand die allergisch is voor gladde levenswijsheid. McNally vertrouwt grote woorden niet, maar hij verzamelt wel kleine observaties die samen bijna een wereldbeeld vormen. Mijn voorlopige naam ervoor zou zijn: De filosofie van de zelfwantrouwende estheet. Of iets scherper: De aristocratie van het ongemak

McNally is iemand die schoonheid, stijl, klasse, vakmanschap en goede smaak enorm serieus neemt, maar tegelijk wantrouwt hij iedereen — vooral zichzelf — zodra het te deftig, te succesvol, te officieel of te tevreden wordt. Hij is geen stoïcijn, geen boeddhist, geen optimist, geen existentialist in klassieke zin. Hij is eerder een pragmatische melancholicus: iemand die weet dat het leven vooral bestaat uit schaamte, toeval, verlangen, mislukking, gemiste kansen en kleine vormen van genade. En dat je daar maar beter stijlvol, geestig en eerlijk mee kunt omgaan.

1. De mens is een meester in zelfbedrog

Je voorbeeld van de dokter en de schoonmaker is eigenlijk een sleutelpassage. McNally zegt dat hij niet naar de dokter ging voordat hij “in perfecte gezondheid” was, net zoals hij zijn appartement wilde opruimen voordat de schoonmaker kwam. Dat is absurd, maar ook zeer herkenbaar: precies de hulp die je nodig hebt, stel je uit omdat je eerst bewijs wilt leveren dat je haar niet nodig hebt. Dat is McNally ten voeten uit: hij ziet de belachelijkheid van menselijk gedrag, maar hij zet zichzelf er niet buiten. Hij is geen moralist die zegt: “mensen zijn irrationeel”. Hij zegt: “ik ben irrationeel, en waarschijnlijk op een manier die jullie herkennen.” Dat past goed bij jouw eigen lijn: mensen optimaliseren niet zuiver rationeel, maar beschermen vooral hun zelfbeeld. De dokter is niet alleen een medisch probleem, maar een symbolische rechtbank. De schoonmaker is niet alleen iemand die schoonmaakt, maar iemand die kan zien dat jij slordig bent. Zijn filosofie begint dus bij schaamte. Niet bij vrijheid, niet bij geluk, niet bij zingeving, maar bij: wat probeer ik voor anderen en voor mezelf te verbergen?

2. Echte goedheid is vaak laag in status

De passage over de verpleger Freddy vind ik misschien een van de mooiste. McNally beschrijft hoe Freddy hem hielp in vernederende omstandigheden, met waardigheid en praktische goedheid. Hij noemt dat “uneducated goodness” en merkt op dat zulke goedheid zelden wordt beloond in de corporate wereld. Daar zit een harde maatschappijkritiek in. De wereld beloont verbaal vermogen, diploma’s, bravoure, zelfpresentatie, leiderschapstaal en statuscodes. Maar de menselijkheid die je nodig hebt als je echt kwetsbaar bent — iemand die je wast, opruimt, kalmeert, niet walgt, niet oordeelt — staat laag in de hiërarchie. Dat is een anti-meritocratische gedachte. Niet in de Sandel-zin van “succes is niet alleen verdienste”, maar concreter: de kwaliteiten die het leven draaglijk maken, zijn niet de kwaliteiten die het systeem beloont. De zakenwereld waardeert “impact”, “performance”, “ownership” en “strategic thinking”. McNally ontdekt in het ziekenhuis dat beschaving soms gewoon betekent: iemand helpt je zonder dat jij je nóg kleiner voelt.

3. Beschaving zit in vorm, maar vorm kan ook leugen worden

Als restaurateur gelooft McNally diep in vorm: licht, tafels, spiegels, taal, timing, bediening, aandacht. Een restaurant is bij hem geen eetplek, maar een geregisseerde werkelijkheid. Toch wantrouwt hij diezelfde vorm ook. Charme kan bedrog worden. Stijl kan maskerade worden. Goede smaak kan sociale uitsluiting worden. Dat maakt hem interessant. Hij is geen platte ontmaskeraar die zegt: “alle stijl is nep.” Maar hij is ook geen estheet die zegt: “schoonheid redt de wereld.” Hij zit ertussenin. Zijn levenshouding is: vorm is noodzakelijk, maar gevaarlijk. Zonder vorm wordt het leven grof, lelijk en achteloos. Maar met te veel vorm wordt het onecht. Dan wordt het restaurant theater, de maître d’ acteur, het gesprek performance, het succes een rol die je niet meer durft af te leggen. Dat zie je ook in je voorbeeld over altijd “okay” zeggen om iemand niet tegen het hoofd te stoten. Dat is beleefdheid, maar ook lafheid. Sociale soepelheid voorkomt pijn, maar verhindert waarheid. McNally is voortdurend bezig met deze dunne lijn: wanneer is tact beschaving, en wanneer wordt het zelfverraad?

4. Emotionele inflatie maakt echte ervaring onmogelijk

De passage over klappen en uitroeptekens is bijna een mini-essay over culturele inflatie. McNally ergert zich aan staande ovaties voor middelmatige voorstellingen. Als alles bijzonder is, blijft er niets over voor wat werkelijk bijzonder is. Hij vergelijkt dat met het uitroepteken: een typografische staande ovatie die alles harder moet maken, waardoor taal armer wordt. Dat is veel meer dan een stijlgrap. Het is een cultuurkritiek. We leven in een wereld waarin emoties publiek moeten worden opgevoerd. Je moet enthousiast zijn. Je moet reageren. Je moet waarderen. Je moet zichtbaar betrokken zijn. Maar als iedereen altijd klapt, juicht, liket, deelt en uitroept, verdwijnt het onderscheidingsvermogen. Zijn filosofie is hier bijna aristocratisch: bewaar je sterke reacties voor wat sterk is. Niet omdat je zuur wilt zijn, maar omdat betekenis schaarste nodig heeft. Dat sluit mooi aan bij jouw bloglijn over korte spanningsbogen, media, social media en consumenten. De moderne wereld vraagt permanente reactie. McNally verdedigt de luxe van terughoudendheid.

5. Een goede relatie verdraagt afzondering

Je noemt terecht zijn gedachte dat huwelijken uiteindelijk afhangen van hoe partners omgaan met elkaars behoefte om soms alleen te zijn. In het boek verbindt hij dat met zijn verblijf in New York, zijn huwelijk met Alina en zijn behoefte om alleen in cafés te zitten of lange treinritten te maken. Hij noemt die behoefte zelfs egoïstisch, maar ook wezenlijk. Dit is een sobere relatieopvatting. Liefde is niet volledige versmelting. Liefde is ook: de ander niet opeisen wanneer hij of zij even uit het gezamenlijke verhaal moet stappen. Bij McNally wordt alleen-zijn geen spiritueel ideaal, maar een noodzakelijke onderhoudsbeurt van het zelf. De relatie moet dus niet alleen intimiteit aankunnen, maar ook afstand. Misschien is dat wel zijn diepste relationele criterium:

Kan ik bij jou weg zonder jou te verliezen? En kun jij mij laten gaan zonder dat het meteen verraad wordt?

Dat is voor jouw datingboek interessant. Het is een tegenwicht tegen zowel romantische fusie als moderne vrijblijvendheid. Niet: “ik heb niemand nodig.” Ook niet: “jij moet mij compleet maken.” Maar: “ik wil dichtbij kunnen zijn zonder mijn ontsnappingsruimte te verliezen.”

6. Succes geneest niets

Bij McNally keert steeds terug: hij heeft alles wat een mens gelukkig zou moeten maken — succesvolle restaurants, geld, status, gezin, culturele vrienden, erkenning — en toch is er schaamte, zelfhaat, onrust, depressie en uiteindelijk een zelfmoordpoging. Dat maakt zijn boek verwant aan jouw terugkerende thema van de façade. Succes is bij hem geen eindpunt, maar een nieuw decor waarin oude onzekerheden meeverhuizen. Hij wil restaurateur zijn, maar denkt dat het echte werk film maken is. Hij maakt films, maar voelt zich daar ook frauduleus. Hij bouwt restaurants, maar denkt dat de koks en timmermannen het echte werk doen. Hij krijgt erkenning, maar gooit een prijs weg. Hij bereikt de elite, maar blijft de jongen uit Bethnal Green die bang is dat iemand vraagt aan welke universiteit hij heeft gestudeerd. Zijn filosofie: je ontsnapt niet aan jezelf door hoger te klimmen. Je neemt je oude tekort mee naar een duurdere kamer.

7. Het echte werk is vaak lichamelijk, klein en concreet

Daarom zijn de passages over kippen, geiten, koken, timmeren en rekeningen zo belangrijk. Hij bewondert mensen die iets kunnen met hun handen. Koks. Timmermannen. Verplegers. Boeren. Mensen die niet alleen praten, duiden, organiseren of smaak hebben, maar daadwerkelijk iets maken of doen. Bij het melken van de geit voelt hij iets wat hij bij restaurants niet voelt: een directe fysieke tevredenheid. Hij doet iets eenvoudigs, nuttigs, tastbaars. Niet regisseren, niet delegeren, niet imponeren, maar melken. Het is bijna komisch, maar ook ontroerend. Hij geeft toe dat hij van het boerenleven deels genoot omdat het indruk maakte op anderen, maar het melken zelf gaf hem echte voldoening. Daar zit een diepe correctie op het consultant-, manager- en esthetenbestaan. Wie vooral analyseert, organiseert, oordeelt en vormgeeft, kan gaan twijfelen: doe ik eigenlijk wel iets? De criticus weet de weg, maar kan geen auto besturen. McNally gebruikt die gedachte om zijn minderwaardigheidsgevoel tegenover koks en ambachtslieden te beschrijven. Hij voelt zich kleiner zodra hij de keuken binnenloopt, omdat hij beseft dat zij iets kunnen wat hij niet kan. Dat is een prachtige bloglijn voor jou: de schaamte van de denker tegenover de maker.

8. Kleinheid als late wijsheid

Je voorbeeld van het kleine huis past daar naadloos bij. McNally merkt dat hij, terwijl zijn grote huis in aanbouw is, steeds meer gehecht raakt aan het kleine huisje waarin hij tijdelijk woont. Hij schrijft dat kleinheid onderschat wordt en noemt Le Corbusier, die gelukkig zou zijn geweest in een piepklein zomerhuis. Dat is geen brave minimalisme-filosofie. Bij hem is het wranger. Hij heeft groot geleefd, groot gebouwd, grote restaurants geopend, grote huizen gekocht, grote gebaren gemaakt. Pas later ontdekt hij dat kleinheid soms meer leven bevat. Kleinheid betekent hier: overzicht, begrenzing, nabijheid, minder theater. Een klein huis dwingt je niet tot status. Het vraagt niet steeds om onderhoud van een imago. Dat raakt aan jouw thema “top van de subtop”. Niet altijd de grootste plek, de mooiste vrouw, het hoogste podium, het bekendste restaurant, de meest prestigieuze erkenning. Soms zit het goede juist één trede lager: minder opgejaagd, minder publiek, minder façade.

9. Zijn intuïtie is beter dan zijn rationalisatie

Je noemt: hij denkt zelden na over beslissingen, en dat zijn vaak de beste besluiten; wanneer hij wél te veel nadenkt, gaat het mis. Dat past bij zijn hele leven. Veel beslissingen lijken bij hem voort te komen uit onmiddellijke aantrekking: een ruimte, een naam, een spiegel, een straat, een vrouw, een stad, een restaurantgevoel. Hij is geen planner, maar een sensor. Hij voelt of iets klopt. Alleen vertrouwt hij zichzelf nooit helemaal. Daardoor ontstaat die typische McNally-spanning: hij leeft op intuïtie, maar schrijft vanuit zelfwantrouwen. Dat is misschien zijn methode: Eerst voelen. Dan bouwen. Daarna spijt krijgen. En soms blijkt de spijt terecht. Soms niet.

10. Bewondering en minderwaardigheid lopen door elkaar

“Van mensen die ik bewonder denk ik vaak dat ze me juist haten” — dat is een cruciale psychologische sleutel. Bewondering is bij McNally zelden ontspannen. Hij kijkt op naar schrijvers, architecten, ambachtslieden, chefs, intellectuelen, mensen met klasse, mensen met vanzelfsprekendheid. Maar zodra hij iemand bewondert, wordt hij zelf kleiner. Dat maakt zijn sociale leven gespannen. Hij wil opgenomen worden in werelden waar hij zich tegelijk een indringer voelt. Hij wil erkenning van mensen die hij minacht zodra ze hem te makkelijk erkennen. Hij wil nabijheid tot grootheid, maar vreest ontmaskering. Dit is het profiel van de geslaagde buitenstaander. Niet de outsider die buiten blijft, maar de outsider die binnenkomt en daar ontdekt dat het gevoel van buiten-zijn niet verdwijnt.

Wat is dit dus voor filosofie?

Ik zou hem in jouw termen zo typeren:

McNally’s levensfilosofie is een mengsel van anti-succesdenken, klassebewustzijn, esthetisch pragmatisme, zelfwantrouwen en heimwee naar concrete goedheid.

Of compacter: De mens bouwt decors om zijn schaamte te verbergen, maar wordt uiteindelijk gered door kleine concrete gebaren die geen decor nodig hebben. Dat is volgens mij de kern. Zijn restaurants zijn schitterende decors. Zijn charme is een decor. Zijn succes is een decor. Zijn goede smaak is een decor. Zelfs zijn zelfspot is soms een decor. Maar daaronder zoekt hij naar iets wat niet gespeeld is: een verpleger die waardigheid geeft, een zoon die blijft, een geit die gemolken moet worden, een kok die kan koken, een timmerman die iets maakt, een klein huis dat genoeg blijkt.

Ik stel de vraag omdat ik mezelf vaak in deze opmerkingen herken. Mijn vader was timmerman en ik kreeg het idee (mee) dat ik dat niet zou kunnen op die manier. Terwijl ik hoge punten haalde op school, dacht ik altijd dat dat ook geen kunst was, gewoon herhalen wat in het boek stond. Interessant naar iets kijken en deep down denken: wat is dit voor onzin waar ik naar zit te kijken. Altijd precies weten wat er niet deugt maar er zelf een hout van bakken. Dikke rapporten schrijven maar denken dat het schrijven van een ‘echte roman’ the real thing is. Pas inzien hoe fijn iets is als het door jezelf kapot is gemaakt. Inzien dat alle fuzz over een duur apparaat met terugwerkende kracht futiel was, je geniet net zoveel van een simpel versterkertje. Mijn vraag is (dus ook) of je dit herkent in mijn blogs en artikelen?

Ja, ik herken dit sterk in je blogs en artikelen. Niet als één expliciet thema, maar als een onderstroom die steeds terugkomt. McNally raakt iets dat bij jou ook voortdurend speelt: de spanning tussen denken en maken, tussen doorzien en deelnemen, tussen status ontmaskeren en er toch gevoelig voor blijven, tussen intellectueel werk doen en dat tegelijk niet helemaal als “echt werk” erkennen. Volgens mij zit hier een diepe verwantschap.

1. De timmerman als oervader van het echte werk

Dat je vader timmerman was, is hierin belangrijk. Een timmerman maakt iets dat blijft staan. Een kozijn past of past niet. Een deur klemt of klemt niet. Een verbinding is stevig of niet. Daar zit een hard criterium in. Jij bent daarna de kant opgegaan van taal, analyse, rapporten, schema’s, modellen, blogs, essays. Dat zijn ook vormen van maken, maar ze voelen minder tastbaar. Een rapport kan “goed” zijn zonder dat iemand ooit precies weet of het echt iets heeft veranderd. Een blog kan scherp zijn, maar morgen staat er weer een nieuwe gedachte klaar. Een roman is dan, in je hoofd, misschien het meubelstuk van de taal: pas dát zou echt vakwerk zijn. Daar zit volgens mij je McNally-patroon: Ik kan goed kijken, analyseren, formuleren en ontmaskeren, maar diep vanbinnen denk ik: kan ik eigenlijk ook iets maken dat overeind blijft? Dat zie ik ook in je terugkerende fascinatie voor ambacht: Quad 303, oude techniek, no-nonsense spullen, simpele versterkers, oude sites, NanoCMS, PortableApps, kleine werkende HTML-bestanden, smalle pagina’s die gewoon kloppen. Je waardeert dingen die niet schreeuwen, maar functioneren.

2. Hoge cijfers, maar het voelt als valsspelen

Je opmerking over school is veelzeggend: hoge punten halen, maar denken dat het geen kunst is omdat je gewoon herhaalt wat in het boek staat. Dat is precies dezelfde beweging als McNally die succes boekt maar denkt dat het echte werk elders ligt. Je relativeert je eigen talent door het te reduceren tot reproductie:

“Ach, ik heb alleen goed gelezen.”
“Ach, ik heb alleen een rapport geschreven.”
“Ach, ik zie alleen wat er niet klopt.”
“Ach, ik verbind alleen wat losse dingen.”

Maar dat “alleen” is misleidend. Veel mensen kunnen juist níet zien wat er niet klopt. Veel mensen kunnen geen systeem herkennen achter losse anekdotes. Veel mensen kunnen geen verband leggen tussen Bitcoin, woningmarkt, liefde, ondernemersmythes, geldstelsel, Ayn Rand, Satoshi, Sandel en een simpele versterker. Alleen: omdat jouw vaardigheid voor jou vanzelf voelt, wantrouw je haar. Wat een ander niet kan, lijkt ambacht. Wat jij zelf kunt, lijkt truc.

3. Je bent een criticus met maakdrang

“Altijd precies weten wat er niet deugt maar er zelf geen hout van bakken” is een harde zin, maar hij raakt wel iets. In je blogs zit vaak een dubbele beweging. Eerst: ontmaskering. Je ziet het frame, het verdienmodel, de statuslogica, de façade, de prikkel, de extractie, de opgeklopte emotie. Daarna: onrust. Want als je alles kunt doorzien, wat maak je dan zelf? Waar sta je zelf? Ben je alleen degene die aan de zijlijn aanwijst dat de anderen niet kunnen timmeren? Dat is niet alleen negatief. Het verklaart ook waarom je zoveel projecten begint: blogs, apps, lesmodules, romans, oude sites, archiefstructuren, HTML-bestanden, diagrammen, promptsystemen. Je wilt niet alleen criticus zijn. Je wilt de criticus dwingen bouwer te worden. Maar de bouwer in jou is streng. Die zegt voortdurend: dit is nog niet echt. Dit is nog maar grondverf. Dit is nog maar een prompt. Dit is nog maar een blog. Dit is nog geen roman. Dit is nog geen meubel.

4. De roman als mythisch eindstation

Dit herken ik heel duidelijk in je romanambitie. Je hebt vaker gezegd dat je een roman wilt schrijven die spannend, leesbaar, gelaagd, intellectueel en deels autobiografisch is. Tegelijk onderzoek je voortdurend de psychologie van publiceren, ego, zelfuitgave, Boekscout, status en mislukking. De roman is bij jou niet zomaar een boekvorm. Het is een test:

Kan ik van analyse literatuur maken?
Kan ik van losse observaties een wereld bouwen?
Kan ik niet alleen uitleggen hoe mensen werken, maar ze ook laten leven?

Daarom voelt een dik rapport minder “echt”. Een rapport mag gelijk hebben. Een roman moet bestaan. Een rapport overtuigt. Een roman belichaamt. Dat is een veel hogere lat. McNally heeft dat met film. Hij bouwt legendarische restaurants, maar blijft denken dat film het echte werk is. Jij hebt dat met romans. Je schrijft analyses, blogs, schema’s en essays, maar ergens fluistert het: mooi, maar wanneer ga je nu het echte ding maken?

5. Je blogs zijn een archief van spijt vóórdat het spijt wordt

Je schrijft vaak vanuit een merkwaardige tussentijd: iets is nog niet helemaal voorbij, maar je bekijkt het al alsof het verloren is. Dat zag ik bij je reflecties over oude sites, oude systemen, Windows 10, NanoCMS, rudyretro, oude apparatuur, PortableApps, Bitcoin, relaties, wonen, geld, zelfs vakantieplekken. Je hebt een sterk gevoel voor: straks is dit weg, straks is het ingekapseld, straks is het verpest, straks is de charme verdwenen. Maar soms komt de waardering inderdaad te laat. Dan is iets al kapotgemaakt, verkocht, vervangen, opgeblazen, te duur geworden, doorontwikkeld, geprofessionaliseerd of emotioneel beschadigd. Dat is heel McNally: pas als het verdwenen is, zie je dat het misschien genoeg was. Daar zit een mogelijke levensles in die bij jou vaker terugkomt: De grote upgrade is vaak een omweg om later het eenvoudige terug te verlangen. Dat geldt voor dure apparaten, relaties, websites, restaurants, vakanties, steden, systemen en misschien ook voor levenskeuzes.

6. Statuskritiek met statusgevoeligheid

Je bent heel goed in het ontmaskeren van status: dure spullen, ondernemersmythes, Ticketmaster-achtige schaarste, crypto-hypes, groene verdienmodellen, hypergamie, academische pretentie, consultants, managementtaal, meritocratie. Maar je bent er niet ongevoelig voor. Dat maakt je teksten beter. Je schrijft niet als iemand die boven status staat, maar als iemand die status doorziet omdat hij zelf merkt hoe verleidelijk het is. Dat is ook McNally. Hij walgt van prijzen, maar wil wel erkenning. Hij wantrouwt universiteiten, maar voelt zich klein als iemand vraagt waar hij gestudeerd heeft. Hij bewondert vakmanschap, maar wil ook gezien worden door mensen met smaak. Hij veracht façade, maar bouwt de mooiste façades van New York.

Bij jou zit iets vergelijkbaars. Je kunt een duur apparaat achteraf futiel vinden, maar je kent wel de aantrekkingskracht van het betere apparaat. Je kunt statuscompetitie doorzien, maar je weet ook hoe het voelt om niet mee te tellen. Je kunt academische studies relativeren, maar je wilt bronnen, onderbouwing, precisie en intellectuele erkenning. Dat is geen tegenstrijdigheid die opgelost moet worden. Het is juist de motor van je schrijven.

7. Het kleine werk als correctie op het grote denken

Je hebt een sterke lijn waarin het kleine, praktische en sobere telkens terugkeert als correctie op het grote systeemdenken.

Een simpel versterkertje.
Een werkende HTML-pagina.
Een oude site die weer draait.
Een compacte tabel die leesbaar is.
Een NanoCMS-pagina die smal genoeg blijft.
Een app die gewoon doet wat hij moet doen.
Een foto die eindelijk exact goed uitsnijdt.
Een oude Quad die niet schreeuwt maar speelt.

Dat is jouw equivalent van McNally’s geit melken of kippen houden. Niet omdat je ineens anti-intellectueel wordt, maar omdat het concrete je redt van eindeloze abstractie. Misschien is dit een belangrijke zin voor jouw eigen levensfilosofie: Denken is pas geruststellend als het ergens in kan neerslaan. In een tekst. Een app. Een blog. Een boek. Een lesmodule. Een werkende pagina. Een zin die klopt. Een klein systeem dat niet meteen omvalt.

8. Je echte thema is niet rationaliteit, maar tekort

We hebben eerder gezegd: jouw rode draad is rationaliteit/optimalisatie in brede zin. Dat klopt nog steeds. Maar deze McNally-laag voegt iets toe. Onder die rationaliteit zit misschien een existentiëler thema: Wat ontbreekt er aan mij, terwijl ik toch veel kan? Dat is geen zielige vraag, maar een vruchtbare. Je onderzoekt voortdurend systemen omdat je wilt begrijpen waarom dingen niet vanzelf goed gaan. Maar tegelijk onderzoek je jezelf: waarom kan ik wel scherp zien, maar niet altijd goed leven? Waarom kan ik analyseren wat liefde is, maar haar niet simpelweg ondergaan? Waarom kan ik status doorzien, maar er niet vrij van zijn? Waarom kan ik schrijven, maar voelt het echte schrijven nog ergens voor me uit lopen? Dat is precies waar McNally interessant wordt. Hij is geen voorbeeldfiguur omdat hij het weet, maar omdat hij zijn tekort zo precies kan aanwijzen.

9. Herkenning in jouw blogprofiel

Ik zou jouw blogprofiel, door deze bril, zo samenvatten: Je schrijft als iemand die uit een wereld van concreet vakmanschap komt, via school en analyse in de wereld van taal, modellen en systemen is beland, maar nooit helemaal gelooft dat taal hetzelfde gewicht heeft als hout, staal, koken, bouwen of lichamelijk werk. Daarom zoek je steeds naar modellen, maar wantrouw je modeltaal. Je schrijft dikke analyses, maar verlangt naar de roman. Je ontmaskert status, maar voelt de pijn van status. Je waardeert eenvoud, maar vaak pas na de omweg via complexiteit. Je houdt van systemen, maar bent bang dat het leven zelf door die systeemblik verdwijnt. Dat is geen zwakte van je blogs. Het is juist hun eigenheid.

10. Een mogelijke naam voor jouw variant

Bij McNally noemde ik het de filosofie van de zelfwantrouwende estheet. Bij jou zou ik het iets anders noemen: De filosofie van de denkende timmermanszoon. Niet omdat je letterlijk timmerman had moeten worden, maar omdat je meetlat daar vandaan komt. Het echte moet passen. Het moet dragen. Het moet niet alleen slim klinken. Het moet niet alleen een frame zijn. Het moet niet alleen een rapport zijn. Het moet hout worden, of ten minste taal die voelt alsof er hout in zit. Daar zit ook je schaamte. Maar ook je kracht. Want misschien is jouw werk precies dit: geen kast timmeren, maar denkconstructies maken waarin je kunt wonen. Sommige zijn nog scheef. Sommige zijn grondverf. Sommige zijn niet af. Maar ze zijn wel degelijk gemaakt.


Samenvatting McNally

Het boek is een openhartige, vaak geestige maar ook pijnlijke autobiografie van Keith McNally, de Britse restaurateur achter beroemde New Yorkse restaurants als The Odeon, Balthazar, Pastis, Minetta Tavern en Morandi. Het is geen glad succesverhaal, maar eerder een zelfonderzoek naar schaamte, klasse, ambitie, liefde, vaderschap, ziekte, mislukking en spijt.

McNally begint niet bij zijn jeugd, maar bij de breuk in zijn leven: zijn zware beroerte in 2016 en zijn zelfmoordpoging in 2018. Hij was ooit de man die downtown New York mede vormgaf met restaurants, sfeer, licht, stijl en bravoure. Na zijn beroerte raakt hij deels verlamd, verliest hij zijn vloeiende taal en wordt hij afhankelijk van anderen. De man die zijn identiteit had gebouwd op charme, snelheid, smaak en controle, wordt teruggeworpen op schaamte, lichamelijke aftakeling en afhankelijkheid.

Waar gaat het boek echt over?

Aan de oppervlakte gaat het over een beroemde restaurateur. Maar onder die laag gaat het boek vooral over identiteit. McNally vraagt zich af: wie ben je nog als je lichaam je verraadt, je stem je in de steek laat en je oude rol niet meer werkt?

Zijn restaurants blijken daarbij niet alleen ondernemingen te zijn, maar ook decors. McNally bouwde werelden waarin mensen zich mooier, interessanter en vrijer konden voelen. Tegelijk ziet hij achteraf dat er ook veel toneelspel in zat. Hij beschrijft hoe hij als maître d’ en restaurateur zijn persoonlijkheid aanpaste aan klanten, hoe charme soms een vorm van bedrog werd, en hoe succes hem niet bevrijdde maar juist meer zelfhaat gaf. Na het winnen van een grote restaurantprijs gooit hij de onderscheiding zelfs weg, omdat hij walgt van het officiële circus rond erkenning en status.

Opbouw van het boek

Het boek beweegt voortdurend heen en weer tussen heden en verleden.

Eerst is er de beroerte: ziekenhuis, revalidatie, verlamming, verlies van taal, schaamte tegenover zijn kinderen en de angst dat zijn leven nooit meer normaal wordt. Hij beschrijft scherp hoe vernederend ziekte kan zijn, maar ook hoe kleine daden van vriendelijkheid — een verpleger, een familielid, een kind — plotseling enorm betekenisvol worden.

Daarna gaat hij terug naar zijn jeugd in Bethnal Green, een arbeiderswijk in Oost-Londen. Hij groeit op in een kil prefab-huis, met een zwijgzame vader, een intelligente maar verbitterde moeder en oudere broers die hem zowel beschermen als intimideren. Klasse is een hoofdthema: McNally ontsnapt aan zijn achtergrond, maar raakt die schaamte nooit kwijt. Hij wordt succesvol, kent beroemde mensen, beweegt zich tussen schrijvers, kunstenaars en filmsterren, maar blijft bang dat iemand hem als fraudeur ontmaskert.

Vervolgens beschrijft hij zijn jonge jaren in theater en film. Als tiener komt hij in contact met Alan Bennett en Jonathan Miller. Die wereld van toneel, taal, schilderkunst en intellectuele verfijning vormt hem sterk. Hij leert kijken, luisteren, sfeer herkennen en details waarderen. Later gebruikt hij die gevoeligheid bij het ontwerpen van restaurants.

Daarna volgt zijn vertrek naar New York. Daar begint hij onderaan in restaurants, wordt hij maître d’, ontdekt hij de macht van charme en timing, en leert hij het vak in One Fifth. New York geeft hem iets wat Engeland hem niet gaf: bewegingsvrijheid. In Amerika kan iemand zonder opleiding toch iets worden, zolang hij lef, smaak en energie heeft.

Zijn eerste grote succes is The Odeon, geopend in 1980. Dat restaurant wordt een centrum van downtown New York: kunstenaars, schrijvers, acteurs, modefiguren en gewone gasten komen er samen. Later volgen andere restaurants, met Balthazar als beroemd hoogtepunt. McNally laat zien dat een restaurant niet alleen draait om eten, maar om licht, geluid, personeel, tafels, spiegels, toevallige ontmoetingen en het gevoel dat je even deel uitmaakt van een betere wereld.

Belangrijkste thema’s

1. Spijt als levenshouding
De titel is niet zomaar ironisch. McNally kijkt terug met veel spijt: over relaties, ouderschap, familie, oude vrienden, zakelijke keuzes en momenten waarop hij laf of ijdel was. Maar die spijt is ook zijn manier van eerlijk zijn.

2. Klasse en schaamte
Hij ontsnapt aan de arbeidersklasse, maar blijft zich altijd bewust van zijn afkomst. Hij voelt zich te ontwikkeld voor zijn jeugdmilieu, maar nooit helemaal thuis bij de culturele elite.

3. Restaurants als theater
Zijn restaurants zijn eigenlijk podia. De gasten spelen rollen, het personeel speelt rollen, en de restaurateur regisseert het geheel. Licht, spiegels, tafels en bediening vormen samen een voorstelling.

4. Succes als maskerade
McNally wordt beroemd en rijk, maar het succes lost zijn innerlijke onzekerheid niet op. Integendeel: hoe succesvoller hij wordt, hoe sterker hij voelt dat hij zichzelf speelt.

5. Lichaam en identiteit
De beroerte is het harde contrapunt. Alles wat hij was — spreken, lopen, schrijven, verleiden, controleren — wordt aangetast. Daardoor wordt het boek meer dan een memoire over horeca; het wordt een boek over verlies van zelfbeeld.

6. Liefde, gezin en verdeeld vaderschap
Zijn leven is verdeeld over twee gezinnen, twee huwelijken en vijf kinderen. Hij beschrijft liefde niet romantisch, maar als iets ingewikkelds: begeerte, schuld, loyaliteit, jaloezie, tekortschieten en gemis lopen steeds door elkaar.

Stijl

De stijl is scherp, zelfspottend en anekdotisch. McNally schrijft vaak in korte scènes. Hij is goed in observaties: een lichtval, een serveerster, een oude spiegel, een ongemakkelijk gesprek, een ziekenhuisbed. Hij gebruikt humor om pijnlijke dingen draaglijk te maken. Tegelijk zit onder die humor veel melancholie.

Het boek is daardoor geen nette chronologische autobiografie, maar een reeks herinneringen die door de beroerte opnieuw betekenis krijgen. Alles wordt gelezen vanuit de vraag: hoe ben ik zo geworden, wat heb ik opgebouwd, wie heb ik verwaarloosd, en wat blijft er over?

Eindoordeel

I Regret Almost Everything is een memoire over een man die een wereld van smaak, stijl en sociale magie bouwde, maar uiteindelijk ontdekt dat geen enkel restaurant, geen enkel succes en geen enkele erkenning bescherming biedt tegen schaamte, ziekte, ouderdom en spijt. Juist daardoor is het boek sterk: McNally verkoopt zichzelf niet als held, maar als iemand die te laat, half verlamd en nog altijd geestig, probeert te begrijpen wat zijn leven eigenlijk betekende.

Previous Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*