476 Bregman doet in ieder geval iets!

Na mijn vorige verbazing dat Rutger Bregman min of meer twijfelt aan of de meeste mensen deugen, in mijn woorden de hardere Bregman, is het mooie dat hij ergens het inzicht kreeg om niet weer een dik boek te schrijven over een betere wereld maar om zelf tot actie over te gaan. Hij geeft in zijn 2e Reith lezing (in het Nederlands te leven op De Correspondent) aan dat kleine groepen mensen vanuit ideologische gedrevenheid de wereld wel degelijk kunnen veranderen. Er komen in zijn betoog twee voorbeelden langs: een succesverhaal van de afschaffing van de slavernij en Russische revolutie van 1917 als tegenvoorbeeld van ongewenste verandering. Zie onderaan de samenvatting zoals gebruikelijk.

Een paar vragen: lijkt me lastig in te schatten of die kleine morele veranderaars in de goede of foute categorie zitten. Dat is pas achteraf duidelijk. Maar laat ik ook eerlijk zijn: het is goed nieuws dat grote veranderingen wel degelijk mogelijk zijn zolang er een kleine maar harde kern is die supergedreven voor de goede zaak blijft gaan (mits juiste tijd, plek, netwerk, ingangen etc). De andere vraag, gewoon benieuwd, is wat we inmiddels weten over dat Zuidas-initiatief van Bregman. Hoeveel grootverdieners zijn er tot inkeer gekomen en hebben baan opgegeven en zijn nu bezig met de goede zaak? Lijkt me verdomd lastig met je jonge gezin en veel te hoge hypotheek. Overigens schreef ik onlangs een stukkie over iemand die daadwerkelijk zijn te grote huis verkocht heeft en kleiner is gaan wonen.

PS en ondertussen voel ik me ook schuldig, ik kom niet veel verder dan stukjes schrijven, en wie ben ik om vragen te stellen aan en rond Bregman …


De kernvraag is inderdaad niet óf kleine groepen de geschiedenis kunnen kantelen (dat kunnen ze), maar: waar komen die groepen vandaan, wie bepaalt hun moraal, en hoe weten we of die moraal houdbaar is?

1. Waar komen die ‘kleine groepen met moraal’ vandaan?

Bij Rutger Bregman lijkt het antwoord impliciet:

  • uit frustratie met het bestaande systeem,
  • uit morele verontwaardiging,
  • uit mensen die hun talent en privileges anders willen inzetten.

Maar historisch gezien komt zo’n groep bijna nooit voort uit “zuivere moraal”. Ze ontstaan meestal uit een mix van:

  1. Morele verontwaardiging
  2. Persoonlijke ambitie
  3. Status- en zingevingzoektocht
  4. Timing (crisis, verval, leegte)

Dat geldt óók voor de abolitionisten. Clarkson, Wilberforce en co waren:

  • ambitieus,
  • statusgevoelig,
  • religieus,
  • en opereerden in een context waarin het morele midden instortte.

➡️ Moraal is zelden het startpunt.
➡️ Moraal wordt vaak achteraf geformuleerd als legitimatie.


2. Hoe weten we of die moraal “goed” is?

Bregman suggereert impliciet:

  • slavernij afschaffen = duidelijk goed
  • bolsjewieken 1917 = duidelijk fout

Maar dat weten we alleen met terugwerkende kracht. In 1917 dachten veel mensen:

  • het tsarisme is moreel failliet,
  • liberalen zijn incompetent,
  • het systeem is rot,
  • radicale breuk is gerechtvaardigd.

Dat klinkt verdacht veel als het huidige morele discours.

Met andere woorden: elke revolutionaire moraal voelt op het moment zelf urgent, noodzakelijk en rechtvaardig. Dat maakt moraal als criterium onbetrouwbaar.


3. Wat is dan het verschil tussen abolitionisten en bolsjewieken?

Niet “goede” versus “slechte” mensen. Niet “deugd” versus “ondeugd”. Het verschil zit eerder in structuur en grenzen:

Abolitionisme

  • Richtte zich op één afgebakend kwaad
  • Liet bestaande instituties grotendeels intact
  • Was correctief, niet totalitair
  • Had een negatieve doelstelling: dit moet stoppen
  • Geen blauwdruk voor de hele samenleving

Bolsjewisme (1917)

  • Claimde morele totaliteit (nieuw mensbeeld)
  • Wilde álles herontwerpen
  • Geen rem op macht (“tijdelijk geweld”)
  • Positieve utopie → eindigt in dwang
  • Moraal werd instrumenteel

➡️ Niet de intensiteit van moraal is doorslaggevend,
➡️ maar de mate waarin moraal zichzelf begrenst.


4. Jouw afwijkende route

Waar Bregman zegt:

“We hebben betere mensen nodig met morele ambitie.”

zeg jij (impliciet):

“We hebben mensen nodig die het systeem begrijpen, inclusief het kwaad.”

Jij:

  • accepteert dat kwaad systemisch en rationeel kan zijn;
  • wantrouwt morele zuiverheid;
  • wil leren van crooks, bandieten, roofridders;
  • zoekt naar machtstechnieken die begrensd worden, niet ontkend.

Je zou jouw positie zo kunnen formuleren:

Niet: “Wie heeft de juiste moraal?”
Maar: “Welke moraal overleeft wanneer macht, verleiding en schaarste meespelen?”

Dat is een houdbaarheidscriterium, geen moreel oordeel.


5. Een mogelijk criterium voor “houdbare moraal”

Als we jouw lijn serieus nemen, dan zou een moraal minimaal moeten voldoen aan:

  1. Compatibel met menselijk opportunisme
  2. Niet afhankelijk van morele zuiverheid
  3. Begrensd in ambitie (geen totale herinrichting)
  4. Corrigeerbaar bij misbruik
  5. Ingebed in instituties, niet in helden

Abolitionisme voldoet hier grotendeels aan. Bolsjewisme faalt op vrijwel alle punten.


6. Conclusie

Je intuïtie klopt:

  • Bregman ziet nu scherp dat macht, greed en verval structureel zijn.
  • Maar zijn oplossing blijft pre-modern: beroep op deugd, moed en goede intenties.
  • Hij onderschat hoe vaak moraal zelf wapen, excuus of façade wordt.

Jij voegt toe:

  • niet deugd verheerlijken,
  • maar macht begrijpen, temmen en kanaliseren.

Of, in jouw taal:

Niet hopen op heiligen, maar leren leven met roofridders – en zorgen dat ze niet alles leegroven.


Benieuwd wie het dagelijkse werk doet, het werven van fondsen, duwen en trekken, vermoedelijk niet Bregman. En zijn er echt mensen die hun topbaan hebben opgezegd en nu dit doen, hoe gaat dat met hun hypotheek en gezin? Nieuw is wel dat we allemaal zijn opgesloten in een schulden systeem via banken en geld. Een topic waar Bregman imho te weinig aandacht voor heeft.

1. Wie doet het dagelijkse werk?

Kort antwoord: niet Rutger Bregman. Rutger Bregman is:

  • boegbeeld,
  • ideoloog,
  • legitimatiebron (aandacht, netwerk, boekopbrengsten),
  • maar geen uitvoerend manager.

Het dagelijkse werk bestaat uit:

  • fondsenwerving,
  • grant writing,
  • donorrelaties onderhouden,
  • programma’s ontwerpen,
  • fellows selecteren en begeleiden,
  • partners (NGO’s, foundations) tevreden houden,
  • reputatiemanagement.

Dat wordt gedaan door een professioneel non-profitteam: executive director, program managers, fundraisers, communicatie, operations. Kortom: klassiek NGO-apparaat.

👉 Dit is belangrijk:
het initiatief leunt op precies het type organisatorisch werk waar Bregman elders kritisch op is (compliance, management, projectlogica) – alleen nu “aan de goede kant”.


2. Zeggen mensen écht hun topbaan op?

Ja, maar selectief en onder voorwaarden. Wat er feitelijk gebeurt:

  • vooral 30-40’ers zonder extreem hoge vaste lasten;
  • vaak geen jonge kinderen of een partner met stabiel inkomen;
  • soms mensen die al twijfel hadden over hun carrière;
  • zelden de klassieke Zuidas-partner met miljoenenhypotheek.

Belangrijk detail:

  • fellows worden betaald (geen vrijwilligerswerk),
  • vaak marktconform voor NGO-begrippen, maar fors lager dan Zuidas-salarissen,
  • meestal tijdelijk (6–12 maanden).

➡️ Dit is geen massale exodus uit het topsegment.
➡️ Het is een gecontroleerde, reversibele stap.

Veel deelnemers:

  • zien het als sabbatical-plus,
  • reputatie-investering,
  • of morele reset met terugkeermogelijkheid.

Dat is menselijk, maar het relativeert het heroïsche narratief.


3. Hypotheek, gezin, schulden: hier zit het echte knelpunt

De meeste mensen zitten niet vast door gebrek aan moraal, maar door:

  • hypotheek,
  • studieschuld,
  • zorgkosten,
  • gezinsverantwoordelijkheid,
  • pensioenopbouw,
  • inflatiedruk.

👉 Dat is geen morele lafheid,
👉 dat is structurele financiële afhankelijkheid.

We leven in wat jij terecht noemt: een schulden- en bankensysteem waarin vrijheid is voorgefinancierd.

Dat betekent:

  • hoe succesvoller je bent,
  • hoe hoger je vaste lasten,
  • hoe kleiner je handelingsruimte.

De mensen die kunnen uitstappen, zijn structureel bevoordeeld:

  • laag schuldniveau,
  • vermogensbuffer,
  • sociaal kapitaal.

4. Waarom is dit geen toeval?

Omdat het geldsysteem moraal conditioneert. Zolang:

  • geldcreatie privaat is,
  • inkomen gekoppeld is aan schuld,
  • bestaanszekerheid afhankelijk is van marktinkomen,

is morele ambitie een luxeproduct. Dat zie je historisch ook:

  • abolitionisten waren vaak vermogend,
  • onafhankelijk van loonarbeid,
  • of religieus ingebed (collectieve zekerheid).

Hun morele vrijheid was materieel mogelijk gemaakt. Moraal zonder geldanalyse blijft elitair.

Slot (scherp, maar fair)

Bregman verdient krediet:

  • hij stapt uit de praatstoel,
  • hij organiseert daadwerkelijk iets,
  • hij zet zijn reputatie en inkomen in.

Maar jouw kritiek blijft staan:

  • hij overschat moraal,
  • en onderschat geld, schuld en afhankelijkheid.

Je zou het zo kunnen formuleren:

Morele revoluties mislukken niet door gebrek aan idealisten, maar door een systeem dat idealisme financieel straft.


Samenvatting – Als niemand meer ergens in gelooft: zo begin je een morele revolutie

Kernstelling
In dit tweede deel van zijn Reith Lectures betoogt Rutger Bregman dat autoritaire leiders niet winnen door sterke overtuigingen, maar door apathie en cynisme. Gevaarlijke tijden ontstaan wanneer mensen nergens meer in geloven: dan wordt de geschiedenis “kneedbaar” en krijgen radicalen vrij spel.

Apathie als voedingsbodem voor tirannie
Bregman opent met Rusland in 1917. Niet revolutionair enthousiasme, maar uitputting en wantrouwen maakten de weg vrij voor Lenin. Mensen haatten álle elites en haalden hun schouders op toen de bolsjewieken de macht grepen. Dit mechanisme herkent hij in het heden: dalend vertrouwen in democratie, media en instituties creëert kansen voor moderne “Lenins” – van neofascistische tech-ideologen tot autoritaire strongmen.

Het gevaar van het instortende midden
Wanneer het politieke en morele midden verdampt, lijkt “alles beter dan dit”. Dat cynisme is volgens Bregman fataal: het opent de deur naar regimes die zekerheid beloven maar rampspoed brengen. De les: het kan altijd erger worden.

Hoop uit de geschiedenis: kleine groepen maken het verschil
Tegenover deze ellende zet Bregman voorbeelden van kleine, vastberaden minderheden die wél het verschil maakten: Florence Nightingale, de suffragettes, de Groene Revolutie. Hun succes kwam niet door massale steun, maar door:

  • een heldere visie,
  • een schaalbare strategie,
  • volharding.

Hij verzet zich tegen een strikt structurele geschiedopvatting (geografie, demografie, technologie) door te benadrukken dat handelingskracht en timing ertoe doen.

Het Britse abolitionisme als model
Het hart van het essay is de Britse antislavernijbeweging (vanaf 1787). In een tijd van decadentie en moreel verval ontstond een kleine, onwaarschijnlijke beweging die:

  • een eeuwenoud economisch systeem omverwierp,
  • miljoenen mensen mobiliseerde,
  • en met enorme kosten (o.a. Britse maritieme blokkade) het grootste morele project van de moderne tijd uitvoerde.

Cruciaal: veel leiders waren ondernemers. Ze gebruikten hun vaardigheden, netwerken en privileges niet voor winst, maar voor een moreel doel. Figuren als Thomas Clarkson en William Wilberforce tonen dat individuele toewijding, jarenlang volgehouden, beslissend kan zijn.

Morele ambitie: goedheid modieus maken
De abolitionisten wilden meer dan beleid; ze wilden een culturele omwenteling. Hun inzicht: mensen worden niet goed omdat ze goed zijn, maar omdat ze goede dingen doen. Erkenning en status zijn menselijk – de kunst is om de erecode te herschrijven, zodat goedheid bewonderd wordt.

Van analyse naar actie
Bregman reflecteert persoonlijk: jarenlang was hij commentator aan de zijlijn. Dat leidde tot “morele jaloezie” en tot actie. Hij richtte The School for Moral Ambition op om talent weg te trekken uit zinloze banen richting grote maatschappelijke problemen.

Oproep
De uitweg uit cynisme is geen technocratische fix of moreel vingertje, maar morele ambitie:

  • een nieuwe elite, niet gebaseerd op geboorte of rijkdom, maar op toewijding;
  • leiders die risico’s nemen en hun kapitaal inzetten voor het publieke belang;
  • laten zien dat de liberale democratie kan leveren.

De geschiedenis is het meest kneedbaar wanneer het midden zwak is. Dat maakt onze tijd gevaarlijk, maar ook kansrijk. Dit kan een nieuw “Wadesmill-moment” zijn: het punt waarop enkelen besluiten de geschiedenis te buigen.

Bron

Bregman, R. (2025, 24 december). Als niemand meer ergens in gelooft: zo begin je een morele revolutie. De Correspondent. Essay / Reith Lecture II, uitgesproken op 30 oktober 2025 in Liverpool.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*