605 Bernard Maris: Houellebecq snapt de economie beter dan economen doen
Bernard Maris, ik heb hem al lang op mijn lijstje staan. Jaren geleden een boek van hem gelezen met veel plezier en zijn schrijfstijl en visie sprak me aan. Had nog nooit van hem gehoord (wie wel?) maar ik vermoed dat de aanslag op Charlie Hebdo er iets mee te maken had (hij is bij die aanslag in Parijs omgekomen). Ik schreef er ruim tien jaar geleden dit over:
- Knappe analyse van het werk van Michel Houellebecq door deze in 2015 vermoorde Franse economie-professor. De economen hebben het weer eens gedaan en helpen de wereld naar de klote, zo zou je het betoog kunnen samenvatten. Je wordt er niet vrolijk van maar deze man kent zijn (economen-) klassiekers. Moet ik even laten bezinken …. (ook een soort historie/tijdslijn van economische denkers, misschien nog eens een infographic van maken).
Van een infographic maken is het nooit gekomen. Omdat Houellebecq net 70 jaar is geworden, heb ik dit boek van Maris er weer eens bij gepakt. Een pareltje. Voor mij aanleiding uit dit boek én uit de romans van MH zelf een fictief college economie te ontwerpen, wordt vervolgd.
Hieronder een samenvatting van een boek van Bernard Maris die stelt dat MH een betere econoom is dan de meeste economen zelf. Analyseer in hoeverre deze visie wel/niet met de mijne overeenkomt. En wie was Maris eigenlijk? Maak een profiel. Hij is omgekomen tijdens de aanslag op Charlie Hebdo en was een van de oprichters of eigenaren van dat tijdschrift. Hij was professor in de economie in Parijs maar hoe kon hij dat vak blijven uitoefenen met deze visie? Misschien een Marxistisch econoom zoals we die in de jaren 60/70 wel meer hadden (ik herinner me Mandel uit Brussel, in Tilburg hadden we Boerboom, nu helemaal uitgestorven die soort). En heeft Maris eerder boeken of artikelen geschreven, wat is er verder over hem te melden?
Het voelt bijna alsof hij (via Houellebecq) dezelfde vijand aanwijst als jij: de neoklassieke economie als ideologie die zich vermomt als wetenschap. Het verschil zit vooral in toon en eindpunt: Maris gaat sneller naar morele/literaire waarheid (liefde, dood, verval); jij gaat—naast het ontmaskeren—vaak door naar mechaniek, belangen, ontwerpkeuzes en alternatieven (geldstelsel, grond, instituties).
Hieronder eerst: wie was Bernard Maris (profiel + correcties), dan: waar overlapt zijn MH-lezing met jouw visie, en waar niet.
Wie was Bernard Maris?
Kernprofiel
- Franse econoom, schrijver en journalist (1946–2015), bekend als “Oncle Bernard” (zijn pseudoniem bij Charlie Hebdo). (Wikipedia)
- Hoogleraar/Professor: o.a. verbonden aan Université Paris 8 (Institut d’études européennes); eerder Universiteit Toulouse I / Sciences Po Toulouse (via de Franse agrégation). (Wikipedia)
- Charlie Hebdo: hij was aandeelhouder en redacteur/columnist (niet “oprichter” in de klassieke zin; wel betrokken bij de herlancering rond 1992 en had een aandelenbelang). (Wikipedia)
- Vermoord op 7 januari 2015 bij de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. (Wikipedia)
- Werd in 2011 benoemd in de General Council (bestuursorgaan) van de Banque de France. (Wikipedia)
Wat voor econoom was hij?
- Vaak getypeerd als heterodox / links-engagé en duidelijk Keynesiaans (hij schreef expliciet over Keynes). (Wikipedia)
- Hij bewoog zich in een Franse traditie waarin économie óók een publieke/intellectuele rol heeft (columns, debatten, popularisering), niet alleen vakbladpublicaties. Hij had o.a. een radiocolumn op France Inter. (Wikipedia)
Belangrijke boeken/werk (selectie)
- Houellebecq économiste (Flammarion, 2014; later heruitgaven). (Gibert)
- Keynes ou l’économiste citoyen (Presses de Sciences Po). (pressesdesciencespo.fr)
- Populaire, polemische boeken tegen economen/financialisering, o.a. Lettre ouverte aux gourous de l’économie…, La Bourse ou la vie, Ah Dieu! Que la guerre économique est jolie!. (Wikipedia)
- Hij wordt ook genoemd als voorstander van basic income/“revenu d’existence” in zijn bredere denken. (basicincome.org)
“Hoe kon hij professor blijven met zo’n anti-economie-visie?”
Omdat zijn aanval niet is: “er is geen economie mogelijk”, maar: de dominante (neoklassieke) economie doet alsof zij natuurkunde is, terwijl ze normatieve aannames verkoopt. Dat is precies het soort heterodoxe kritiek dat in Frankrijk—zeker aan plekken als Paris 8—academisch kan bestaan. Bovendien had hij de formele academische route (doctoraat + agrégation) en doceerde hij ook gewoon vakinhoud (o.a. micro-economie), terwijl hij publiekelijk de pretentie en het politieke gebruik van het vak bekritiseerde. (Wikipedia)
In hoeverre matcht Maris’ “MH is een betere econoom” met jouw visie?
Waar jullie opvallend samenvallen
- Economie als ideologie vermomd als wetenschap
Maris’ frame (“sekte”, “naargeestige wetenschap”) ligt heel dicht bij jouw lijn sinds Schouten/Peters: het standaardmodel leert studenten vaak niet meer de fundamentele vragen te stellen over macht, banken, ongelijkheid, marktfalen. Jij beschrijft hetzelfde mechanisme, alleen minder pamflettistisch en meer “systeemtechnisch”. - Methodologisch individualisme als basisfout
Maris’ kritiek (mens ≠ ‘rational fool’, economie reduceert tot atomen) lijkt sterk op jouw terugkerende punt: systemen, status, prikkels en instituties sturen gedrag—en de theorie legitimeert achteraf dat gedrag alsof het ‘natuurlijk’ is. Dit past naadloos bij jouw “maskers” en “selectiemechanismen”. - Representatie/PR boven werkelijkheid
Zijn lijn (marketing, nutteloze beroepen, representatie) is praktisch jouw domein “façade”: narratieven houden het systeem draaiend, en “de waarheid” is vaak een verkoopbaar verhaal. - Financialisering en macht
Maris’ oeuvre (anti-beurs/anti-guru, Banque de France-positie als kritische insider) sluit aan bij jouw obsessie met geldstelsel, bankmacht en extractie. (Wikipedia)
Waar het wringt met “jouw” Rudy-lijn
- Literaire waarheid als eindstation
Maris gebruikt Houellebecq om te zeggen: de roman is een betere “economische” lens dan vakartikelen. Jij gebruikt literatuur óók, maar jij wilt daarna meestal door naar het mechaniek: waar zitten de knoppen, welke belangen, welke institutionele alternatieven? - Romantisering van ‘liefde’ als uitweg
Bij Maris/Houellebecq is liefde bijna een metafysische ontsnapping uit de markt. Jij bent juist geneigd liefde óók weer systemisch te bekijken (selectie, ruil, hechting, status, apps) en dan pas te zoeken naar “ruimte voor verbinding”. Jij gelooft minder in één zuivere uitweg. - “Nuttig vs nutteloos” is jou te grof
Maris’ scheiding (vakman goed, communicatie/management parasitair) is lekker scherp, maar jij zou (denk ik) sneller zeggen: ook die “parasitaire” rollen bestaan omdat het systeem beloningen verkeerd zet (incentives, agency, reputatie, juridische/PR-risico’s). Jij houdt meer van waarom bestaat het? wie betaalt? wie wint? dan van moreel labelen. - Meer 60/70’s heterodox (Marx/Fourier) vs jouw ‘moderne systeemlogica’
Jij herkent Mandel/Boerboom-achtig denken, maar jouw eigen project is minder klassiek marxistisch: jij mixt prikkels, macht, marketing, evolutie/relaties, geldarchitectuur. Maris zit vaker in de traditie “kapitalisme → vervreemding → mens kapot”, jij zit vaker in “selectie/extractie → ontwerp → tegenmacht/alternatief”.
Conclusie in één zin
Maris klopt met jouw diagnose, maar niet altijd met jouw methode: hij gebruikt Houellebecq als morele/literaire sloopkogel tegen de pretentie van de economie; jij gebruikt dezelfde kritiek als startpunt voor systeemanalyse + ontwerpvragen (geld, grond, instituties, prikkels).
Economie is geen wetenschap
Hier volgt een uitgebreide samenvatting van “Economie is geen wetenschap” van Bernard Maris, ingedeeld per hoofdstuk. Het boek onderzoekt de manier waarop economisch denken de samenleving heeft doordrongen en hoe de schrijver Michel Houellebecq in zijn romans een vernietigende kritiek levert op dat denken.
Voorwoord: Wie zal zich straks de economen herinneren?
Maris opent met een felle aanval op de economie als discipline. Hij noemt het een “sekte” en een “naargeestige wetenschap” (naar Carlyle), die vooral indrukwekkend lijkt omdat niemand haar begrijpt. Hij stelt dat economen altijd achteraf kunnen uitleggen waarom ze zich vergisten en dat de Nobelprijs voor Economie een illusie is. Zonder een groot schrijver als Michel Houellebecq zou niemand zich deze ideologische oplichterij herinneren. Houellebecq redt de economen van hun onbeduidendheid door hun concepten (concurrentie, creatieve vernietiging, nut) te gebruiken om de essentie van onze tijd bloot te leggen: een wereld die wordt vergiftigd door een kwantificerend denken dat ons vervreemdt van de enige dingen die er echt toe doen: liefde en dood. De econoom probeert de mens te ontdoen van alle pit en emotie, terwijl Houellebecq juist laat zien hoe dit economische keurslijf ons triest en eenzaam maakt.
Hoofdstuk 1: De absolute heerschappij van het individu (of Alfred Marshall)
Dit hoofdstuk gaat over de kern van de economische ideologie: het methodologisch individualisme. De economie, vooral sinds Marshall, ziet de samenleving niet als een geheel, maar als een verzameling losse, rationele en egoïstische atomen die alleen door transacties met elkaar verbonden zijn. Maris gebruikt Houellebecqs personages (zoals Hélène uit De kaart en het gebied) om aan te tonen dat deze visie onhoudbaar is. Mensen zijn helemaal niet rationeel; ze worden gedreven door liefde, angst voor de dood, en irrationele verlangens.
De economie reduceert de mens tot een “rational fool” (Amartya Sen) die alleen reageert op prijsprikkels. Dit individualisme leidt volgens Houellebecq tot een samenleving van “veralgemeende transacties”, waarin alle collectieve banden (gezin, gemeenschap) worden vernietigd. Het individu staat alleen tegenover de markt, wat leidt tot eenzaamheid, concurrentie en uiteindelijk tot wat Houellebecq “moord en ellende” noemt. De economie is niet slechts een beschrijving, maar een ijzeren moraal: je moet rationeel, berekenend en egoïstisch zijn. Zelfs altruïsme wordt verdacht gemaakt als een vorm van verborgen eigenbelang. Deze moraal heeft het christendom vervangen en is veel schadelijker, omdat ze elke vorm van verbondenheid, liefde en goedheid uitsluit.
Hoofdstuk 2: Het bedrijf en de creatieve vernietiging (of Joseph Schumpeter)
Hier staat het bedrijf centraal als een “ecosysteem” van strijd. De manager is de tragische held van deze wereld: een vrijwillige slaaf die leeft in een infantiele, angstige toestand van concurrentie. Hij is onderworpen aan de wet van de “creatieve vernietiging” (Schumpeter), een proces dat niet alleen producten, maar ook banen en mensenlevens onophoudelijk vernietigt en vernieuwt. Dit creëert een permanent schrikbewind van onzekerheid.
Maris vergelijkt deze toestand met de psychologische mechanismen in concentratiekampen (Bettelheim): door constante onzekerheid en willekeur worden mensen geïnfantiliseerd en gebroken. Ze verliezen elk gevoel van controle en worden gereduceerd tot willoze wezens die alleen reageren op de prikkels van de markt. De enigen die in deze harde wereld kunnen overleven, zijn de “zachtmoedigen” – de dichters, dromers en vrouwen – die niet machinaal reageren. De homo economicus is het product van deze angstige, kinderlijke wereld.
Hoofdstuk 3: Het infantilisme van de consument (of John Maynard Keynes)
De consument is de eeuwige onverzadigbare baby van het kapitalisme. Maris gebruikt Keynes om dit fenomeen te duiden: de consument kan geen genoegen nemen, moet altijd meer willen. Dit is een vorm van verstrooiing (Pascal) om de gedachte aan de dood te verdringen. De supermarkt is het paradijs van deze kinderlijke consument, een plek van extase en diffuus verlangen, maar ook van manipulatie.
Reclame fungeert als een tiranniek en meedogenloos superego dat ons dwingt te begeren. Het is de drijvende kracht achter de creatieve vernietiging op het niveau van consumptie: producten worden steeds sneller “gepland verouderd” om de consument in een staat van eeuwige onzekerheid en beweging te houden. Houellebecq personifieert dit lijden in een scène waarin hij huilt om het verdwijnen van zijn favoriete, “perfecte” producten. Tegenover deze infantiele, lege consumptie plaatst Maris de liefde. Liefde wordt niet geconsumeerd; zij is de enige uitweg, de enige mogelijkheid om de terreur van de markt te doorbreken, zoals blijkt uit de relatie tussen Valérie en Michel in Platform.
Hoofdstuk 4: Het nuttige en het nutteloze (of Marx en Fourier)
Dit hoofdstuk onderzoekt het centrale onderscheid tussen productieve en nutteloze arbeid. Geïnspireerd door Marx en Saint-Simon maakt Houellebecq een scherpe scheiding tussen nuttige ambachten (loodgieter, technicus, ingenieur) die echte waarde creëren, en parasitaire beroepen (communicatiespecialisten, reclamemakers, managers, komieken) die alleen maar praten, verkopen en manipuleren. De kunstenaar neemt een aparte positie in: hij is noch nuttig, noch nutteloos in economische zin, maar produceert schoonheid en poëzie. Hij staat buiten het systeem.
Maris bespreekt de utopieën van Fourier en William Morris, die droomden van een wereld waarin kunst en ambacht samenvallen en werk een vreugdevolle, creatieve bezigheid is. Het kapitalisme heeft deze droom verwoest en werk gereduceerd tot een saaie, gedwongen bezigheid die alleen wordt volgehouden door de hoop op geld (een schuldvordering op de toekomst) of door domme ambitie. Houellebecq heeft een diepe waardering voor de vakman die leeft van zijn werk, zijn “common decency” (Orwell) en zijn producten met een eerlijke, rechtvaardige prijs. De architect, daarentegen, wordt weggezet als een productivistische lelijkheidsschepper die de leefomgeving van de mens heeft verwoest.
Hoofdstuk 5: Het einde van het kapitalisme (of Thomas Robert Malthus)
Het kapitalisme draagt de kiem van zijn eigen ondergang in zich. Maris grijpt terug op Malthus en diens sombere visie op overbevolking en schaarste. De eindeloze concurrentiestrijd, zowel economisch als seksueel, leidt tot uitputting. De westerse wereld is in verval: de begeerte is uitgeblust, de seksualiteit is een obsessieve maar lege bezigheid geworden, en het narcisme maakt echte liefde onmogelijk.
Houellebecq beschrijft een samenleving die op sterven na dood is. De natuur wreekt zich op de mens die haar wilde uitroeien. In zijn romals (Elementaire deeltjes, Mogelijkheid van een eiland, De kaart en het gebied) schetst hij het scenario van het verdwijnen van de mensheid. De agressieve, mannelijke, individualistische mens verdwijnt. Wat overblijft is een nieuw, vrouwelijk matriarchaat van gekloonde, onsterfelijke wezens die leven zonder begeerte en geweld, maar ook zonder liefde. De menselijke soort, die de liefde uit haar hart heeft verbannen, heeft zichzelf veroordeeld tot uitsterven. De fabrieken roesten weg, de vegetatie triomfeert.
Nawoord: Wie verdient het eeuwige leven? (of opnieuw John Maynard Keynes)
In het slothoofdstuk keert Maris terug naar de kern van zijn betoog: het verschil tussen de economische en de literaire waarheid. De economie gelooft in de omkeerbaarheid van de tijd (vraag en aanbod herstellen altijd het evenwicht), maar het leven is, zoals Houellebecq schrijft, onomkeerbaar. Entropie en verval zijn de wetten van het bestaan.
Tegenover de kinderlijke, hebzuchtige consument die denkt de dood te kunnen ontlopen door te kopen, plaatst Maris de vraag: wie verdient het om te overleven? Het antwoord van Houellebecq is duidelijk: degenen die in staat zijn tot goedheid, compassie en liefde. Dit zijn de anti-economische waarden bij uitstek. De economie heeft ons gereduceerd tot betekenisloze getallen in spreadsheets. De enige uitweg uit deze kille, wrede wereld is het besef van onze eigen sterfelijkheid en de moed om lief te hebben. Het boek eindigt met een donker poëtisch beeld van een uitgestorven wereld, waarin alleen de vegetatie triomfeert en de herinnering aan de mensheid, zoals vastgelegd door kunstenaars, langzaam vervaagt.