Archief Stratum Strategie oud NanoCMS

Stratum Strategie — geïntegreerde blogversie

strategievorming | mutual gains approach | bedrijfsbegeleiding

Verbindt mensen en organisaties

Welkom

Mijn naam is Rudy van Stratum en ik werk sinds 2006 als onafhankelijk en zelfstandig economisch-strategisch adviseur voor diverse opdrachtgevers binnen overheid en bedrijfsleven.

Ik ga voor duurzame resultaten en oplossingen en ben hard voor de zaak en zacht voor de persoon.

De dingen die ik doe voor MKB en overheid

  • Bedrijfsbegeleiding
  • Win-win onderhandelen (‘macro mediation’)
  • Strategievorming
  • Helder denken & transparant beslissen:
    onderzoek, scans, enquêtes, visualisaties

Zoals anderen me omschrijven

Onafhankelijk, betrokken, intelligent, resultaatgericht.


Kijk voor meer info ook op:
www.rudyvanstratum.nl
www.transparantbeslissen.nl
www.slimmefinanciering.nl



Gratis eBook ‘Alles mag’
klik hier voor download

Contact

Dr Rudy van Stratum MFE CMC

Adres

Hoogstraat 2

5258 BD Berlicum

Contactgegevens

Telefoon:   06-53639897

E-mail:      rudy@stratumstrategie.nl

Werkwijze

Het hardere onderhandelen

Onderhandelen voor de ondernemer. Met de accountant die te veel in rekening brengt en te weinig toegevoegde waarde levert. Met de vakbond die brief na brief stuurt. Met deurwaarders en juristen. Met 'lastige' werknemers die meer oog hebben voor hun rechten dan voor hun plichten. Met de bank die de kredietruimte wil verhogen als je het niet nodig hebt. Hier valt veel geld te verdienen door goed op te ruimen en orde op zaken te stellen. Afrekenen met het verleden en ruimte maken voor de toekomst.

Het zachtere onderhandelen

Het opstellen van een visie en het formuleren van een missie, het schrijven van een business plan, het financieel onderbouwen van de plannen. Geen papieren tijgers. Ik praat met klanten, leveranciers en werknemers. Deze gespreksronde levert altijd veel informatie op die daarna wordt vertaald naar commerciele kansen. Uit de gesprekken komen niet zelden al concrete opdrachten voort.

Bij complexere problematieken met meerdere partijen en belanghebbenden: het in kaart brengen van de belangen en het vergroten van de zoekruimte voor oplossingen waar iedereen beter van wordt. Het overbruggen van de tegenstellingen en het doorbreken van de patstellingen. Meestal betreft het hier grootschalige projecten waar veel geld mee is gemoeid, maar het kan ook gaan over een familiebedrijf waar senior niet weet of en hoe over te dragen aan de junior(s).

Spelregels 

  • Het gaat niet om standpunten maar om belangen.
  • Hard voor de zaak, zacht voor de persoon.
  • Doorvragen: wat wil de andere partij nu echt?
  • Stel de vragen neutraal en open.
  • Respecteer het belang van de ander, het is wat het is.
  • Betrek alle partijen (stakeholders) in een vroeg stadium bij het proces.
  • Benoem zoveel mogelijk relevante feiten vooraf.
  • Kern: het vergroten van de zoekruimte, niet praten over de verdeling van de taart maar over het vergroten van de taart.
  • Het is pas klaar als iedereen het idee heeft dat er niet meer uit te halen valt.

Het Winestone-concept: waarde-creatie

In dit verband is het winestone-concept nog het vermelden waard. Bedrijven hebben vaak potentie voor verbetering maar kunnen dat op eigen kracht niet (meer) bereiken. Ook is er het geld vaak niet voor het inhuren van een externe adviseur of interim-manager. In het winestone-concept verbindt een adviseur-ondernemer zich voor langere tijd (soms tot 3 jaar) part-time aan het bedrijf, ontwerpt een verbetertraject tegen minimale vergoeding en deelt in ruil daarvoor in de extra waardecreatie die tot stand komt. Dit vormt een prima voorbereiding voor de verkoop van een bedrijf. Het bedrijf wordt als het ware 'verkoopklaar' gemaakt waardoor een veel betere prijs voor het bedrijf kan worden verkregen. Het concept is uniek omdat deze vorm van risicodelend adviseren of participerend interim-managen naar mijn weten nergens anders beschikbaar is.

Voor welke bedrijven of ondernemers is dit concept interessant? In onze ervaring gaat het om middelgrote bedrijven met tussen 15-50 medewerkers en een jaaromzet vanaf 2 miljoen Euro. Het bedrijf is niet verliesgevend maar kent een bescheiden positief rendement. Er is vaak sprake van een DGA (directeur grootaandeelhouder) die het bedrijf al enkele malen naar een volgende fase van volwassenheid heeft gebracht. Nu staat hij weer voor zo’n opgave: maar kan en wil hij dat nog een keer opbrengen of is verkopen of overdragen nu een optie? Niet zelden gaat het hier om zogenaamde ‘professionals’: ondernemers die vanuit de liefde voor hun vak zijn gestart, aanvankelijk alleen maar zoetjes aan met 10 of meer mensen in dienst. Een professional kan een psycholoog zijn maar ook een schilder of schoonmaker. Liefde voor hun vak betekent dat ze vaak een hekel hebben aan papierwerk, ict, commercie en rompslomp met personeel. Achterstallig onderhoud op deze terreinen is er de oorzaak van dat het bedrijf in de huidige staat niet goed is te verkopen.

Interesse om uw bedrijf verkoopklaar te maken?

Op verzoek is een A4’tje met een nadere uitwerking van de uitgangspunten voor deze vorm van waardecreatie beschikbaar.

Meer lezen

  • Ury en Fisher, 'Excellent onderhandelen'
  • Susskind en Cruikshank, 'Breaking Robert's Rules'
  • Nuiver e.a., 'Verbinden met vertrouwen'
  • Hustinx, 'Ecologisch veranderen'
  • Levitt en Dubner, 'Freakonomics' (lees waarom makelaars hun eigen huizen voor een hogere prijs verkopen dan dat van u en waarom leraren met de uitslagen van examens knoeien als ze worden afgerekend op de kwaliteit van hun leerlingen). 

Samenwerkingsverbanden

 

 

Achtergrond Rudy van Stratum

Econoom

Ik ben econoom van opleiding. Van 1979 tot 1985 heb ik (algemene) economie in Tilburg gestudeerd. Ik zeg wel 'van opleiding' maar ik moet zeggen dat het verder gaat: ook in denken en doen kijk ik bijna automatisch naar vraag en aanbod, naar de natuurlijke schaarsten, naar de achterliggende belangen en naar 'optimale' oplossingen. Omdat ik een goede student was ben ik in de wetenschap blijven hangen en in 1991 gepromoveerd op een theoretisch proefschrift over de relatie tussen financiele markten en macro-economische ontwikkelingen. In die tijd heb ik ook de postdoctorale TIAS-opleiding Bankwezen & Financiering gevolgd en mag sindsdien ‘Master of financial economics’ (MFE) achter mijn naam zetten. Uiteindelijk werd het me allemaal te theoretisch en toen ik mijn ouders niet meer kon uitleggen wat ik aan het doen was heb ik, na een tussenstop bij het Centraal Planbureau (toen onder de bezielende leiding van Gerrit Zalm), gekozen voor het bedrijfsleven.

Commercie

Mijn commerciele roots liggen bij Randstad Uitzendbureau. Een fantastisch bedrijf waar je het vak leert door gewoon het magazijn op te ruimen en door op het plaatselijke industrieterrein belletje te trekken. Randstad snapt wat dienstverlenen en klantgerichtheid betekent. Wat een uitdaging dus om wetenschap te combineren met commercie en dienstverlening! Toen ik directeur kon worden van semi-overheidsinstelling ETIN adviseurs in Tilburg heb ik die kans dan ook met beide handen aangegrepen. Over die periode heb ik in 2000 een boekje geschreven 'Alles mag als het maar kwaliteit heeft'.

Ondernemer 

Ik wilde nog een stap verder: zelf ondernemer worden. In 2001 kon ik als mede-eigenaar toetreden tot de directie van Flex Group Nederland. Vrienden uit mijn Randstad tijd waren een eigen detacheringsbureau gestart met een frisse formule om professionals aan zich te binden. In die tijd hadden we meer dan 500 professionals (zzp'ers avant la lettre) aan de slag bij grote namen als Abn Amro, Rabo, Philips, Shell, Nuon, Essent, KLM. Na het drama met de Twin Towers heb ik ook mogen meemaken wat het is als er van die 500 een paar honderd zonder werk komen te zitten en toch uitbetaald moeten worden. Uiteindelijk is het allemaal weer goedgekomen maar ik heb ontdekt dat ik in die commerciele hectiek grijze haren kreeg en de inhoud begon te missen.

Bedrijfsadviseur

Mijn ervaring als bedrijfsadviseur van kleine tot middelgrote ondernemingen heb ik vooral opgedaan bij een grote accountantsorganisatie (1000 medewerkers) waar ik van 2003 tot 2006 directeur van de adviespoot (70 adviseurs) ben geweest. Ik heb daar begrip gekregen voor de kleine ondernemers die naar mijn mening te veel overlieten aan hun accountant en vaak te veel moesten betalen zonder daarvoor extra grip op hun onderneming terug te krijgen. Te vaak ben ik bij ondernemers geweest die toen ik vroeg naar hun jaarrekening op zoek gingen en mij een ongeopende enveloppe in handen gaven (ok ok: ik overdrijf een beetje, maar niet ongeopend dan toch ongelezen). Internetboekhouden geeft naar mijn mening het stuur weer terug aan de ondernemer: hij krijgt met minder geld meer controle over zijn bedrijf. De jaarrekening is niet meer het nodeloos ingewikkelde feestje van de accountant maar komt met een druk op de knop beschikbaar. Niet ergens halverwege het jaar maar al in de eerste week van januari. Niet vreemd dat de meeste accountants niet stonden te juichen bij de niet te stuiten opkomst van internetboekhouden.

Hard en zacht

De rode draad vanaf die tijd is een brug slaan tussen complexe inhoud en commercieel denken. Een brug slaan tussen wetenschap en praktijk. Tussen abstracte visie en concrete uitvoering. Tussen mooie plannen schrijven en centjes verdienen. Tussen overheid en bedrijfsleven. Tussen beleidsmakers en directeuren. Tussen fraaie verhalen en keiharde onderhandelingen. Tussen hard en zacht. Want keihard onderhandelen betekent hard voor de zaak en zacht voor de persoon.

Nevenactiviteiten

Ik ben actief (geweest) als lid van de Raad van Commissarissen van de regionale Rabobank en als bestuurslid van een stichting kinderdagverblijf. Verder bouw ik met regelmaat audio-versterkers, een activiteit die volstrekt achterhaald is maar een overblijfsel uit mijn jeugdjaren en dus nostalgie. Op internet is nog een aantal artikelen over audio en versterkers van mijn hand te vinden. Tenslotte ben ik lid van de Orde van Organisatiekundigen en Adviseurs (OOA) en gecertificeerd management consultant (CMC). In 2011 heb ik de practitionersopleiding NLP afgerond bij het IEP te Nijmegen. Momenteel (2012) volg ik de vervolg-opleiding voor het masters-nlp certificaat.

Bedrijfsbegeleiding

De afgelopen 10 tot 20 jaar hebben we heel wat bedrijfsmodellen zien langskomen. Balanced Score Card, INK, six sigma, ga zo maar door. Met de meeste modellen heb ik wel een keer gewerkt (al dan niet samen met anderen) maar na verloop van tijd ga je toch je eigen ‘model’ ontwikkelen. Ik heb er geen naam voor, een model is het eigenlijk ook niet, maar een van mijn opdrachtgevers noemde het spontaan ‘het trechtermodel’. Ja, dat dekt de lading aardig. Een poging om wat ik bij bedrijven doe in een aantal stappen onder woorden te brengen.

Het trechtermodel

De Engelsen omschrijven het met ‘I have come full circle’. Het lijkt of je weer terug bent bij het begin. Het lijkt hetzelfde maar het is toch anders. In het begin van mijn economiestudie was het allemaal simpel, de economie uit de krantenartikelen. De economie die je kunt uitleggen aan je ouders. De prijs gaat omhoog als er meer vraag is, van dat soort dingen. Later verdiep je je grondig in de modellen en wordt het steeds meer techniek. Uitleggen aan anderen lukt dan al lang niet meer. Na jarenlange praktijkervaring kom ik zoetjesaan weer terug bij de oorsprong en ga ik steeds vaker terug naar de basis: ‘back to basics’. Uiteindelijk is het allemaal niet zo ingewikkeld. In welke branche je ook zit, bij welk bedrijf je ook werkt, in essentie komt het neer op het beheersen van twee zaken: de inkomsten en de uitgaven. Het verschil tussen beiden is de winst (of beter: de cashflow). Onder de trechter komt er een druppeltje winst uit. Om dat druppeltje groter te maken moet je terug naar de grote opening van de trechter en snappen wat er onderweg met de vloeistof in de trechter gebeurt.

De eerste fase: de kernprocessen in kaart

In de eerste fase gaat het om het snappen van wat het bedrijf doet, gaat het om het in kaart brengen van de trechter. Het gaat er om te snappen: waar verdienen we ons geld mee? Ik begin meestal met het in kaart brengen van de feitelijke situatie. Meestal door een paar interviews met kernmedewerkers uit het bedrijf. Hoe ziet je werkdag er gemiddeld uit? Wat doe je als je ’s morgens binnenkomt? Goed, als je dat gedaan hebt, waaraan zie ik dan dat het af is? Als het af is, naar wie gaat het dan vervolgens? Wat doet die er dan weer mee? Stel dat die persoon er niet is, of dat het op die manier niet kan, wat zijn dan je alternatieven, hoe doe je het dan? Als je zo met een aantal interviews de ‘bedrijfspuzzel’ in elkaar legt dan komt er al snel een lijst met vragen, opmerkingen, paradoxen op tafel te liggen. Bijna altijd komt naar voren dat er vergaderingen worden gehouden waarvan volstrekt onduidelijk is wat de bedoeling ervan is, veel kostbare uren worden op die manier verknoeid terwijl essentiele zaken blijven liggen. In de literatuur kom ik hier het verst met ‘Enterprise Proces Management’ of EPM. De voortbrengingsketen wordt hier uiteengerafeld in kleinere processtappen of activiteiten. Elke activiteit kent een input, een bewerking en een output. De output fungeert als het goed is weer als input voor een volgende stap in de keten.

De tweede fase: definieren van kengetallen

In de tweede fase gaat het er om aan de belangrijkste activiteiten in het bedrijf indicatoren te hangen. Hoe zien we dat deze activiteit een zinvolle bijdrage aan het geheel levert? Waar meten we dat aan af? Hoe hangen de diverse indicatoren onderling met elkaar samen, wat beinvloedt wat? Ik streef ernaar op een A4’tje de belangrijkste kengetallen van het bedrijf bij elkaar te brengen. De uitdaging is je niet te verliezen in de details maar ook om het concreet en meetbaar te houden. Vaak worden indicatoren genoemd die prima zijn om wekelijks bij de hand te hebben maar die praktisch gesproken niet te meten zijn. We zoeken hier dus makkelijk meetbare zaken die lijken op wat we eigenlijk zouden willen weten (we zoeken goede ‘proxy’s). Kengetallen vind ik een prima term, maar in de literatuur gaat het om key-indicatoren, KPI’s etc. Als de onderlinge samenhang tussen die indicatoren in beeld wordt gebracht dan komen we terecht bij de ‘Business Score Card’. Ook heeft men het over ‘Business Intelligence’, over dashboards en over cockpits.

De derde fase: de grote lekken opsporen

De eerste twee stappen zijn cruciaal maar het is allemaal papier- en denkwerk. In de derde fase worden we praktisch. We sporen de lekken op in de inkomsten en in de uitgaven. Waar verdienen we het meeste geld aan? Welke klanten zijn belangrijk? Welke producten? Hoe zit het met verloop van klanten? Waar gaat het geld aan op? Wat is nodig en wat kan weg? Gesprekken met klanten horen hier thuis. Hoe tevreden zijn ze, waarom kiezen ze voor dit bedrijf, wat zouden ze doen als het tegen zit? Een internet enquete kan hier ook prima. Voor relatief weinig geld krijg je in korte tijd een prima beeld wat er leeft bij de klanten. En dit is geen onderzoek om het onderzoek: meteen wordt er van de gelegenheid gebruik gemaakt de contacten met de klanten aan te halen en te verbeteren. In deze fase wordt ook kritisch gekeken naar de leveranciers: passen ze bij het bedrijf, kan het elders beter en/of goedkoper, is er voldoende toegevoegde waarde? Deze derde fase is feitelijk een onderhandelingsfase.

De vierde fase: monitoren en sturen

Nu gaat het erom of alle inspanningen ergens toe leiden. We gaan het A4’tje met managementinformatie wekelijks volgen. Waar zien we dat het beter gaat, waar zien we het achteruit gaan? We krijgen meer grip op de logica van de stappen, waar de knoppen zitten om in te grijpen en om te sturen. Wie heeft er een idee hoe de situatie te veranderen? Wie neemt die verantwoordelijkheid op zich? Waar kunnen we over een week of een maand aan zien of onze akties zijn gelukt? Pas in dit stadium begint de discussie over waar we op einde van het jaar zouden kunnen uitkomen, het opstellen van een prognose, het maken van een nieuwe begroting, het formuleren van targets.

De vijfde fase: de zachtere elementen

Ja maar, hoor ik u zeggen, hoe zit het met het personeel, met de cultuur, met de visie? Het gaat toch niet alleen om de getallen? Hier merk ik dat ik een andere aanpak heb dan veel anderen. Dat is wat ik met ‘back to basics’ bedoel. Natuurlijk gaat het uiteindelijk om het personeel, hoe gemotiveerd ze zijn, hoe de sfeer is, wie prima voldoet en wie niet. Mijn stelling is dat door te praten over concrete en feitelijke zaken, door daar vervolgens cijfers en doelstellingen aan te hangen, je het snelst meters maakt. Meteen praten over grootse visies is meestal niet productief. Door samen aan de slag te gaan met de indicatoren is de aansluiting met de bestaande praktijk het makkelijkst te maken. Door de gesprekken en de dagelijkse (als het goed is hernieuwde) dynamiek komen de meer strategische en meer ‘zachte’ factoren vanzelf aan de orde en boven tafel. Specifieke zaken die acuut de aandacht vragen worden er uitgelicht. Soms moet direct afscheid van iemand genomen worden. Soms worden er aparte sessies met het MT georganiseerd omdat er forse persoonlijke wrijvingen zijn. Dat heeft dan prioriteit. Soms wordt een hele afdeling psychologisch getest, ook daar zijn tegenwoordig via het internet prachtige tools voor beschikbaar. Het mooie is dat door de gesprekken en interventies het materiaal beschikbaar komt voor het verkennen van de gewenste toekomsten, het formuleren van de missie, het opstellen van de visie, het bepalen van de strategieen en de doorredeneren van de verschillende scenario’s.

Recente projecten

  • Bemiddeling directie en OR: in kaart brengen van de dynamiek
  • Inventarisatie belangen en verloop dynamiek: verbinding directies gemeente en corporatie
  • Programma van Eisen nieuwbouw Stadskantoor + Scholengemeenschap
  • Versnelling realisatie bouwopgaaf 2010-2020 middelgrote gemeente: analyse en advies
    Rapportage en besluit gemeenteraad
    klik hier voor download
  • Mutual Gains Aanpak rondom sportterrein en onderwijs (samen met Stijn van Liefland)

    ambitiekaart schematische weergave mga proces

  • Onderzoek naar doelmatigheid subsidie verstrekking grote gemeente (samen met Henk Plessius)

    referentiekader subsidie-check

  • Inhoudelijke toetsing voor psychologisch adviesbureau bij aanname CFO
  • Mutual Gains Approach met oa zorginstelling, gemeente, zlto en milieu-organisatie(s) (thema: ‘nieuw dorps bouwen’)
  • Teamtraining onderhandelen in een complex speelveld voor energieleverancier (samen met Guus Hustinx)
  • Inrichting duurzame woonwijk: mmv van gemeente, provincie, projectontwikkelaar, woningcorporatie, kennisinstelling
  • Marktverkenning voor psychologisch adviesbureau (samen met Peter Hawinkels)
  • Grote opruiming in een schoonmaakbedrijf
  • Bedrijfsoverdracht in familiebedrijf
  • Het zoeken van een strategische partner voor een opleidingsinstituut
  • Het zoeken naar financiers voor een creatieve uitvinder
  • Duurzame investeringsbeslissingen in het MKB: samenwerking tussen accountants, banken, bedrijven. milieufederatie en overheid (samen met oa Royal Haskoning en ABAB accountants)
  • Begeleiden van aantal grote partijen die onderling beveiligd informatie moeten uitwisselen volgens afgesproken standaarden zonder dat er iemand de baas is (samen met Brian Dommisse)
  • Mutual gains aanpak milieu-strategie provincie Noord-Brabant onderzoeksrapport  mga-handleiding

 

 

STRATegisch Update Moment

Nu is het goed …

Natuurlijk heeft u nagedacht over uw strategie en ook werkt u in uw bedrijf aan de gerichte uitvoering ervan. Maar de tijd staat niet stil: wat speelt er in de markt, wat doen uw concurrenten, wat vinden uw medewerkers? Kortom: wordt het niet eens tijd voor een update van uw oude strategie?

…. maar het kan beter, dat weet u zelf ook

Ik bied in een vast pakket voor het MKB een quick-scan ‘STRATegische Update Moment’ (‘STRATUM’) aan. Dit pakket bestaat uit:

  • Intake (probleemverkenning 2 uur)
  • 2 interviews met management (intern aansturing en financien 6 uur)
  • 2 interviews met medewerkers (intern personeel 6 uur)
  • 2 interviews met opdrachtgevers (extern markt 6 uur)
  • 2 interviews met concurrenten (extern markt 6 uur)
  • Deskresearch (extern trends en ontwikkelingen 6 uur)
  • Bespreking en presentatie bevindingen (4 uur)
  • Beknopte rapportage met verbeterpunten (10 uur)
Deze strategie update voor het MKB (doelgroep 10-50 medewerkers) geniet u voor een vaste prijs van 7.500 Euro. Doorlooptijd: 4-6 weken.

Raad bij Toezicht

Een dienst die directie en RvC aanbiedt te toetsen of het toezicht goed is geregeld. Na gesprekken met de belangrijkste stakeholders van de organisatie krijgt u een compacte en heldere rapportage over de belangrijkste bevindingen inclusief aanbevelingen.

  • Toets op consistentie: doen wij wat we zeggen?
  • Toets op toezicht: is het toezicht goed geregeld?
  • Toets op verantwoordelijkheid nemen: vinden wij en anderen dat we maatschappelijk verantwoord handelen?
  • Zie ook: De economische principes achter het houden van toezicht

    cirkel van toezicht

    Verbinden met vertrouwen (2008)

    In het Nederlandse taalgebied is er over de zogenaamde Mutual Gains Approach weinig informatie voorhanden. Internationaal is Larry Susskind de grote man op dit gebied. In Nederland hebben we een equivalent in de persoon van Frans Evers. De Amerikaanse poot is goed gedocumenteerd, er zijn vele boeken en praktijkvoorbeelden te vinden. In Nederland ontbreekt dat zoals gezegd vooralsnog. Met name de provincie Noord-Brabant speelt sinds een aantal jaren een voortrekkersrol door de methode te adopteren, ambtenaren op te leiden en concrete problemen te tacklen met de aanpak. Elders op deze site (onder ‘recente projecten’) vind je een link naar een handleiding MGA van de provincie Noord-Brabant.

    Maar in 2008 is er dan een boek verschenen dat stapsgewijs de methodiek bespreekt aan de hand van een aantal (fictieve) voorbeelden. In het boek wordt niet uitgebreid en expliciet over MGA gesproken, er is niet meer dan terloopse verwijzingen naar de onder die naam bekend staande stroming. Ook de titel van het boek ‘Verbinden met vertrouwen’ is naar mijn smaak te vaag en algemeen om vanaf de kaft en titel te kunnen zien dat het hier om een MGA boek gaat. Hebben de auteurs bewust voor deze insteek gekozen? Om kopers niet af te schrikken met engels jargon? Er zijn toch betere titels te verzinnen die de lading wel dekken? ‘Resultaten met stakeholders’ of ‘Omgaan met complexe multipartijen conflicten’? Anyway: er is een boek voorhanden en het is in heldere taal geschreven en beschrijft een duidelijk stappenplan hoe je te werk kunt gaan. Laten we de stappen in hoofdlijnen eens doorlopen.

    Stap 1: verkenning

    Er moet sprake zijn van een probleem, een issue. Het probleem moet door een aantal belanghebbenden gedeeld worden en het moet ook een zekere prioriteit hebben, het moet belangrijk genoeg zijn voor de betrokkenen om er tijd en moeite en geld in te stoppen. De eerste stap is een verkennende fase: wat is het probleem precies, voor wie is het een probleem, wie zijn de belanghebbenden, hoe urgent is het probleem, is het kansrijk. In deze fase wordt een gevoel ontwikkeld: waar gaat het hier om, wat is er aan de hand, maar dan op hoofdlijnen, bijna intuitief nog. Instrumenten om dit gevoel te ontwikkelen zijn bilaterale gesprekken enerzijds en het invullen van een krachtenveldanalyse anderzijds. Dat laatste geeft structuur aan de gesprekken.

    Op de ene as zet je de verschillende actoren, op de andere as zet je zaken als ‘machtsbron’, ‘belang’, ‘vertrouwen’, ‘netwerk’, ‘opstelling’. Er wordt een soort consumentenbond achtig systeem van waarderingen gebruikt om de verschillende cellen van de matrix te vullen. Dus je werkt met +, ++ etc of met ‘smileys’ etc. Het is in dit stadium al handig om er enkele interessante cellen uit te lichten: waar zit de dynamiek, waar zal het er zodadelijk om spannen, waar zitten de kansen en waar de valkuilen?

    Stap 2: interviews stakeholders

    Zo’n matrix kun je invullen zonder nog met alle partijen te spreken. Je doet het op basis van je indrukken, van een gesprek met een van de partijen etc. Het moet antwoord geven op de vraag: is dit kansrijk genoeg om mee door te gaan? Is het antwoord bevestigend, dan worden alle partijen benaderd, er wordt gevraagd naar een juiste vertegenwoordiger (hebben we de juiste persoon die dit belang vertegenwoordigt te pakken?) en er worden interviews afgenomen. De interviews worden afgenomen door een neutraal en door alle partijen acceptabel persoon. De interviewer beschrijft de spelregels van MGA en vraagt in diepte door naar de diepere motieven van de geinterviewde in dit specifieke probleem. Per interview wordt een verslag gemaakt en dat wordt door de geinterviewde aangepast en geaccordeerd. Deze gesprekken zetten al een denkronde in gang bij alle partijen, soms gaan partijen elkaar al bellen over hun bevindingen, het begint te lopen. Dat het verslag wordt geaccordeerd betekent dat er al een onderlinge overeenkomst is tussen interviewer en geinterviewde: is dit het probleem? zijn dit de kansen? zijn dit de bedreigingen? zie ik het zo goed? gebruik ik de juist termen en woorden?

    Stap 3: opstellen startnotitie

    De interviewer kan nu op basis van al zijn gespreksverslagen een (geanonimiseerde) totaalrapportage maken. Hierin komen aan de orde: MGA en de spelregels, het probleem, de partijen, de belangen, de mogelijke knelpunten en oplossingen etc. Dit wordt in conceptvorm besproken met een enkele partij (vaak is dit de partij die het voortouw neemt). Dit is een check: slaan we de plank mis, moeten we dit hier wel zo zeggen etc? Dan gaat het totaalverslag in conceptvorm rond. Alle partijen krijgen dezelfde tekst voorgeschoteld en kunnen hun wijzigingen voorstellen. Er ontstaat al een verdiepingsslag. Als alle wijzigingen zijn verwerkt (op een consistente manier) dan gaat het stuk nogmaals naar alle partijen en zo verder. Uiteindelijk ontstaat een discussiestuk waar iedereen zijn bijdrage aan geleverd heeft en waar de kern van het probleem in is verwoord.

    Stap 4: samen opstellen belangenmatrix

    Nu is het tijd om alle partijen fysiek bij elkaar te brengen: een bijeenkomst, workshop, discussie, hoe je het ook wilt noemen. Er wordt een agenda opgesteld en een datum + locatie geprikt. De agenda bevat: kennismaking, spelregels en procesafspraken, bespreking doel en voortgang. Zijn alle partijen aanwezig? Missen we nog iemand? Heeft iemand nog wat toe te voegen aan de agenda? Is iedereen akkoord met de opzet en aanvliegroute? In de bijeenkomst worden nogmaals alle stappen doorlopen: wat is het probleem, wie zijn de partijen, wat zijn hun belangen, waar zitten de meest dynamische cellen. Er wordt gezamenlijk en ter plekke een belangenmatrix gecomponeerd. Daarnaast worden de grootste issues benoemd en iets van een rangorde aangegeven. Er komt een prioriteitenlijstje, waar moeten we ons op focussen om de meeste kans op succes te verkrijgen? Er wordt een verslag van de bijeenkomst gemaakt, die wordt weer rondgestuurd en aangevuld / gewijzigd. Op deze manier committeert iedere deelnemer zich aan de stappen die worden gezet.

    Stap 5: vergroten van de koek

    Let op: er is nog helemaal niet gesproken over oplossingen. Het gaat puur om het in kaart brengen van het probleem (feiten) en de partijen en de belangen en de cellen in de matrix. En wel zodanig dat dit door iedereen wordt gedeeld. Nu komt de fase van het genereren van oplossingen. Dit kan in een aparte bijeenkomst maar soms wil het lukken deze en de vorige stap in een en dezelfde sessie te organiseren. Eigenlijk is deze stap de kern van MGA: het vergroten van de koek, het genereren van zoveel mogelijk opties en oplossingen nog zonder daar een waarde oordeel over uit te spreken. Hier hanteren de auteurs weer een matrix die ingevuld kan worden. Op de ene as staan de belangen of criteria (waaraan opties moeten voldoen) en op de andere as staan de gegenereerde oplossingen of opties. En weer zeggen de cellen iets over de dynamiek: welke cellen springen eruit, waar zitten de opties die aan de meeste criteria van de deelnemers voldoen, welke opties leveren nog discussie op, en welke opties zijn neutraal, lauw of zelfs koud? Nu kan weer een prioritering worden toegepast: welke opties doen het meest recht aan de criteria in deze groep, de oplossingen worden gewogen.

    Stap 6: verdelen van de koek en onderhandelen

    De vorige stap betrof het vergroten van de koek. Deze stap betreft het verdelen van de koek. Nu wordt er onderhandeld over de verschillende opties. Want de opties doen recht aan het ene belang maar minder aan het andere. Eerst kunnen weer bilaterale gesprekken worden gevoerd en de ‘informateur’ kan komen met wat in zijn ogen een redelijke afweging van belangen is na alle partijen nogmaals gehoord te hebben. Je kunt distributief onderhandelen of je kunt integratief onderhandelen of je kunt beiden doen. Zaak is dat voortgang wordt geboekt in de gesprekken. Dat er niet sprake is van herhaling van zetten. Zijn er oplossingen die we over het hoofd zien? Kunnen we belangen aan elkaar knopen? Zijn de oplossingen duurzaam, kunnen ze ook op langere termijn volgehouden worden? Of zullen binnen de kortste keren in de praktijk barsten ontstaan? Deze stap moet uitmonden in een convenant waar de oplossingen en akties in vermeld staan en dat ondertekend wordt door de deelnemers.

    Stap 7: the day after en monitoren

    De laatste stap gaat over het monitoren van de gemaakte afspraken. Wat gebeurt er als er een nieuwe partij zich aandient? Als de feiten veranderen? Als de kosten onverwacht veel hoger uitvallen? Hoe communiceren we naar onze achterbannen? Wat doen we als daar een kink in de kabel komt? Wie voert het woord naar buiten, met welke boodschap? Welke status heeft onze overeenkomst? Welke mijlpalen leggen we vast? Hoe gaan we de voortgang meten? Hoe weten we of we allemaal nog tevreden zijn of dat er bijgestuurd moet worden? De auteurs geven hier een voorbeeld van een evaluatiematrix, die zowel tijdens de rit als erna kan worden ingevuld en bijgehouden.

    Het kan wel! Bestuurlijk onderhandelen voor een duurzaam resultaat

    Frans Evers en Lawrence Susskind

    MGA of ‘Mutual Gains Approach’ (ook bekend onder andere namen zoals win-win en consensus building approach) lijkt aan aandacht te winnen in Nederland. Met name de overheid maakt bij complexe projecten steeds meer gebruik van deze aanpak. Tot nog toe was een probleem dat er weinig Nederlands toegankelijk materiaal beschikbaar was. Een simpel maar voortreffelijk boek dat een algemene basis voor het MGA-denken legt is ‘Excellent onderhandelen’ van Ury en Fisher. De MGA-aanpak heeft zijn roots in de VS, en mede-auteur van ‘Het kan wel’ Susskind heeft zelf aan de wieg ervan gestaan. Susskind staat ook bekend om zijn vuistdikke boeken die hij over MGA heeft geschreven, maar toch was pas in 2006 sprake van een doorbraak met het verschijnen van de populaire versie ‘Breaking Robert’s rules’. In Nederland zijn de ‘voormannen’ van MGA oa Frans Evers, Pieter Winsemius en Frits Philips jr. Ik kan daarom alleen maar verheugd zijn met de recente toevoeging van dit boek van ‘godfathers’ Evers en Susskind aan het Nederlandse taalgebied. Hoewel het hier volgens het voorwoord om een bewerkte Nederlanse vertaling van het eerdergenoemde boek uit 2006 gaat, doet dit geen recht aan ‘Het kan wel’. Het gaat hier om een echte Nederlandse uitgave met nieuwe teksten en andere praktijkvoorbeelden.

    Mga: wat is dat?

    Vanuit de bestuurlijke ivoren toren besluiten nemen en over het volk afroepen werkt niet meer. Onze maatschappij is complexer geworden, burgers zijn beter opgeleid en mondiger en weten zich beter te organiseren. Bovendien zit er veel kennis bij partijen die traditioneel niet meegenomen worden bij complexe besluitvormingstrajecten. Het blijven toepassen van oude manieren van besturen leidt daarom tot lange trajecten, veel weerstand, veel en dure rechtsgangen en halfbakken compromissen waar uiteindelijk niemand blij mee is. Traditioneel gaat het om ego’s, macht, procedures, veel spreken en weinig luisteren. De in dit boek voorgestelde mga-aanpak biedt een alternatief. Kern is het in een vroegtijdig stadium betrekken van alle belanghebbenden bij het vormgeven van oplossingen rondom bestuurlijke vraagstukken. Ervoor zorgen dat de juiste mensen met de juiste verwachtingen aan tafel zitten. Deelnemers het vertrouwen geven dat het loslaten van een defensieve houding winst kan opleveren, het opzetten van een proces dat iedereen als open en eerlijk ervaart. Verder is het gezamenlijk vergaren van de relevante feiten belangrijk, het draait erom alle relevante informatie op tafel te krijgen. In een aantal sessies worden pakketten met oplossingen gezocht die zoveel mogelijk tegemoet komen aan de belangen van de partijen en niemand fundamenteel in zijn of haar belang aantast. Dit proces van ‘consensus bouwen’ vereist een actieve instelling van de deelnemers: een ontevreden persoon heeft niet de luxe om ontevreden te zijn en in een hoekje te blijven zitten. De vraag aan deze persoon is: hoe kan het pakket veranderd worden van onacceptabel naar acceptabel, niet alleen voor jezelf maar voor iedereen in de groep?

    Oordeel

    Zoals gezegd, een zeer welkome aanvulling en het komt op een goed moment. Niet alleen de theoretische achtergronden van de aanpak worden netjes behandeld maar het boek wemelt ook van de praktijkcases. Sterk is dat het hier om een geheel eigen Nederlandse versie gaat met de status dat het door de uitvinders is geschreven met een stevige voet in de praktijk en realiteit van alledag.

    Maar natuurlijk zijn er ook kanttekeningen te plaatsen. Het boek is naar mijn mening te weinig logisch gestructureerd. Nagenoeg alle onderwerpen worden meerdere keren in het boek behandeld en er is dus nogal eens sprake van nodeloze herhaling. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de auteurs met fiches hebben gewerkt met stukken tekst (quotes) erop. Soms komen nagenoeg dezelfde teksten twee keer in het boek voor. Het boek zou sterk aan kwaliteit en bruikbaarheid winnen als er samenvattende visuele overzichten aan zouden worden toegevoegd (normaal het kenmerk van Amerikaanse educatieve boeken!). De praktijkvoorbeelden zijn natuurlijk goed en verrijken de tekst maar hebben helaas allemaal hetzelfde karakter. Het gaat veelal om problemen rondom gebiedsinrichtingen en het zijn grootschalige en langlopende trajecten. Hierdoor dreigt uit zicht te raken dat de methodiek in beginsel veel breder toepasbaar is bijvoorbeeld in het private domein en bij kleinere vraagstukken. Tenslotte komt het mij voor dat veel lezers behoefte hebben aan positionering van MGA: waar staat deze aanpak nu in de verzameling reeds beschikbare aanpakken, waar zit het onderscheid, waar vult het aan en waar strijdt het?

    Rudy van Stratum is directeur van Stratum Strategie en werkt sinds een aantal jaren voor oa de provincie Noord-Brabant met de MGA aanpak.

    Uitgeverij MGMC, ISBN 978-90-78171-05-8, 2009

    MGA: veel gestelde vragen

    Waar is MGA voor bedoeld?

    Het is een gestructureerde aanpak bij complexere problematieken waar meerdere partijen bij betrokken zijn. ‘Gestructureerd’ omdat er een aantal te nemen stappen gedefinieerd is en het gedachtegoed ook uitvoerig is gedocumenteerd en in de praktijk is toegepast. ‘Complexere problematieken’ omdat de aanpak juist geschikt is als er meerdere partijen bij betrokken zijn met mogelijk conflicterende belangen en dat vaak al jarenlang.

    Wat is de kern van MGA?

    Volgens mij bestaat de kern van de Mutual Gains Aanpak (MGA, win-win, wederzijdse voordeel methodiek, consensus building approach) uit 2 principes:

    1. Redeneer niet vanuit posities maar vanuit belangen.

    2. Een intrinsieke optimaliseringsslag die is ingebouwd door iedereen voortdurend uit te nodigen een beter idee te formuleren dat recht doet aan zijn belang zonder dat van anderen te schaden.

    Toelichting:

    Een positie is de einduitkomst van allerlei afwegingen, het einde van een beslissingsboom die is doorlopen. Een positie zegt: ‘ik ben voor of ik ben tegen’. Het probleem met een positie is dat die snel botst met een andere positie en weinig ruimte voor onderlinge afstemming meer biedt. Als een positie eenmaal is ingenomen is hij lastig te verlaten, mensen bijten zich vaak in hun positie vast. De truc van MGA is nu dat we de gevolgde beslissingsboom gaan afpellen, steeds een stapje terug redeneren. Uiteindelijk kom je dan terecht bij de zaken waar het echt om gaat, bij de achterliggende drives of belangen van een individue of een organisatie. Het mooie van een belang is dat die puur is en ononderhandelbaar. Maar het mooie is ook dat als je vanuit de grotere belangen redeneert dat je dan bij veel meer posities kunt uitkomen die allemaal hetzelfde belang dienen. Wat je in feite doet is de mogelijke zoekruimte vergroten. Als we allemaal onze posities verlaten, maar onze belangen blijven behartigen, dan ontstaat een grotere zoekruimte die zoveel als mogelijk is tegemoet komt aan al onze belangen maar nog vele eindposities openhoudt. MGA is feitelijk een zoektocht naar de mogelijke eindposities die zoveel mogelijk recht doen aan de set van achterliggende belangen.

    Dan de optimaliseringsslag. MGA is een voortdurende ronde van bevragingen in een open en transparant proces. Wie ziet er nog een mogelijkheid waar we niet aan gedacht hebben en die tegemoet komt aan een belang zonder dat het andere belangen schaadt? Als econoom trek ik de parallel met het zogenaamde Pareto-optimum in de welvaartstheorie. Een verdeling van welvaart is optimaal als er geen mogelijkheid meer bestaat van een herverdeling van die welvaart waarbij iemand er beter van wordt zonder dat anderen er slechter van worden. Deze vraag moet in een MGA-traject dus voortdurend rondzingen: wie heeft er nog een beter idee? En nogmaals en nogmaals. Maar wel een beter idee onder randvoorwaarden! En omdat het proces transparant is en iedereen in principe is uitgenodigd deel te nemen is het niet vrijblijvend, je committeert je door je deelname ook aan de einduitkomst van het proces.

    Waarom is het cruciale MGA woord ‘consensus’ misleidend?

    Consensus is waarschijnlijk het woord dat je het meest zult tegenkomen in MGA-teksten. Consensus moet worden onderscheiden van compromis. Een compromis is een halfslachtige tussenoplossing waar uiteindelijk niemand echt blij mee is. Jammer aan consensus is dat het suggereert dat iedereen er blij mee is, dat het een wat zijig begrip is. Maar dat is helaas niet zo. Consensus betekent hier: iedereen is het ermee eens dat er geen oplossing voorhanden is die nog meer tegemoet komt aan alle belangen zonder andere belangen te schaden. Dat kan natuurlijk een situatie opleveren waar je van baalt: ik baal ervan dat ik niet krijg wat ik had gehoopt maar ik zie dat elke andere optie me uiteindelijk minder oplevert.

    Want dat heb ik nog niet genoemd: je moet voor een goede afweging helder hebben wat je alternatieven zijn. Iemand met een fantastisch alternatief achter de hand zal zich nooit committeren aan de uitkomst van een MGA-traject. Een MGA-traject wordt doorlopen met partijen die op de een of andere manier tot elkaar zijn veroordeeld, die hoe dan ook met elkaar te maken (blijven) krijgen. En gelukkig is dat meestal het geval. Iemand die makkelijk zegt ‘dan ga ik mijn eigen weg, bekijk het maar met zijn allen’ zal als hij zijn redenering netjes afmaakt zien dat hij via de achterdeur toch last zal krijgen van onbedoelde bijeffecten. Vaak doet dat zo’n partij alsnog besluiten zich bij de discussie aan te melden. Inmiddels zal ook duidelijk zijn dat een goede feitenanalyse vooraf, het verzamelen van alle relevante informatie, cruciaal is.

    Wanneer kun je het wel en wanneer niet toepassen?

    Ik zei al: MGA is vooral efficient bij wat complexere beslissingstrajecten, wat langer slepende discussies waar meerdere partijen bij betrokken zijn. Het vergt nu eenmaal investeringen in tijd en geld om een MGA-traject goed te doorlopen. Uiteindelijk, zo is de stelling, verdient die geinvesteerde tijd zichzelf weer terug. Toch zit hier wel een paradox: iedereen is geneigd de echt benodigde tijd om tot een oplossing te komen zwaar te onderschatten. Gevolg is dat men het toch maar weer op de gewone wijze probeert te ritselen en na jaren noodgedwongen alsnog tot een MGA-keuze komt. Misschien moet dat wel een praktijkadvies worden: ga maar gewoon je gang, als het niet lukt dan hebben we opnieuw een gesprek.

    Maar toch doen we MGA hiermee tekort. De filosofie die achter MGA steekt kun je ook op kleinere problemen loslaten. Je kunt zelfs in een bilateraal gesprek dezelfde uitgangspunten hanteren en zien dat je tot een beter gespreksresultaat komt.

    Welke lessen heb je zelf getrokken door de aanpak in de praktijk te gebruiken

    1.Een succesvol MGA-traject moet een primaire probleemeigenaar hebben, iemand die het hele spul aanzwengelt en op dat moment het meest gebaat is bij een oplossing. Zonder duidelijke trekker (iemand die er wakker van ligt als er te weinig voortgang wordt geboekt) is een MGA-traject gedoemd te mislukken.

    2.Aan de kant van de primaire probleemeigenaar ligt vaak ook een fikse organisatie- en regelopgave. Er moeten datums worden geprikt, agenda’s gemaakt, mensen uitgenodigd, geschikte locaties worden gezocht, informatie toegezonden etc etc. Aan de kant van de primaire probleemeigenaar moet een projectleider met het juiste profiel beschikbaar zijn die al deze zaken borgt.

    3.Ondanks alle waarschuwingen vooraf wordt de benodigde tijd bij de deelnemers niet of onvoldoende ingeboekt. Altijd wordt onderschat hoeveel tijd het nu eenmaal kost. Niet alleen de gesprekken en bijeenkomsten zelf, vooral ook de tussentijdse overleggen, het inwinnen en analyseren van informatie en het vertellen en uitleggen aan je achterban, kosten tijd. Mijn les is dat het voortraject daarom maar wat langer moet duren. Het voortraject waarin je de spelregels bespreekt en de geesten rijp maakt. Explicieter een go/no-go moment inbouwen waarop je met elkaar afspreekt om door te gaan of niet.

    4.Dit is een rare. Iedereen praat altijd over de bijeenkomsten en over de discussies daar en hoe creativiteit kan worden ingebracht. In mijn ervaring gebeurt het echte werk voor en na de bijeenkomsten in individuele gesprekken, de ene persoon die spontaan de andere belt, iemand krijgt een idee en werkt het samen met een paar anderen uit etc. Als dit ‘voorwerk’ goed wordt gecoordineerd en de procesbegeleider een gevoel heeft welke kant het uit kan gaan, dan zijn de bijeenkomsten ‘slechts’ rituelen die een gemeenschappelijk moment markeren maar waarvan de uitkomsten vooraf al grotendeels vast stonden. Ook heb ik zelden meegemaakt dat geniale ideeen volstrekt ‘out of the blue’ tijdens zo’n bijeenkomst ontstonden. Vaak gaat het om goed voorbereide en doordachte acties die vooraf al bij een aantal partijen getoetst zijn op hun houdbaarheid. Misschien wekt dit het idee van achterkamertjespolitiek maar zo is het niet bedoeld. De praktijk wijst nu eenmaal uit dat grote ideeen en brede consensus niet onvoorbereid aan een grote tafel met veel partijen in een paar uurtjes tijd ontstaan. Als dat in uw optiek wel het geval is dan vergeet u het vele goede werk dat aan de bijeenkomst is voorafgegaan.

    5.Het is mooi dat MGA gestructureerd is. Maar ik ben zelf meer van de pragmatische lijn (en ik vind het ook prima als echte MGA-deskundigen tegen me zeggen: maar wat jij daar doet, dat is geen MGA). Als iets niet werkt, dan werkt het niet en er zijn meerdere wegen naar Rome. In mijn ogen laat de principes van MGA vermenging met allerlei andere werkvormen en afspraken toe en moet flexibiliteit en originaliteit mogelijk blijven. Een voorbeeld: met collega-adviseurs doe ik aan intervisie. Daar pluizen we volgens een stappenplan een door een van ons ingebrachte casus uit. Wat in de praktijk het allerbest blijkt te werken is het inbouwen van een extra niet-rationele stap: een roddelrondje. De casusinbrenger mag alleen luisteren, de anderen mogen er vrolijk op los roddelen. In no-time brengt iedereen dezelfde beelden en ‘waarheden’ boven tafel, vaak wordt hier de kern van hele discussies samengevat, onze intuities zijn vaak zo slecht nog niet. Wel dient de casusinbrenger vooraf gewaarschuwd te worden: het is niet altijd leuk de waarheid te horen.

    6.Tenslotte: in mijn ogen is MGA een wat technocratische formele aanpak (in geschrift maar ook in de praktijk). En ook dat is raar. In wezen gaat het om het in kaart brengen van de diepste drives en overtuigingen van personen en het verkennen van de speelruimte. De kunst van het vragenstellen, dieper en onconventioneler dan anders, staat daarbij centraal. De psychologie maar ook niet-rationele of onconventionele aanpakken (zoals het hierboven genoemde roddelen) zouden dus een veel grotere rol moeten spelen. Gelukkig staat nergens dat dergelijke toevoegingen en uitbreidingen op ‘standaard-MGA’ niet mogen.

    (tekst zoals ingebracht tijden meeting over Ancora-model op 24 november 2009 in Natuurmuseum Tilburg)

    Stappenplan maken eenvoudige website

    Benodigd:

  • Firefox browser
  • Fireftp (plugin Firefox)
  • Abonnement webserver
  • Nanocms
  • notepad++
  • Usb webserver
  • Doel

    Ik heb lange tijd geen website gehad. Ik krijg mijn opdrachten via mijn netwerk, meestal volgt uit de ene opdracht wel weer een andere. Toch vraagt er wel eens iemand: wat doe je nu precies en kun je eens iets opsturen. Ik heb nog steeds niet de illusie dat een website voor ons soort zelfstandigen op eigen kracht opdrachten genereert. Het gaat hier dus meer om een simpel visitekaartje en naslagwerkje voor de passerende geinteresseerde. Voor een niet techneut is het niet zo makkelijk zelf iets in elkaar te sleutelen. Als je bij een professioneel bureau een opdracht neerlegt om iets voor jou te ontwikkelen, gaat je dat snel meer dan 1.000 Euro kosten (maar meer dan 5.000 Euro is geen uitzondering). Op zich nog niet zo’n ramp, maar ik heb er een hekel aan steeds te moeten vragen iets te veranderen of aan te passen. Bovendien: ook als je het uitbesteedt zul je er behoorlijk wat uurtjes in moeten stoppen, teksten aanleveren, feedback op de ontwerpen geven etc etc. Vraag is: kan het ook anders?

    Domeinnaam en webruimte

    Het antwoord is: ja, het kan anders. Ik ben zelf aan de slag gegaan. En om me in te dekken: zonder enige pretentie, vorm en inhoud zijn helemaal naar eigen wensen en eisen in te richten, dus laat je niet afleiden door mijn eigen beperkte smaak. Ik wil een flexible en eenvoudige opzet die me in staat stelt met minimaal onderhoud toch af en toe wat tekst en foto’s toe te voegen. Qua uiterlijk wil ik geen toeters en bellen, gewoon een klare en strakke opzet die makkelijk leest. Voor een eigen website heb je een domeinnaam nodig. Ik kwam uit bij Strato waar je voor zo’n 6 Euro per maand excl BTW (Strato Powerweb) klaar bent. Je hebt dan naar keuze 1 domeinnaam, e-mail adressen en ruimte op de server om de bestanden van je website te parkeren. Als je een aanvraag doet, heb je na 1-2 dagen je domeinnaam tot je beschikking.

    Fireftp

    Nu heb je een domeinnaam en opslagruimte maar moet de website nog gemaakt worden. Hoe doe je dat? Om te beginnen installeer je de Firefox webbrowser. Ik veronderstel dat je in staat bent via google (intikken: ‘Firefox Nederlands’) de software te vinden en te installeren. Dan installeer je een plug-in (het grote voordeel van Firefox, helemaal op maat te maken door de keuze uit honderden uitbreidingen of plugin’s) Fireftp. Om bestanden van je eigen pc naar de webserver van Strato te uploaden heb je een zogenaamd ftp-programma nodig. In fireftp maak je een nieuwe account aan met de naam www.jedomeinnaam.nl. Het password dat je hier gebruikt moet overeen komen met het password van je Strato account. Nu krijg je twee schermen te zien: links de bestanden van je eigen pc, rechts de bestanden op de webserver van Strato. Nu staan er nog geen bestanden op de webserver, je begint met een schone lei.

    Nanocms

    De volgende stap is de keuze voor het content management system (cms) om de site mee te maken en de inhoud te kunnen onderhouden. Na een tip van collega Kees Hommes ben ik helemaal overtuigd geraakt van de voordelen van nanocms. Een Indiase jongen van 18 jaar heeft dit stukje software ontwikkeld en gratis ter beschikking gesteld. Zoek op ‘nanocms’ en zet de bestanden na ze uitgepakt te hebben ergens op je harde schijf. Via fireftp zorg je ervoor dat ze op de webserver terecht komen (de webserver moet zogenaamde php bestanden kunnen verwerken, let daar op bij je keuze, bij Strato Powerweb is dat het geval). In principe heb je nu al een eigen werkende website: ga naar je browser en type in: www.jedomeinnaam.nl. Als het goed is krijg je nu de instructiepagina’s te zien van nanocms. Als je in je browser intypt www.jedomeinnaam.nl/data krijg je als het goed is een inlogscherm te zien. De standaardinstelling om in te loggen kun je in een van de bestanden vinden, uiteraard vul je hier je eigen gegevens in. Je vindt nu een eenvoudig menu dat zichzelf wijst. Je kunt zelf nieuwe pagina’s aanmaken, teksten veranderen, foto’s uploaden en zo verder.

    Templates

    Na enig experimenteren heb je je eigen teksten maar wel de standaard layout van onze Indische vriend. Helemaal niet verkeerd vind ik zelf, maar misschien toch niet helemaal tevreden? Ook daar is aan gedacht. Zoek naar ‘nanocms templates’ en je vindt allerlei sites die gratis templates aanbieden. Het mooie van deze opzet is dat je in principe maar twee bestanden hoeft te verwisselen en alle bestaande teksten worden omgezet naar een site met een nieuw uiterlijk. Je kunt dus naar hartelust experimenteren. De opzet van de bestanden is logisch: in de hoofdmap staan de 2 bestanden die je kunt wisselen (weer via fireftp): index.php en style.css. Daarnaast heb je aparte mappen voor onder andere je foto’s, je tekstbestanden etc (die laat je gewoon staan, ze worden vanzelf geupdate als je via het inlogscherm teksten toevoegt of wijzigt). Als je de smaak te pakken hebt kun je zelf ook nog kleine wijzigingen aanbrengen in de twee genoemde bestanden: andere kleuren, andere lettertypes, andere indeling etc.

    Notepad++ en Usb webserver

    Om nog wat meer gebruiksgemak te krijgen, zijn nog twee stukjes software handig: notepad++ en usb webserver. Notepad++ is een gratis editor waarin je alle bestanden van nanocms kunt aanpassen. Usb webserver is een programma dat simuleert dat je eigen pc een webserver wordt. Nu kun je van alles uitproberen en veranderen en het in je browser bekijken voordat je alles naar de echte server uploadt. Ik geef toe: je bent snel een uurtje of 10 verder voordat je alles aan de praat hebt. Maar nu ik alles een keer heb doorlopen kan ik op elke plek in de wereld mijn site zelf snel en eenvoudig aanpassen. Nu ik het eenmaal heb uitgezocht kan ik een nieuwe site volgens een standaaropzetje in een half uurtje in de lucht hebben. Het fijnslijpen doe je op je gemak in de weken die daarna komen en op de momenten die je zelf het beste uitkomen.

    Update 2012

    Nano CMS wordt niet meer actief ondersteund. Inmiddels zijn er ook andere en uitgebreidere mogelijkheden om simpel je eigen site te bouwen. WordPress is daar een goed voorbeeld van. WordPress is een veel zwaardere applicatie en heeft een wat steilere leercurve. Bovendien is WordPress primair gericht op het maken van blogs en op interactie met bezoekers.

    Als je een simpele statische website wilt maken zonder toeters en bellen. En niet te veel tijd wilt investeren in het uitzoeken hoe databases etc werken, dan blijft Nano CMS nog steeds een aanrader. Het programma blijft gewoon vindbaar op internet (laatste versie 2010) en werkt nog steeds als een zonnetje. Onlangs heb ik het weer gebruikt voor het snel in de lucht krijgen van een (statische) website en was weer tevreden met het snel bereikte resultaat.

    Zelf je boekhouding doen?

    Met enige regelmaat wordt mij de vraag gesteld of je zelf je boekhouding kunt doen. Is dat wel verantwoord, kost dat niet te veel tijd? Omgekeerd kom ik bij kleine bedrijven die met een relatief beperkte omzet een enorme klap geld uitgeven aan hun accountant. Mijn stelling is: dat is niet meer van deze tijd en ja dat kun je prima zelf doen. Behalve dat je op jaarbasis veel minder geld kwijt bent, zit je ook nog eens meer bovenop de cijfers en heb je meer voeling met de kerninformatie van je bedrijf. Natuurlijk ligt het mij op de lippen om te zeggen ‘gooi die accountant er uit en wel direct’ maar feitelijk is mijn advies ‘gebruik de accountant of fiscalist alleen voor die zaken waar hij ook daadwerkelijk toegevoegde waarde levert (en wees kritisch op de uren die hij schrijft en de facturen die hij stuurt)’. Mijn waarneming is dat er bedrijven zijn met een paar ton omzet die jaarlijks 20.000 Euro naar hun accountant brengen. Je kunt ook voor 300 Euro per jaar klaar zijn, voor 1.000 Euro per jaar krijg je er een meekijkende boekhouder bij, voor 3.000 Euro per jaar ben je spekkoper.

    Wat in mijn ervaring voor kleine bedrijven (tot 20 personeelsleden) goed werkt is:

    1. Neem een abonnement op een zeer eenvoudig en gebruiksvriendelijk boekhoudsysteem via internet. Neem dus geen traditioneel boekhoudpakket met software die je op je pc moet installeren, maar kies voor een online abonnement. Zo kun je overal en altijd bij je gegevens en ben je een vast bedrag per maand kwijt en kun je er als je wilt ook snel weer vanaf. Persoonlijk heb ik goede ervaringen met e-boekhouden (www.e-boekhouden.nl) waar je inclusief facturerings-module 25 Euro per maand kwijt bent.

    2. Met dit pakket kun je zelfs als leek in ongeveer 1 uur uit de voeten, geen rare boekhouderstaal, alles wijst zichzelf, geen ingewikkelde menu-structuren, er is een manual beschikbaar, geen cursussen nodig verder.

    3. Je begint gewoon maar eens met zelf facturen te maken in dit pakket, je maakt een paar sjablonen op maat en naar eigen inzicht, je voert je opdrachtgevers in, met een uurtje tijdsbesteding per maand kom je een heel eind. De inkomstenkant heb je met deze stap op orde.

    4. Dan je uitgavenkant. Je bankafschriften zijn hiervoor de basis. Natuurlijk ga je niet alle afschriftregels met de hand over zitten typen. Per afschrift van de bank doe je een download van de gegevens en die importeer je vervolgens in je pakket, bijvoorbeeld wekelijks of maandelijks. Elke mutatie sleep je naar een uitgavencategorie. De meeste bedrijven zullen aan een stuk of 10-20 soorten uitgaven voldoende hebben, dus dat is ook niet moeilijk. Dit zal na enige oefening ongeveer 2 uurtjes per maand van je tijd kosten.

    5. De BTW aangifte volgt nu vanzelf, een kwestie van een druk op de knop (wel alles goed controleren vooraf raad ik aan). Uurtje per maand. Bij kwartaalaangifte uurtje per kwartaal.

    6. Hier zou ik het qua zelfwerkzaamheid bij laten. Aanvullend neem je een abonnement op een aan e-boekhouden gerelateerde boekhouder, of als je per se wilt een accountant. Dat kost je afhankelijk van je wensen ook een bedrag van enkele tientjes, misschien 50 Euro, in de maand. Deze kijkt maandelijks mee of er geen rare dingen gebeuren en deze sluit jaarlijks het hele spul af en maakt een rapportje voor je en doet vpb-aangifte (alle investeringen, afschrijvingen moeten worden rechtgezet etc, dat kan 1 keer per jaar). Je kunt op maat afspraken maken hoe je het wilt. Vooruit dan maar, een concrete suggestie: VG advies (www.vgadvies.nl), jonge en moderne boekhouders/ondernemers, ze zijn thuis in e-boekhouden en in ‘helpen op afstand’ en hier ben je voor een zeer schappelijk (vast) bedrag per maand snel en goed geholpen.

    7. Voor moeilijke fiscale vragen kun je altijd nog je dure accountant/fiscalist inhuren, maar ik sluit niet uit dat ook de jongens uit Limburg je meestal wel verder kunnen helpen (dan zal dan tegen aanvullende facturering gaan).

    8. Per saldo kost dit hele verhaal je per maand laten we zeggen een dagdeel, op jaarbasis ben je laten we zeggen 1.000 Euro kwijt aan je abonnement + controle. Als je dan voor 2.000 Euro aanvullend vragen reserveert dan lijkt me dat nog ruim.

    9. Mijn redenering is: enige tijd per maand ben je sowieso kwijt aan dit geneuzel, doe het dan maar goed en nuttig, je zit zo ook bovenop de cijfers, je hebt continue zicht op je openstaande facturen, kunt herinneringen met een druk op de knop versturen (mail of post), draait voor de bank snel een winst en verlies rekening uit etc.

    10. Ik ben al jaren op zoek naar een soortgelijke oplossing (simpel, goedkoop, via internet) die ook zorg draagt voor uren- en projectadministratie. Bestaande oplossingen zijn in mijn ogen ofwel te complex ofwel te duur voor wat de meeste kleinere bedrijven nodig hebben. Ideaal is natuurlijk als uren en projecten gekoppeld zijn aan de boekhouding en facturering. Ik heb de eigenaren van e-boekhouden aangeboden hen een opdracht te verlenen voor het ontwikkelen van zo’n module. Dat aanbod hebben ze afgewezen maar in plaats daarvan zijn ze op eigen initiatief begonnen met de ontwikkeling ervan. Begin 2009 wordt de oplevering ervan verwacht.

    Update 2012

    Ik heb de afgelopen jaren met meerdere boekhoud pakketten gewerkt. Een nieuw en gratis alternatief is Speedbalance. Het is software die je op je eigen pc moet installeren. Het is niet zo gebruiksvriendelijk maar het is te doen. In wezen is het een spreadsheet met een boekhoudschil eromheen. Maar het blijft behelpen en vooral ook tijdintensief en foutgevoelig.

    Mijn ervaringen met e-boekhouden blijven onverminderd positief. Inmiddels zijn de mogelijkheden nog wat verder uitgebreid. Zo is het erg gemakkelijk dat je automatische wegboekregels kunt aanmaken. Stel dat je elke maand 50 afschriftregels te verwerken hebt. Dan is het altijd zo dat daar steeds dezelfde regels terug komen. Elke maand de huur, elke maand de verzekering etc. In die afschriftregels komen ook steeds dezelfde woorden of nummers terug. Wat je nu doet is alle afschriftregels even door een filter halen en dat filter bepaalt dan wat het met de afschriftregel doet. Op die manier worden 80% van je regels automatisch weggeboekt naar de juiste grootboekrekeningen. Scheelt weer een hoop tijd.

    Omdat ik in de praktijk al vaak bij mijn klanten e-boekhouden noemde als mogelijkheid, sta ik nu ook op de lijst van aangesloten kantoren die e-boekhouden ondersteunen. Ik ben geen boekhoudkantoor maar ik kan u wel laten zien hoe eenvoudig het is het pakket in gebruik te gaan nemen. Als u dat wilt kunt u ook via mij een aansluiting regelen en kan ik periodiek meekijken met de cijfers zodat er sturing en advies op afstand kan ontstaan.

    Ecologisch veranderen: grootdenken voor kleindenkers (2008)

    Matthijs van Nieuwkerk en Pauw & Witteman zullen de auteur van dit boek nog niet gebeld hebben met een verzoek iets over zijn nieuwe boek te komen vertellen. De boodschap is te complex om in een paar one-liners uit te leggen. De inhoud wijkt misschien ook te veel af van het mainstream denken, gaat te veel in tegen de gevestigde belangen. Hier geen quick-fixes en ook geen recepten om snel een schuldige aan te wijzen en een slachtoffer te benoemen. Jammer, want hoewel dit boek gaat over het ecologisch veranderen van ongezonde organisaties, biedt dit boek ook veel stof tot nadenken over de actuele crises waar we allemaal last van hebben. Kern van het betoog van Hustinx is dat onderstroom problemen worden aangepakt met bovenstroom instrumenten en dat leidt in zijn ogen tot ongewenste en onvoorspelbare effecten en niet tot een blijvende verbetering.

    Wat is het probleem?

    Organisaties zijn belangrijk omdat we een flink deel van onze tijd binnen de muren ervan doorbrengen. Er gebeuren natuurlijk mooie dingen in organisaties, maar zonder dat nu wetenschappelijk te kunnen bewijzen durf ik gerust te stellen dat er binnen organisaties vooral ook een hoop loos is. De ene reorganisatie volgt de andere op en de gewenste effecten blijven te vaak uit. Maar erger nog: er is veel en vaak onnodig persoonlijk leed. Het patroon is vaak als volgt: er wordt naar de cijfers gekeken, die vallen op enig moment tegen, er wordt alarm geslagen, een donderpreek van de directie volgt, er moet harder of anders worden gewerkt, er worden adviseurs en/of interim-managers ingevlogen, een stapel rapporten met visies, strategieen en marktverkenningen circuleert in no time, er worden nieuwe ‘harkjes’ getekend met poppetjes, afdelingen, onderdelen en projecten. Mensen worden benoemd, verplaatst en ontslagen, trainingsprogramma’s, bezuinigingen en zo verder. Het is daarmee voornamelijk de structuur die wordt aangepast en dat verandert nog niet het menselijk handelen. De interventies zitten in de termen van Hustinx vooral in de bovenstroom: de zichtbare kant van de organisatie, de bevoegdheden, de functies, de structuur, de werkprocessen. De problemen worden vanuit de machtstructuren opgelost (verandering moet) maar gaan daarna ondergronds omdat er niets wezenlijks verandert aan de onderstroom: de onzichtbare kant van de organisatie, de beleving, de motivatie, de cultuur, de dynamiek. Deze bovenstroom-ingrepen worden getypeerd als machine-denken. De organisatie is een machine die je als bestuurder naar eigen inzicht kunt besturen. De bestuurders staan daarbij apart van de organisatie en zijn zelf geen onderdeel van de machine en geen onderdeel van het probleem. Machinedenken veronderstelt dat de machine begrepen kan worden door alle onderdelen van de machine apart te bestuderen. Hustinx noemt dit machinedenken ‘kleindenken’ en pas als ‘kleindenken’ ‘grootdenken’ wordt kunnen organisaties van onderop en duurzaam veranderen.

    Het antwoord is ‘grootdenken’ en ‘ecologisch veranderen’

    En voor alle duidelijkheid: traditioneel ingrijpen in de bovenstroom heeft wel degelijk effect op de onderstroom. Vanzelfsprekend gaan mensen die mogen blijven in een (re)organisatie andere dingen doen en verandert daarmee de output. Maar de veranderingen in de onderstroom zijn onverwacht en ongewenst. De andere manier van kijken die Hustinx voorstaat, grootdenken, is kijken naar het grotere geheel van bovenstroom en onderstroom en uitvinden hoe de wisselwerking tussen beiden is. Dit grotere geheel, het systeem, kan niet simpelweg bestuurd worden: wijzigingen in de bovenstroom beinvloeden de onderstroom en vice versa. Eigenlijk is er in de visie van Hustinx maar een parameter in het systeem die wezenlijk veranderd kan worden en dat is de manier waarop iemand naar de werkelijkheid kijkt. Hoe simpel kan het zijn? Een verandering begint altijd bij het individu zelf. Je kunt mensen niet veranderen dat kunnen ze alleen zelf van binnenuit. Het gedrag van mensen wordt gedreven door criteria en motieven en die komen voort uit hun wereldmodel. Het wereldmodel filtert de werkelijkheid en geeft daar betekenis aan. We reageren dus niet op de werkelijkheid zelf maar op ons beeld van de werkelijkheid. Iemand kan zichzelf veranderen als hij zijn wereldmodel leert kennen en de ‘knoppen’ ontdekt hoe dat wereldmodel te verruimen. In dit ‘systeemdenken’ (als tegengesteld aan machinedenken) is het management onlosmakelijk verweven in het systeem en ontstaan nieuwe doelen niet van buitenaf maar vanuit het systeem zelf. De dynamiek in het systeem kan niet gestuurd worden vanuit de harde kant alleen en niemand kan zich aan de dynamiek onttrekken. In zo’n systeemvisie is iedereen tegelijkertijd slachtoffer en dader, het overkomt hem en tegelijkertijd is hij er mede verantwoordelijk voor.

    Omdat ‘systeem’ in deze visie zo’n belangrijke rol speelt wil ik er wat langer bij stilstaan. Een systeem wordt in dit denken bijna een levend wezen. Een systeem zoekt zelf naar een nieuw evenwicht na een verstoring van buitenaf. Dat is mooi zou je zeggen, het evenwicht komt vanzelf tot stand. Maar een evenwicht zegt nog niets over de effectiviteit van een systeem. In een effectief systeem hebben de leden zich vrijwillig verbonden aan dat systeem, aan elkaar en aan de doelen van dat systeem. Een niet effectief systeem kenmerkt zich door voorwaardelijke, afwachtende en wantrouwende verbindingen en dat vertaalt zich erin dat er maar een beperkt deel van de werkelijke capaciteit van het systeem wordt benut. De overeenkomsten met de moderne economische wetenschap zijn wat mij (als economisch bovendenker met belangstelling voor onderdenken) betreft frappant. Individueel gedrag wordt in de economische wetenschap beschreven in een wiskundige gedragsvergelijking. Een economisch model bestaat uit meerdere individuele gedragsvergelijkingen die onderling op elkaar inwerken. De vergelijkingen in onderlinge samenhang (aangevuld met definitievergelijkingen) vormen het economische model. Het model is in evenwicht als alle individuen geen prikkel meer zien om hun gedrag te veranderen. Komt er een verstoring (een gedragsparameter wordt gewijzigd of een autonome verstoring van buitenaf) dan zoekt het systeem vanzelf (door de krachten die van binnenuit ontstaan) weer een nieuw evenwicht. En ook in economische modellen kan er sprake zijn van een evenwicht bij een situatie van onderbenutting van capaciteiten (dat heet dan een onderbestedingsevenwicht, de Keynesiaanse inzichten in een nieuw wiskundig jasje). En ook hier geldt dat naarmate de systemen complexer worden, de effecten van interventies in het systeem moeilijker voorspelbaar en beheersbaar worden. In de economie gebruikt men dan termen als ‘multiple equilibria’ (meervoudige evenwichten) en ‘hysteresis’ (padafhankelijkheid). Maar Hustinx gebruikt in tegenstelling tot de economie woorden die een extra lading hebben: een lid heeft recht op een plek in het systeem, bij de verstoring van een systeem wordt een schuld opgebouwd, in een gezond systeem is er een evenwicht tussen geven en nemen (aanbod en vraag zou een econoom dan zeggen).

    Het speelveld der verandering

    Maar wat betekent dat nu voor de organisaties van alledag? Ecologisch veranderen gaat in een aantal stappen:
    • We formuleren het probleem van de inbrenger of de probleemeigenaar.
    • We kijken naar het systeem als geheel, we onderkennen dat er naast een bovenstroom ook een onderstroom is. We zijn bereid tot grootdenken.
    • We brengen het systeem of het speelveld in kaart. Dat doen we door alle spelers die er in dit probleem toe doen te benoemen. Het gaat hier ook om spelers waar je niet zo snel aan denkt, aan verborgen spelers op de achtergrond.
    • Van de belangrijkste spelers rondom dit probleem gaan we na wat hun drijfveren en motieven zijn. Wat willen ze nu echt?
    • Hoe interacteren al die spelers? Welke patronen worden zichtbaar, wat valt op? Hoe ziet de dynamiek van het systeem er uit?
    • Onderzoek nu het eigen aandeel in deze dynamiek. In de woorden van Hustinx: ga op zoek naar de hefboom, waar moet je aangrijpen om voor jezelf in dit systeem de gewenste verandering tegen de minste kosten te realiseren? Kijk vooral ook naar wat er binnen je eigen controle ligt, waar je wel invloed op uit kunt oefenen.
    • De hefboom ligt dan in het zoeken naar de beperking in je eigen wereldmodel. Hoe kan ik de feiten anders zien, hoe geef ik er een andere betekenis aan, hoe verruim ik mijn wereldmodel, opdat daar ander gedrag uit volgt dat mijn geformuleerde probleem doet verdwijnen?
    • Tenslotte moet het nieuwe gedrag worden geborgd, wie mag de probleemeigenaar op welk moment aanspreken op zijn nieuw geformuleerd gedrag?

    Als voldoende leden van een organisatie of systeem dit ‘speelveld’ doorlopen dan ontstaat er een kritische massa voor organisatie-verandering van binnenuit. Dan pas ontstaat een verandering die blijvend of duurzaam is. Deze stapsgewijze aanpak voor ecologisch (= blijvend, duurzaam) veranderen is het scharnierpunt in het boek van Hustinx. Hij noemt deze werkwijze het ‘speelveld der verandering’.

    Opbouw van het boek

    Dit boek draait (letterlijk en figuurlijk) om het speelveld der verandering. Om de werkwijze van het speelveld in een context te plaatsen, gaat de auteur in een aantal hoofdstukken uitgebreid in op het achterliggende systeemdenken. Zonder deze context zou je niet goed begrijpen waarom zo’n stappenplan van het speelveld geschikt is om de dynamiek in een systeem op te sporen en de hefboom te vinden. Maar omgekeerd kun je het speelveld niet gebruiken als je geen kennis hebt van een aantal basisinstrumenten waar in het boek voortdurend naar terug wordt gegrepen. De drie belangrijkste instrumenten zijn 1) waarnemingsposities, 2) criteria en 3) de kunst van het vragenstellen.

    1) Waarnemingsposities. Je kunt je wereldmodel aftasten en verruimen door vanaf een andere positie te leren kijken. Dit kan heel letterlijk gebeuren door de spelers in de ruimte op te stellen en steeds van plek te wisselen en vragen te stellen: wat zie je op die plek, wat is daar belangrijk voor jou? Er wordt een viertal posities onderscheiden. De eerste positie is de ik-positie, de tweede positie is die van de ander, de derde positie is die van de neutrale observator, de vierde positie is een meta-positie die naar de andere drie posities kijkt en het hele systeem incorporeert. Iedereen heeft wel een voorkeurspositie. Mannen zitten vaak in de ik-positie, vrouwen in de ander-positie, adviseurs kijken vaak op afstand en zitten in de derde positie. De vierde positie is voor ons het meest abstract maar denk aan een Indiaans stamhoofd die in termen van ‘wij, het systeem, de kosmos’ denkt.

    2) Criteria. Als aan wezenlijke criteria niet wordt voldaan dan gaan we ons ongemakkelijk, verdrietig, teleurgesteld, boos voelen. Criteria stellen ons in staat keuzes te maken, geven betekenis aan droge feiten. Criteria zijn uiterst nuttig en efficient en stellen ons in staat snel te beslissen. Soms vergeten we dat we met behulp van criteria zelf betekenis aan feiten geven en denken we dat onze gekozen betekenis de feiten zijn. Dan kan de betekenis een beperking vormen en ons in de weg gaan zitten. Dit instrument stelt ons in staat weer terug naar de feiten te gaan en daar een nieuwe betekenis aan te geven.

    3) De kunst van het vragenstellen. Criteria achterhalen kan alleen door de juiste vragen te stellen. Goede vragen leiden iemand af van de beperking van zijn wereldmodel. Daarom zijn er spelregels voor het stellen van vragen ontworpen. Waarom-vragen zijn zelden de goede vragen. Een waarom-vraag leidt naar oorzaak-gevolg denken en dus weer naar de (bestaande) beperking van het wereldmodel. Een vraag mag bijvoorbeeld niet gesloten zijn omdat dan alleen maar een bevestiging van het wereldbeeld van de vragensteller wordt gezocht en het geen nieuwe kansen biedt om het wereldmodel van de ander te verruimen.

    Het boek is doorspekt met voorbeelden uit de praktijk, oefeningen en uitgewerkte cases of stappenplannen. De auteur heeft een eigen notatie ontwikkeld waarmee hij de dynamiek van een systeem weergeeft. In de praktijk lijkt er een eindige voorraad ‘basisdynamieken’ te bestaan die steeds terugkomen in de praktijk. De auteur geeft deze dynamieken herkenbare labels als ‘ieder voor zich’, ‘de kikkers in de kruiwagen’, ‘de strijd om de macht’, ‘het zoeken naar zekerheid’, ‘het ontbreken van een dialoog’, ‘het samen bouwen’, ‘rituele dans om de status quo’, ‘het autonomie patroon’.

    Evaluatie

    Dit is een boek waar ik al jaren op heb zitten wachten. Ik vermoed dat ik de lezer van dit blad niet hoef te overtuigen van de beperkingen in de praktijk van de veranderkunde. Bovenstroom denken domineert. De onderstroom is voer voor psychologen en zit aan de zachte kant, daar krijgen we in onze opleidingen nauwelijks mee te maken, het is niet ons ding. Maar dat we er meer mee moeten staat voor mij wel vast. Dit boek slaat een brug, het is een onderstroom aanpak die toch gestructureerd en navolgbaar is en in die zin tegemoet komt aan ons soort arme bovenstroomdenkers. Het is een boek met een duidelijke visie dat uitnodigt tot het reproduceren van de vele geboden oefeningen. Maar pas op: uiteindelijk is het allemaal verbazingwekkend simpel, vragen stellen kan iedereen wel. Maar de praktijk is anders, het is een kwestie van heel veel oefenen en fouten maken. Ik bespeur ook wel een paradox met dit boek. Het vertelt misschien niet de dingen die opdrachtgevers (zelf vaak bovenstroomdenkers die vanuit macht denken, zelf vaak onderdeel van het probleem) willen horen. Vooraf met de klant het speelveld verkennen is dan ook een goede zaak om teleurstellingen achteraf te voorkomen. Het boek zal hoe dan ook niet uit de winkels vliegen, de boodschap is te genuanceerd en afwijkend. En ik zie ondanks de welkome aanvulling die dit boek vormt, ook nog wel een grote uitdaging: het bovenstroom denken mag niet zomaar worden weggegooid, het grootdenken moet de waardevolle inzichten uit de bovenstroom school ook nog eigen maken en incorporeren. En tenslotte, de aanpak is actueler dan ooit. Ik hoor veel mensen om mij heen zeggen dat de crisis waar we nu inzitten anders is dan anders. Het lijkt een einde van een tijdperk te zijn (zie bijvoorbeeld ‘De toekomst is groen’ van Thomas Friedman), een tijdperk waar te lang meer is genomen dan gegeven, een wereld die in onbalans is geraakt. Te veel consumptie op krediet, te veel bonussen zonder prestatie, te veel economie zonder ecologie, iedereen voelt op zijn klompen aan dat de afrekening een keer moet komen, dat moment lijkt nu te zijn. Dit boek kan ons helpen anders naar onze wereld en de toekomst te kijken. Hallo Van Nieuwkerk: uitnodigen die man met zijn boek!

    Ecologisch veranderen van organisaties, speelveld der verandering, Guus Hustinx mmv Mieke Laarakkers, Uitgeverij Nelissen, 2008, ISBN 9789024418190.

    Ingekorte versie van deze recensie te vinden op www.managementboek.nl.

    Social limits to growth (1976)
    in relatie tot krediet- en energiecrisis

    Een al wat ouder maar interessant economisch boek van Fred Hirsch. Ik heb het in het licht van de huidige kredietcrisis herlezen.

    Heertje: groei van economie niet zaligmakend

    Heertje? Jazeker, Arnold Heertje, zijn leerboeken zijn voor velen de eerste kennismaking met het vak economie geweest. Misschien niet de meest voor de hand liggende naam in dit verband, want in de jaren zeventig stond hij bij ons bekend als een standaard econoom die zich baseerde op evenzo standaard Amerikaanse tekstboeken. Maar in de Volkskrant van 25 april 2009 wordt hij weggezet als een van de prominente vertolkers van een nieuw geluid. Goed om als aftrap een aantal van de punten uit zijn interview hier samen te vatten:

    • In de economie gaat het om schaarse middelen in relatie tot onze behoeftebevrediging nu en in de toekomst, in iets technischer jargon: om intertemporele behoefte-optimalisatie. Het is een fors misverstand te veronderstellen dat het hier alleen gaat om zaken die in geld zijn uit te drukken. Het gaat dus wel degelijk ook om zaken als luchtkwaliteit en schoon drinkwater. Daar is niets geitewollesokkerigs aan, gewone basale nuchtere economie.
    • Door het blindstaren op uitsluitend de zaken die in geld kunnen worden uitgedrukt (Euro’s en groei in Euro’s), zien we niet meer waar het echt om draait in onze economie en onze samenleving. Het gaat er ‘in the end’ niet om hoeveel geld je verdient maar of je je werk leuk vindt en of je met de opbrengst ervan kunt kopen wat je nodig hebt (inclusief vrije tijd en vrijheid van handelen).
    • Het heilig verklaren van de groei van het Bruto Nationaal Product (BNP) is ook zo’n voorbeeld van blindstaren en niet meer nadenken. Er is een soort vanzelfsprekendheid ontstaan dat een stijging van het BNP altijd een goede zaak is. We vergeten weer dat deze maatstaf een beperkt beeld geeft van waar het om gaat. Als we met zijn allen meer in de file staan en minder vrije tijd tot onze beschikking hebben, stijgt het BNP maar is (waarschijnlijk) sprake van minder tevreden mensen en dus van een lagere welvaart. Deze redenering kan met hetzelfde gemak op het streven naar maximale winst bij private ondernemingen worden toegepast. Is een hogere winst synoniem met een betere uitkomst? Als die winst tot stand is gekomen met werknemers waar hijgerige managers de zweep overheen hebben gehaald en waar die werknemers thuis bij vrouw en kinderen huilend aan het avondeten hun beklag doen, dan niet. Maar dit soort informatie is in de jaarverslagen nooit terug te vinden.
    • Nog een voorbeeld van blindstaren: het heilig verklaren van de marktwerking. Ook hier heeft het idee postgevat dat de markt vanzelf zorg draagt voor evenwicht, en dat sturing in welke vorm dan ook altijd (marktver-) storend werkt. Er wordt dan gretig verwezen naar klassieke economen als Adam Smith met zijn onzichtbare hand. We vergeten dan dat de markt haar werk alleen goed kan (blijven) doen als aan allerlei voorwaarden is voldaan.
    • Het monetaire denken (alles is uit te drukken in geld, groei is goed) heeft ook zijn intrede gedaan in de collectieve sector. Managers die puur op financieel rendement sturen maken in toenemende mate de dienst uit. Volgens Heertje gaat het hier om pure domheid, om een intellectueel tekort, niemand denkt meer na over waar het nu echt om gaat. Persoonlijk denk ik dat het geen domheid is maar het najagen van korte termijn eigenbelang en het na-apen van managers uit de marktsector die een duurdere auto hebben en meer status. We gaan niet moraliseren wat mij betreft, het najagen van je eigenbelang is prima, maar er hoort een set van regels en afspraken bij die uitwassen voorkomt.
    • Focus op werk zonder te kijken naar de aard van het werk. Werk is belangrijk: werk, werk en nog eens werk. Maar waarom eigenlijk? We vergeten weer dat werk maar een middel is, het doel van werk is om zinvolle activiteiten te ontwikkelen, om dingen te maken en diensten te leveren waar we wat aan hebben. Als mensen die geen zinvol werk doen werkloos worden is dat helemaal niet erg. ‘Ze hadden de baan alleen maar omdat hun manager vond dat hij vijf ondergeschikten moest hebben’, aldus Heertje.
    • En tenslotte: het nemen van beslissingen uitsluitend op basis van kosten-baten analyses. Het heilig verklaren van getallen en cijfermatige exercities. Er is helemaal niets tegen een goede cijfermatige analyse in mijn ogen, maar we mogen niet vergeten dat elk model een abstractie is van de werkelijkheid en dus nooit de hele waarheid vertelt. Een model met berekeningen is een prima hulpmiddel dat grenzen en mogelijkheden verkent door met de vooronderstellingen te spelen.

    Hirsch: sociale grenzen

    Op zich allemaal niet echt nieuw, maar door de crisis worden deze zaken weer actueel. Ook in het boek van Hirsch zijn deze argumenten allemaal wel terug te vinden. De toegevoegde waarde van Hirsch is dat hij hier het begrip ‘sociale schaarste’ in relatie tot vrije marktwerking aan toevoegt.

    Uitgangspunt voor Hirsch is dat we in een bepaalde volwassen fase van het kapitalisme zitten, in een fase waarin een bepaald niveau van materiele welvaart is bereikt. In die fase begint het fenomeen zich voor te doen dat jouw welvaart afhangt van wat anderen doen. Jouw genot van consumptie is afhankelijk van wat andere consumenten doen. Hiermee krijgt een aanvankelijk privaat goed publieke aspecten. De stelling van Hirsch is dat in onze fase van kapitalisme deze publieke of sociale aspecten een grotere rol gaan spelen en tot verspilling en inefficientie leiden. Paar voorbeelden: Luchtkwaliteit, ik kan alleen schone lucht inademen als anderen de lucht niet bevuilen. Vuil op straat: ik kan wel netjes op mijn omgeving zijn maar als anderen hun spullen zomaar op straat gooien heb ik er geen voordeel van. Rustig naar je werk rijden: dat kan natuurlijk alleen als niet iedereen besluit met de auto naar zijn werk te gaan want dan kom je in de file terecht. Rustig in een buitenwijk gaan wonen: dat kan alleen als er tegelijk met mij niet teveel op dat idee komen. Op vakantie naar een onontdekt gebied gaan: kan alleen voor de eerste lichting toeristen. Een goede opleiding volgen om je uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verbeteren: prima, maar zonde van de tijd als velen met jou op dat idee komen.

    Sociale schaarste is een onvermijdelijk gevolg van kapitalisme en marktwerking. Het gaat juist om immateriele zaken die per definitie beperkt en dus schaars zijn. Materiele welvaart is grotendeels te danken aan technologische ontwikkelingen en aan specialisatie en concentratie van activiteiten. Daarvoor heb je een hogere opleiding nodig en moet je voor je specialistische werk verder reizen. Gevolg is meer mobiliteit. Mobiliteit betekent meer tijd kwijt aan reizen en, bij gebrek aan goed openbaar vervoer, behoefte aan een auto. Vele auto’s nopen tot hogere belastingen voor de aanleg van wegen. Van je hogere verdiensten blijft minder vrij te besteden over. Er ontstaan files en je bent nog meer tijd kwijt aan reizen. Omdat je zo weinig vrije tijd overhoudt, wil je een hoop dingen door anderen laten doen. Het zijn met name persoonlijke diensten die je wilt inhuren bij toenemende welvaart, je wilt op die manier extra vrije tijd kopen. In de persoonlijke dienstverlening vindt nauwelijks technologische ontwikkeling plaats en ook dienstverleners gaan meer verdienen. Om je vrije tijd te kunnen kopen moet je zelf dus nog meer gaan verdienen, dat doe je door een hogere opleiding te volgen en te klimmen in de hierarchie, dat betekent nog meer reizen en nog meer in de file staan (want anderen doen ook wat jij doet). Er ontstaat een eeuwig haasje-over spel met als eindresultaat: iedereen heeft het druk, staat veel in de file, volgt opleidingen die niet het gewenste effect hebben, verliest sociale contacten. Juist in een tijd dat er meer behoefte is aan persoonlijk contact is dit schaarser dan ooit. Persoonlijk contact en vriendelijkheid komt steeds meer voor in betaalde vorm.

    Hirsch spreekt hier van een ‘commercialisation bias’. De marktwerking neigt automatisch naar betaalde zaken en zorgt voor een automatische uitholling van sociaal draagvlak. Publieke en algemene zaken kosten je alleen maar geld. Je bent als rijke burger ontevreden over de veiligheid op straat. Rijke burgers zoeken elkaar op en regelen het zelf: de gated communities, ommuurde wijken waar gelijkgestemden wonen met hun eigen voorzieningen. Omdat je je eigen veiligheid betaalt (uit onvrede over de publieke voorzieningen op dat gebied) is je bereidheid nog eens belasting te gaan betalen minimaal. Sterker nog: je huurt, wederom tegen betaling, een adviseur in die je vertelt hoe je nog minder belasting kunt betalen. De algemene voorzieningen worden nog slechter en zo verder. Onderwijs, hetzelfde verhaal: het publieke onderwijs vind je onder de maat, je vindt dat je kinderen ook hogerop moeten en gaat het zelf regelen met privaat onderwijs. Het inhuren van private docenten is dusdanig duur dat je geen geld meer over hebt voor algemeen onderwijs. Weinig belastingen betekent nog slechter algemeen onderwijs etc etc.

    De kern van het probleem

    De kern van het probleem is volgens mij in een aantal punten samen te vatten:

    1. Het kapitalisme kan alleen goed functioneren als aan een aantal fundamentele basisvoorwaarden is voldaan. Het kapitalisme functioneert op basis van vertrouwen en een goed functionerend rechtssysteem. Niet alles is voor geld te koop en niet alles kan in geld worden uitgedrukt. Het najagen van individueel eigenbelang is een prima motor voor vooruitgang maar het voorkomen van de excessen ervan vereist afspraken, regulering en toezicht.

    2. Het kapitalisme heeft een aantal fundamentele interne paradoxen in zich. Er komt vanzelf meer nadruk op het najagen van materiele zaken en door het oplopen tegen de grenzen van sociale schaarste (tijd, sociale status) treedt verspilling van resources op en wordt de sociale basis van de samenleving steeds verder uitgehold. Het heeft te maken met wat Hirsch de ’tirannie van de kleine beslissingen’ noemt. Een individu maakt op basis van zijn eigen afwegingen bepaalde keuzes (een hogere opleiding volgen om een betere baan te verwerven en meer geld te kunnen verdienen) maar vergeet dat ook anderen diezelfde afweging en keuze maken (als iedereen een hogere opleiding volgt krijg je er hoger opgeleide concurrenten bij en verandert het plaatje, geen betere baan, geen hoger inkomen, per saldo ben je slechter af). In de economische literatuur wordt in dit verband gesproken van een mate van bijziendheid (myopic view) en van beperkte vooruitziendheid (‘bounded rationality’). Moraal is dat we met zijn allen uiteindelijk een ‘product’ (files, vervuiling, kredietcrisis) krijgen waar niemand om gevraagd heeft.

    3. We zijn opgehouden na te denken over deze zaken, we lopen allemaal achter dezelfde hypes aan, er is een soort collectieve waanzin ontstaan, we vergeten de zaken waar het echt om draait. Dit is misschien geen apart of nieuw punt maar een gevolg van de eerdere twee punten. Anders geformuleerd: we missen een groep in de maatschappij die ons behoed voor collectieve waanzin. John Maynard Keynes (eerste helft vorige eeuw) had het over ‘managed capitalism’. De vrije markteconomie was prima maar er was altijd een elite van wijze mensen nodig die de scherpe kantjes van het systeem haalde. Blijkbaar waren deze wijze mensen niet onderworpen aan dezelfde beperkingen als de rest van het volk, ze stonden als het ware boven het systeem en hadden vooral nobele doelen. Maar nog niet zo lang geleden hadden we in elke lokale leefgemeenschap zogenaamde notabelen: het waren de pastoor, de dokter, de burgemeester, de notaris en de leraar (ok, de bankdirecteur hoorde misschien ook in dit rijtje). Deze lemen tussenlaag had waarschijnlijk zo’n stabiliserende functie en is nu grotendeels verdwenen. Chargerend gezegd: nu wil niemand nog leraar worden want het is niet sexy en je kunt er niet genoeg mee verdienen, op feestjes maak(te) je veel meer indruk als je iets deed bij een grote bank en een dikke lease-auto onder je kont had (vroeger: vertegenwoordiger kon je altijd nog worden). De leemlaag van notabelen vormde een nuttig ‘feedback-mechanisme’ die dempend werkte op mogelijke uitwassen van het kapitalistisch systeem.

    Oplossingsrichting

    Simpele oplossingen bestaan hier niet. Ook Heertje waarschuwt daarvoor in zijn betoog in de Volkskrant. Het gaat dus niet aan om een nieuwe indicator voor ons welzijn te ontwikkelen die wel in staat is alle effecten te meten. Meer overheid is ook niet het antwoord. In dat geval ontstaan nieuwe inefficiencies met weer andere nadelen.

    De metafoor van het model: simultaniteit en intertemporaliteit
    Als tussenstap: hoe kijk ik als econoom tegen het probleem aan? Dan grijp ik toch terug op de metafoor van het economische model. Economen werken graag met modellen. Een model is een stelsel van wiskundige vergelijkingen die ieder voor zich een deel van de economie beschrijven. Het gedrag van 1 individu of groep van individuen komt dan tot uitdrukking in 1 wiskundige vergelijking. Dat is dan zeg maar de vergelijking waar je zelf zicht op hebt. We zagen hierboven dat een van de problemen van het kapitalisme is dat je als individu nauwelijks kunt overzien wat je gedrag jou levert als ook anderen dat gedrag gaan vertonen (tirannie van kleine beslissingen). Een economisch model kan in principe berekenen hoe de onderlinge interacties verlopen, een model houdt rekening met de simultaniteit van verschillende acties op 1 moment in de tijd. Maar een ander probleem van het kapitalisme is dat individuen in hun gedrag ook geen of onvoldoende rekening houden met effecten op toekomstige generaties. Een model kan ook bekijken wat de effecten op langere termijn zijn en de afweging maken tussen voordelen in het heden of in de toekomst (intertemporaliteit). Een goed model houdt dus rekening met simultaniteit en met intertemporaliteit.

    Maar natuurlijk gaat een model het niet oplossen, volstrekte flauwekul. Ik bedoel het als metafoor. Een model dwingt je na te denken over effecten en is een gestructureerde manier om de discussie te ondersteunen. Een model kan ook verschillende scenario’s naast elkaar zetten: wat zou er gebeuren als dit aan de hand is en wat gebeurt er als dat zich voordoet. En een model kan ook inzicht geven in hoe je kunt corrigeren of sturen, een antwoord geven op waar de handvaten zitten. Waar het op neerkomt is dat we weer gaan nadenken en weer de discussie voeren. Dat we erkennen dat het niet vanzelf goed komt, dat de markt niet automatisch voor het beste resultaat zorgt. Dat we excessen zo helder mogelijk in beeld krijgen.

    De metafoor van de psycholoog
    Ik wil de metafoor van het model nu koppelen aan de metafoor van de psycholoog of psychiater. De patient heeft een probleem, hij loopt tegen iets op waar hij last van heeft. Kenmerk is dat hij er zelf niet uitkomt. Hij gaat hulp zoeken bij iemand anders, bijvoorbeeld een psycholoog. Wat doet zo’n psycholoog om hem te helpen (in mijn ogen)? De psycholoog stelt op een gestructureerde wijze de juiste vragen aan de patient. De vragen dwingen hem om na te denken en leiden hem zelf tot de conclusies en mogelijke vervolgacties. De patient heeft in de termen van Guus Hustinx (elders op deze site is een boekbespreking te vinden van ‘Ecologisch veranderen’) last van kleindenken. Wat gestructureerd vragen stellen doet is zicht geven op het eigen handelen en op de effecten op de omgeving. Een psycholoog spoort de dynamiek van het systeem (patient en omgeving) op en zoekt naar ‘hefbomen’ om de ‘overlast’ te beperken. Een economisch model kan datzelfde doen voor een groter en complexer geheel, mits je economisch model opvat als een manier om gestructureerd vragen te stellen en dynamieken in kaart te brengen.

    Van kleindenken naar grootdenken
    De oplossing is dus om van kleindenken naar grootdenken te gaan. De oplossing is de dynamiek van ons economisch en sociaal systeem op te sporen en te ontdekken waar de ‘hefbomen’ zitten. Dat kan alleen met vragen stellen, dialoog voeren en zelfreflectie. De oplossing komt dus van binnen en niet van meer overheid of meer technologie. Maar hoe dan ook, op een of andere manier heb je om dit proces op gang te brengen en te bewaken de elite of wijze mensen waar Keynes het over had nodig. Mensen die op de een of andere manier niet zelf onderhevig zijn aan dezelfde beperkingen. In termen van de metafoor: je hebt de modellenbouwers nodig en je hebt de psychologen nodig. Maar natuurlijk geloof ik niet in een verheven klasse van professionals die het gaan oplossen. De leemlaag van notabelen komt niet terug, we moeten op zoek naar nieuwe vormen van georganiseerde en gestructureerde denkkracht. Ik denk dan aan een herleving en bredere invoering van Raden van Toezicht en/of maatschappelijke enquete-commissies.

    Publiek verantwoording afleggen
    Want laat ik daar ook duidelijk over zijn: ik denk dat de vrijblijvendheid er vanaf moet. De zaken zijn dermate ernstig en verstorend (kredietcrisis en klimaatcrisis) dat repercussies niet uit kunnen blijven bij voortduring of kans op herhaling. Ok, daar komt ie dan: ik vind dat iedereen die een bepaalde maatschappelijke functie bekleedt vooraf erkent dat hij mede verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn daden en beslissingen ook voor het grotere geheel (omgeving, toekomst). Daarmee stemt hij ook in met de mogelijkheid dat hij achteraf, laten we zeggen gedurende een periode van 20 jaar, tot verantwoording kan worden geroepen. Hij moet dan verantwoording afleggen ten overstaan van een commissie over zijn gedrag en beslissingen en aannemelijk kunnen maken dat hij heeft nagedacht over alle mogelijke gevolgen en dat hij binnen het redelijke heeft gedaan wat er van hem verwacht mocht worden. Hoe zo’n raad of raden georganiseerd moeten worden? Dat weet ik nog niet, maar daar kun je het over hebben (voetnoot 1). Wat kan zo’n raad beslissen of bereiken? In mijn ogen moet zo’n raad vergaande bevoegdheden krijgen: geldelijke boetes, publiekelijke ontering en zelfs gevangenisstraffen. En wat is dan een maatschappelijke functie? Dat is breder dan je op het eerste gezicht zou denken, het betreft iedereen die beroepsmatig iets doet met een bepaalde beslissingbevoegheid waarvan de gevolgen die van zijn eigen persoon en organisatie kunnen overstijgen.

    Misschien een stapje terug: het gaat me niet om straffen uit te delen maar om het inbouwen van een correctiemechanisme vooraf dat aanzet tot expliciet nadenken over de dynamiek die je zelf oproept in je functie en met je beslissingen. Laat ik het zo zeggen: ik kan me heel goed voorstellen dat Boersma tot andere afwegingen bij de verkoop van Essent zou komen in het besef dat hij nog tot in lengte van jaren ter verantwoording kan worden geroepen. Commissie: ‘Maar meneer Boersma, u heeft destijds de bezwaren tegen verkoop volstrekt naast u neer gelegd’. Boersma: ‘Wij hebben alle argumenten bekeken en op een rijtje gezet, overal advies ingewonnen’. Commissie: ‘Wij hebben hier een intern memorandum uit 2009 van een groep medewerkers dat waarschuwt voor precies wat er in de afgelopen jaren is gebeurd. Nergens in uw pleidooi van destijds wordt melding van dit memorandum gemaakt. De medewerkers zullen getuigen dat hun memorandum uw bureau heeft bereikt maar dat het bewust terzijde is geschoven omdat het geen zinnige bijdrage aan de discussie zou leveren. U loopt het gevaar de volledige bonussen inclusief rente en wettelijk opslag over de jaren tot aan verkoop van Essent terug te moeten betalen.”

    De toets der maatschappelijke kritiek kunnen doorstaan, tot in lengte van jaren, daar gaat het volgens mij om. Aannemelijk kunnen maken dat je weloverwogen en duurzaam hebt gehandeld. Dat je maatschappelijk verantwoord hebt ondernomen. Niets meer en niets minder.

    Voetnoot 1: Als ik het heb over het inrichten van ‘raden van toezicht’ of van ‘maatschappelijk enquete commissies’ gaat het me niet om wat nu vaak rituele handelingen zijn met een hoog politiek gehalte en/of met steeds dezelfde (soort) mensen uit het ‘old boys network’. Het moet echt om een nieuwe vorm van toezicht gaan die hoort bij deze tijd en deze problematiek. Het moet transparant georganiseerd worden en een gestructureerde aanpak kennen (op deze site genoemde aanpakken bieden aanknopingspunten: Mutual Gains Approach (MGA) en Het Speelveld der Verandering (Guus Hustinx), beide aanpakken proberen in een aantal stappen de belangen van alle spelers in kaart te brengen en gaan op zoek naar de dynamiek in het systeem en naar hefbomen die de dynamiek kunnen doorbreken). Je kunt denken aan het proactief verlenen van certificaten aan bedrijven die aan een aantal (maatschappelijke) eisen voldoen, maar ook het onverwacht ‘binnenvallen’ bij een organisatie moet wat mij betreft tot de mogelijkheden behoren.

    De grote bankroof

      Gecombineerde boekbespreking van:
    • John Cassidy, Wat als de markt faalt (2010)
    • Joseph Stiglitz, Vrije val (2010)

    Aanleiding is het recente verschijnen van twee boeken, van de hand van journalist John Cassidy en van nobelprijswinnaar Joe Stiglitz, over de financiele crisis. En hoewel beide boeken eenzelfde onderwerp en focus hebben, vullen ze elkaar prima aan, een reden om ze beiden in een bespreking op te nemen. Cassidy geeft een systematisch betoog over de opkomst van het vrije markt denken, vervolgt met de vraag waarom de markt uiteindelijk niet werkt om de opgebouwde inzichten vervolgens te gebruiken om de ontstane crisis te verklaren. Cassidy doet dat zoals gezegd redelijk systematisch, in die zin is het boek te zien als een beknopte geschiedenis van het economisch denken, maar vooral ook redelijk neutraal, als een onpartijdige toeschouwer. Stiglitz daarentegen vermengt de theoretische onderbouwing voortdurend met de analyse van de bankencrisis, kiest dus als het ware voor een ‘simultaan-aanpak’ Maar Stiglitz is vooral iemand die in dit boek een duidelijke mening heeft en partijen veroordeelt. Het lijkt de wereld op zijn kop, Stiglitz is toch de nobelprijswinnaar en wiskundig-economisch wetenschapper, Cassidy de verhalende en opinierende journalist? Beide heren zaten en zitten dichtbij het vuur, alleen al een reden deze boeken serieus te nemen. Cassidy heeft als econoom en journalist veel van de hoofdrolspelers geinterviewd de laatste 10-15 jaar. Stiglitz is als leerling van Paul Samuelson (naast Keynes een van de bekendste economen van de vorige eeuw) sinds de jaren 60 topeconoom van grote reputatie met honderden artikelen en boeken op zijn naam (en zoals gezegd, vanwege zijn baanbrekende bijdragen ook Nobelprijs winnaar). Stiglitz is behalve wetenschapper ook bekend met de praktijk, onder andere in zijn rol als voormalig voorzitter van de Council of Economic Advisors van president Clinton.

    Wat is het probleem?

    Het probleem is dat er de afgelopen decennia veel individuen puissant rijk zijn geworden in en door een groter economisch systeem dat uiteindelijk grote maatschappelijke schade en veel persoonlijk leed heeft veroorzaakt. Het gaat over een periode van de ‘conservatieve dominantie’ van 1997-2007 die gekenmerkt wordt door drie uiteenspattende zeepbellen: de ‘dot.com’ zeepbel (technologie aandelen), de energie zeepbel (olieprijzen) en de vastgoed-zeepbel (huizenprijzen). En er is ondanks de enorme kosten die al zijn gemaakt vooralsnog geen reden om aan te nemen dat het tijdperk van de instabiliteit van de spattende zeepbellen nu ten einde is. Als we de kans op herhaling echt willen voorkomen dan moeten we beter snappen hoe het zover heeft kunnen komen. Cassidy beperkt zich tot het ‘snappen’ en komt niet echt met oplossingen of aanbevelingen in zijn boek, Stiglitz daarentegen neemt geen genoegen met ‘snappen’ en veegt de vloer aan met de wereldwijd genomen maatregelen en komt zelf met betere alternatieven.

    De ‘kale’ reconstructie van wat er is gebeurd is makkelijk genoeg te vertellen. Het zijn de verhalen die we allemaal wel kennen van tv en uit de kranten. Het standaard verhaal begint met het ruime geld beleid vanaf eind jaren negentig in Amerika. De rente wordt laag gehouden waardoor banken goedkoop kunnen lenen bij de monetaire autoriteiten. Politiek wordt het brede bezit van eigen woningen gestimuleerd. Om alles soepel te laten verlopen wordt er op grote schaal gedereguleerd: regeltjes zitten de vrijemarktwerking maar in de weg en frustreren zo het vrije ondernemerschap. Lossere regels en lagere rentes nodigen uit tot het opzoeken van hogere risico’s. Financiele innovaties maken het mogelijk om ook aan mensen die in ouderwetse termen geen woning kunnen betalen hypotheken te verstrekken. De stijgende huizenprijzen maken het zelfs mogelijk extra hypotheek te nemen. Het is allemaal mogelijk: geen aflossing, geen rentebetalingen en zelfs nog een auto op de koop toe. Grote banken werken met een toenemend aantal tussenschakels die allemaal grof geld verdienen aan afsluitprovisies en woekerrentes. De grotere risico’s (waar men zich wel degelijk van bewust is) worden bij weer andere partijen verzekerd en herverzekerd. Er ontstaat een complex web van (tussen-) partijen die de hete aardappel van groter wordende risico’s doorschuiven en herverpakken. Zogenaamde rating-agencies stempelen de nieuwe pakketjes, dankzij dubieuze rekenmodellen en commerciele afhankelijkheden, af als betrouwbaar. Op de balansen van de banken kun je nauwelijks meer zien wat er echt aan de hand is. Zelfs de autoriteiten roepen regelmatig dat alsmaar stijgende huizenprijzen helemaal niet raar zijn, kortom niets aan de hand. Een enkeling die waarschuwt voor de komende ramp wordt weggelachen. Totdat de eerste grote partij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen en het wantrouwen om zich heen grijpt en de zeepbel barst. Systeembanken mogen niet omvallen, de overheid staat garant voor de verliezen, uiteindelijk betaalt de belastingbetaler het gelag. Ondertussen zijn de eerdere winsten als uitgekeerde bonussen weggesluisd. En dat is nog niet alles: veel mensen kunnen nu niet meer aan hun verplichtingen voldoen, worden uit hun huis gezet en verliezen hun werk. De economische logica is heel simpel: als je met zijn allen lange tijd meer opmaakt dan je verdient (boven je stand leeft), dan moet je daarna op de blaren zitten. Uiteindelijk volgt altijd weer een correctie. In de woorden van Stiglitz: een met schuld gefinancierde braspartij.

    De ideologie van de vrije markt

    En hoewel de financiele sector hoofdschuldige in dit debacle is (daar zijn beide auteurs het wel over eens), zijn er grotere krachten aan het werk op de achtergrond. Vanuit de wetenschap is de hoofdschuldige Milton Friedman, vanuit de politiek vallen de namen van Reagan en Thatcher en vanuit de autoriteiten en toezichthouders is het Greenspan wat de klok slaat. Deze namen staan allemaal voor een bijna religieuze relatie met de heilzame werking van de vrije markt. Waar komt dat geloof vandaan?

    Het begint allemaal met Adam Smith zo’n beetje de godfather van de economische wetenschap. In 1776 legt hij in zijn ‘Wealth of Nations’ de werking van de beroemde onzichtbare hand uit. Er zijn enorme voordelen te halen bij specialisatie en arbeidsdeling. De economie wordt er eindeloos ingewikkelder van maar het komt wonderbaarlijk op zijn pootjes terecht zonder dat iemand vooraf alles plant of coordineert. De markt vertelt via de prijs van brood aan de bakker hoeveel brood die ’s morgens moet bakken. Voor de overheid is bij Smith al een beperkte plek ingeruimd. Van het verbale en bloemrijke betoog van Adam Smith gaat het zoetjesaan naar een meer formele en wiskundige aanpak. Enkele grote namen in dit verband zijn die van David Ricardo en Leon Walras, zo eind 19e eeuw. Een term als ‘Pareto-efficient’ gaat een rol spelen, een systeem van markten en prijzen moet voldoen aan de eis dat door herverdeling niemand beter af is zonder dat iemand anders slechter af is. En bewezen wordt dat perfecte markten ‘Pareto-efficient’ zijn. Dan is er een dip in het denken over vrije markten, in de jaren 30 van de vorige eeuw hebben we de grote crisis en komt Keynes in 1936 met zijn theorie dat markten kunnen blijven hangen in een zogenaamd onderbestedingsevenwicht door een gebrek aan effectieve vraag.

    De vrije markt is even van het toneel verdwenen maar de draad wordt in de jaren 40 weer opgepakt. De puur mathematische modellering neemt een hoge vlucht, een hernieuwde belangstelling voor Smith en Walras door namen als Kenneth Arrow en Gerard Debreu. De grote popularisator van deze weinig toegankelijke materie is vanaf de jaren 50 en 60 Milton Friedman (die een hele groep ‘volgelingen’ om zich heen verzamelt, bekend als de ‘Chicago School’). Dan volgt de vertaling van het gedachtengoed naar de wereld van aandelen en obligaties. We hebben het dan met namen als Markowitz en Fama over de efficiente markten hypothese (EMH) die beweert dat het onmogelijk is slimmer te zijn dan de markt. Wiskundige modellen om tot waardebepalingen (samen met de opkomst van computers) te komen gaan een steeds grotere rol spelen. Het beruchte Black & Scholes option pricing model komt beschikbaar op eenvoudige handcalculators. Inmiddels is het niet meer alleen theorie, handelaren en beleggers baseren hun aan- en verkopen ook daadwerkelijk op de uitkomsten van de optie-calculator. En de wetenschap zou de wetenschap niet zijn als ze niet voortdurend zorgvuldig de beperkingen van hun modellen zouden benadrukken. Natuurlijk kloppen de voorspellingen alleen maar als er sprake is van volledige informatie en als alle spelers op de markt hetzelfde zijn (‘representatieve’ agenten). Maar de esthetica van de modellen, hoe fraai de bewijzen zijn, speelt een grote rol en verleidt nieuwe economen tot het gebruik van nog meer wiskunde. Onbewust gaan de modellen en de beperkende vooronderstellingen die er onvermijdelijk bijhoren een eigen leven leiden. Misschien zijn de meeste economische wetenschappers studeerkamer-nerds die graag behangrollen vol met Griekse lettertjes opschrijven, Friedman is zeker minder naief en ontpopt zich als een ideoloog met een perfect gevoel voor timing. In 1980 komt tijdens de kandidaatstelling van Ronald Reagan zijn invloedrijke boek ‘Free to choose’ op de markt. Zowel Cassidy als Stiglitz gebruiken in dit verband termen als: ideologie, kerk, mantra’s en hogepriesters.

    Waarom de vrije markt faalt

    Waarom? Omdat de modellen maar modellen zijn en een vergaande abstractie van de werkelijkheid vormen. Met name Stiglitz heeft juist in deze traditie van ‘hoe ziet het plaatje er nu uit als de beperkende vooronderstellingen worden losgelaten’ vele modellen gemaakt met onthutsend andere conclusies en beleidsaanbevelingen.

    Het gebrek aan informatie is zo’n onderzoeksgebied. Neem de markt voor tweedehands auto’s (zogenaamde ‘lemons’). De verkoper van zo’n tweedehands auto weet meer over zijn auto (welke mankementen die heeft) dan de koper en een lage prijs betekent een grote kans op een wrak. Het gevolg is dat goede auto’s uit de handel worden genomen (de eigenaar van de goede auto weet dat de auto meer waard is dan hij ervoor kan krijgen). Ziektekostenverzekeraars zien voor een gegeven premie vooral menselijke wrakken op zich afkomen (want die weten dat ze zelf beter het risico niet kunnen lopen), mensen die geen risico menen te lopen op ziekte vinden de premie te hoog en haken af. Gevolg is dat de verzekeraar zo gedwongen wordt de premies nog weer verder omhoog te schroeven (verhip, iedereen wordt ziek), waardoor nog meer gezonde lieden afhaken etc. En dan banken: het is juist dankzij onvolledige informatie dat banken uberhaupt bestaan. Als ik als individu mijn geld aan een ander uitleen moet ik hem goed kennen en hem voortdurend in de gaten houden. Een bank ontneemt mij die taak, neemt het risico weg. Maar ook hier speelt dat een hogere rente de goede bedrijven afschrikt en daarmee het risico voor de rest verhoogt. Een bank moet het daarom hebben van de goede risico-inschatting en dus van de kennis van de relatie!

    Nog zo’n voorbeeld, bekend onder het ‘principal-agent’ dilemma. De ‘principal’ is de eigenaar die gaat over het te stellen doel en zich daar druk over maakt, de ‘agent’ is degene die in opdracht van de principal het werk uitvoert (maar als hij de kans krijgt stiekem probeert zijn eigen dingen te doen). Het vrije ondernemerschap legt de prikkels op de juiste plek, dat scheelt een hoop controle-kosten, daarom reageren markten efficient op informatie. Maar dat type ondernemer die alles scherp in de gaten houdt bestaat nauwelijks meer in het moderne kapitalisme. Iedereen is in loondienst, iedereen is agent, er zijn nauwelijks principals meer. Bonusslurpende managers van grote bedrijven zijn agents die hun eigen feestje organiseren. De eigenaren van het bedrijf zijn anonieme aandeelhouders, vaak juist weer de werknemers via pensioenfondsen en beleggingsinstellingen. De principal die agent is geworden voert zijn eigen agenda uit en werkt in termen van de modellen marktverstorend.

    Dan hebben het probleem van de zogenaamde ‘moral hazard’ (in slecht Nederlands: moreel risico). Als we ons van iets verzekerd weten, veranderen we ons gedrag naar het nemen van meer risico. Als we weten dat onze spulletjes op vakantie toch worden vergoed bij diefstal, dan worden we minder zorgvuldig. Een bank die weet dat hij niet kan omvallen (omdat hij een garantie van de overheid heeft), gaat meer risico nemen, doet dingen die hij in het besef zelf op te moeten draaien voor de kosten niet zou doen. Allemaal vormen van rationeel gedrag maar niet leidend toe efficiente uitkomsten voor de markt als geheel.

    Dan hebben we het rationele massagedrag. Het gaat er niet om wat ik denk dat goed is (de juiste prijs is), het gaat erom wat ik denk dat anderen denken. De madness of crowds. Natuurlijk weet ik dat het een keer fout zal gaan met die huizenprijzen, maar zolang anderen maar denken dat het goed blijft gaan durf ik ook nog wel een keertje te gokken. We praten elkaar de hoogte of de diepte in, er zijn meerdere ‘evenwichten’ die kloppen met de rationaliteit op micro-niveau. Maar macro is het systeem uit balans en staat het op knappen. Op rationele wijze irrationeel zijn, wordt dat genoemd.

    Tenslotte is er een recente stroming in de economie die bekend staat onder de noemer ‘gedragseconomie’. Steeds meer inzichten uit de psychologie vinden hun weg in de economische modelletjes. Zo is er de neiging je te conformeren aan de groep, mensen die zelf echt iets anders zien, gaan aan zichzelf twijfelen als ze anderen systematisch iets anders horen roepen. Wederom valt aan te tonen dat dit gedrag tot vreemde ontsporingen kan leiden. En we hebben allemaal last van ‘rampbijziendheid’: de kans dat mij iets slechts overkomt is minder groot dan de kans dat een ander dat overkomt. Maar als iedereen dat denkt dan klopt er iets niet toch? Kortom: allemaal gedrag dat vanuit de optiek van de ideologie van de vrije markten niet rationeel is, marktverstorend werkt, en correctie van hogerhand behoeft.

    Het grote complot

    Samenvattend: de ideologie is fout want gestoeld op het verkeerde model, de prikkels zijn fout want gericht op misbruik van het systeem en gericht op micro-rationaliteit en verleggen van risico naar de ander. Het valt zo simpel te verklaren dat innovaties in het bankwezen niet gericht waren op een efficienter betalingsverkeer met minder transactiekosten maar vooral op het nog ondoorzichtiger maken ervan en op het maximaliseren van de korte termijn beloningen die dat oplevert.

    En hier ligt een verschil tussen Cassidy en Stiglitz. Cassidy kan het verklaren met zijn voorbeelden van ‘waarom de markt niet werkt’. Stiglitz komt met dezelfde verklaring maar geeft zijn veroordeling. Hij gebruikt zonder blikken of blozen termen als fraude, lokrentes, zwendel, financiele vriendjespolitiek, geld aftroggelen, lobby-werk voor de eigen zaak en corporate welfare. De wetenschap heeft actief bijgedragen aan verspreiding van gemankeerd gedachtegoed (Willem Buiter, ook zo’n vermaard econoom, ditmaal met Nederlandse wortels, stelt dat de economische wetenschap 30 jaar kostbare tijd verloren heeft door het in de verkeerde richting te zoeken), de politiek heeft als een marionet van de grote bedrijven een foute ideologie gepredikt, de toezichthouders waren stromannen van politiek en grootbedrijf en grepen welbewust niet in cq werkten mee aan de erosie van hun eigen rol en positie.

    Als je Stiglitz leest dan dringt de conclusie zich op dat hier sprake is van een enorm complot met machinaties op de achtergrond waar wij als gewone burgers helemaal geen sjoege van hebben. Overdrijft Stiglitz? Misschien, ik ben er niet bij geweest (hij wel en heeft ook diverse malen gewaarschuwd overigens). Maar als econoom (ik geef toe, ik ben bevooroordeeld, ik heb zelf nog in de collegebank gezeten bij Stiglitz) kan ik zijn redeneringen prima volgen. En zijn bankiers dan criminelen? Tja, bankiers worden niet anders geboren dan andere mensen, maar ze zijn wel in de juiste omstandigheden om zo’n rol op zich te nemen. De regels van de wet worden gevolgd (desnoods wordt de wet onder druk van lobby-werk aangepast), dus strikt genomen is lang niet altijd sprake van criminaliteit (vaak overigens ook wel, er zijn vele fraude-gevallen aan het licht gekomen). Maar er wordt geen verantwoordelijkheid genomen en dat is moreel verwerpelijk gedrag.

    Visie en verantwoordelijkheid nemen

    Stiglitz laat het niet bij een veroordeling zitten, hij laat zien hoe het anders kan en anders moet. Je verantwoordelijkheid nemen, zowel als wetenschapper, als toezichthouder, als bankier, daar komt het op neer. En het systeem zodanig aanpassen dat de prikkels niet langer pervers zijn. Het korte mechanisme tussen kredietverstrekker en kredietnemer moet terug (lees: banken moeten weer ouderwets saai worden, terug naar de kerntaken). Het anonieme moet eraf, het vertrouwen moet terug.

    En ja er waren veel betere alternatieven voor de massale injecties in banken om omvallen te voorkomen. Banken hadden kunnen worden doorgestart zoals ook gewone bedrijven met een curator doorstarten, eigenaars zijn dan hun geld kwijt, vreemd vermogensverschaffers worden de nieuwe eigenaars die alsnog recht krijgen op eventueel toekomstige winsten bij herstel. De overheid had leningen zelf kunnen overnemen en herstructureren, ze had daarmee meer rente-inkomsten dan nu ontvangen en veel persoonlijke schade kunnen voorkomen. Maar al deze voorstellen hebben het niet gehaald door banaal lobby-werk vanuit de financiele sector (says Stiglitz). Nu zijn grote jongens door de belastingbetaler zwaar gesubsidieerd, toekomstige winsten vloeien weer weg als bonussen, gedwongen executie-verkopen zorgen alsnog voor zoveel mogelijk geld, provisies blijven door ondoorzichtige producten en te weinig concurrentie gemaximaliseerd worden. Dit is wat Stiglitz ‘corporate welfare’ noemt, een vorm van omgekeerd kapitalisme waarbij de monopoloide instellingen zelf alle winsten mogen opstrijken en als het fout gaat door de staat worden geholpen.

    Ook de oplossingen voor een herinrichting van het systeem liggen voor de hand. Bankiers worden beloond op lange termijn resultaten en delen in de verliezen. De boekhoudnormen moeten strakker en duidelijker. Bij meer risico moet meer reserve worden aangehouden en worden hogere premies voor het depositostelsel in rekening gebracht. De leverage moet aan banden worden gelegd. Een aantal financiele producten moet worden verboden dan wel worden gestandaardiseerd zodat iedereen weet waar hij aan toe is. Er komt een ‘financial products safety commission’ die burgers beschermt tegen woekerrentes. De mededingingswetgeving wordt aangescherpt, grote banken moeten worden ontvlochten. Klinkt allemaal logisch toch?

    Evaluatie

    Ik ben me ervan bewust dat met name het boek van Stiglitz kritisch is ontvangen. Dat hoeft ook niet te verbazen. Het boek had zeker met meer structuur kunnen worden geschreven. En een scheiding tussen feiten en oordelen was misschien ook beter geweest. Toch zit ik niet in het kamp van de criticasters. Dat iemand met een dergelijke autoriteit zich zo persoonlijk durft uit te spreken vind ik juist bewonderenswaardig. Je niet verschuilen achter de ‘wetenschap’ maar juist een moreel standpunt innemen, dat is juist verfrissend. En zijn verhaal legt wel degelijk nieuwe dimensies van de complexe dynamiek bloot. Mijn mening is dus dat je dit boek (en dat van Cassidy, het lezen van de combinatie heft een deel van de kritiekpunten op) moet lezen en zelf je oordeel maar moet vormen. Ik kan hier niet meer dan een klein doorkijkje geven. Stiglitz gaat ook nog uitgebreid in op het nog dieperliggende vraagstuk van de verschuiving in mondiale economische krachten en wat dit met zich meebrengt voor maatregelen. Hoe dan ook, er is meer aan de hand dan wij denken, en het komt niet vanzelf goed, er zijn krachten aan het werk die het zo willen houden, en ‘you ain’t seen nothing yet’. Ook wij stonden erbij en keken er naar. Wie neemt zijn verantwoordelijkheid nu, that’s the question.

    De economische principes achter het houden van toezicht

    Waarom is het houden van toezicht eigenlijk nodig of nuttig? Wat zit daar voor economische logica achter? Het is daarbij aardig het zeer lezenswaardige boek ‘De grote recessie’ (2009) van het Centraal Planbureau te volgen op dit punt.

    Het begint eigenlijk met iemand die een goed idee heeft en dat wil realiseren maar daar het benodigde geld niet voor heeft. Aan de andere kant zijn er vermogende mensen die wel het geld hebben maar niet het idee. De ene partij kan de andere helpen waardoor een win-win situatie ontstaat. Het idee wordt gerealiseerd en als alles goed gaat krijgt de geldschieter een passende vergoeding voor het ter beschikking stellen van zijn vermogen.

    Moreel risico

    Het probleem bij deze transactie is nu dat de geldschieter niet zonder meer weet of de ondernemer van goede kwaliteit is en zuinig met zijn centen zal omgaan. Er is hier sprake van asymmetrische informatie: de ondernemer weet meer over zijn eigen achtergronden en werkelijke beweegredenen dan de geldschieter. In de economie wordt dit ‘moral hazard’ of moreel risico genoemd. Dit probleem kan worden opgelost door iemand in opdracht van de geldschieter het bedrijf en de ondernemer in de gaten te laten houden.

    Meeliftersgedrag

    Maar er is nog een probleem. In de praktijk zal het niet gaan over een enkele grote geldschieter maar over meerdere kleinere geldschieters. Nu is de vraag wie van de geldschieters de ondernemer in de gaten gaat houden. Hier speelt het tweede probleem, het probleem dat in de economie bekend staat als het ‘free rider’ probleem oftewel in goed Nederlands het meeliftersprobleem. Elke geldschieter ziet het liefst dat iemand anders de controle op zich gaat nemen zodat hijzelf zijn tijd beter en nuttiger kan besteden. Als dit probleem te groot wordt is het eind van het liedje dat per saldo niemand het bedrijf controleert. Hoe deze patstelling te doorbreken?

    Banken als bewaker

    En dan komt de rol van banken als toezichthouders of bewakers in opdracht van de vele (grotere en kleinere) geldschieters. De banken lossen het meeliftersgedrag en het morele risico op door als intermediair tussen geldschieters en ondernemers op te treden. Ze verdiepen zich in de ondernemers en hun producten en markten en zien toe op een goed bedrijfsmanagement ook op langere termijn. De bank houdt dus toezicht op het risico en rendement van de haar toevertrouwde gelden door het controleren en bewaken van de ondernemers.

    Wie bewaakt de bewaker?

    Maar we zijn er nog niet. Ook de bank is geen neutrale partij die gratis dingen vanzelfsprekend goed doet voor een hoger doel. Ook een bank is een onderneming die zelf geld verdient en eigen vermogen aanhoudt (en er dus belang bij heeft dat eigen vermogen veilig te houden en anderen het risico te laten lopen als het mis gaat). De vraag is dan dus weer: wie controleert de bank zodat zij hun taak goed uitvoeren, wie bewaakt de bewakers? Hoe weet ik als kleine spaarder dat de bank zijn taak goed uitvoert (moreel risico) en hoe krijg ik als kleine spaarder voor elkaar dat iemand anders voor mij de eventuele controle uitvoert (meeliftersprobleem)? Hier doet de overheid zijn intrede via het bankentoezicht en de depositoregeling. De overheid neemt op deze manier het risico van de schuldeisers van de bank over.

    Ontstaan crisis: toezicht omzeild

    De wereldwijde crisis heeft uiteindelijk kunnen ontstaan (is mijn lezing van het boek van het CPB) doordat de banken zulke slimme constructies hebben weten te verzinnen dat hun echte verplichtingen deels buiten de balansen bleven en onzichtbaar werden voor de toezichthouders. Toezichthouders hadden onvoldoende zicht op de werkelijke risico’s.

    Daarnaast werden banken zich steeds meer bewust dat ze zo groot en belangrijk waren voor de werking van het hele systeem dat niemand het zich kon permitteren ze failliet te laten gaan. Wat betekent dat in termen van de getrapte opbouw van toezicht zoals hierboven beschreven? Dat de uiteindelijke prikkel en noodzaak om toezicht te houden verdween. Dat er een weeffout in de logica was geslopen die het meeliftersgedrag weer volop kans gaf. Omdat banken niet om mogen vallen en de overheid de laatste toezichthouder in de keten van toezicht is, is het de belastingbetaler die uiteindelijk de prijs van mismanagement betaalt. Uiteindelijk betaalt iedereen de prijs en is dus niemand verantwoordelijk. Hierdoor kan iedereen zijn eigen dingetjes doen en korte termijn belangen laten prevaleren zonder dat het hem iets kost.

    De moraal van dit verhaal?

    Een paar voorlopige conclusies wat mij betreft:

  • Dat toezicht noodzakelijk is en blijft, nu meer dan ooit
  • Dat de keten wordt bepaald door de laatste of zwakste schakel. De overheid moet daarom als ‘zwakste schakel’ van extra wet- en regelgeving worden voorzien. Het CPB boek gaat hier verder op in.
  • Dat effectief toezicht omzeild kan worden bij toename aan complexiteit en ondoorzichtigheid in combinatie met onvoldoende kennis en inzicht bij de toezichthouders.
  • Er is ook nog sprake van wat men in de economie een ‘agency’ probleem noemt (overigens niet als zodanig apart genoemd in de CPB publicatie). Een bank is niet alleen een bank en een ondernemer is niet alleen een ondernemer. Uiteindelijk zijn het personen met hun eigen belangen die concrete taken uitvoeren. Een bank heeft een directeur en een management team. Die voeren officieel de hun toevertrouwde taken uit maar houden daarnaast ook goed hun eigen belang in de gaten (bonussen, carriereperspectief, hobbies, uitstapjes, status etc). De verschillende belangen lopen niet altijd gelijk op. Ook het in de gaten houden van mogelijk divergerende belangen kost geld, de zogenaamde ‘agency costs’.
  • Welke toezichthouder je ook bent: het begint bij het in kaart brengen van de partijen (stakeholders) en hun belangen. Het gaat niet aan om belangen als zodanig ter discussie te stellen. Een belang is wat het is, en dan kun je het maar beter zonder waardeoordeel boven tafel proberen te krijgen. Een belang is wat iemand aanzet tot zijn gedrag en door het niet te benoemen of door het af te keuren verdwijnt het belang immers niet. Ook het belang van de toezichthouder zelf moet hierin worden meegenomen. Als de belangenmatrix helder is, wordt duidelijk waar de belangrijkste problemen en kansen zitten en kan de discussie pas goed starten.

    Strategie als een argumentenfabriek

    Om maar met de deur in huis te vallen: ik weet op basis van het boek ‘Strategie maakt het verschil’ (SDU 2009) nog niet zo zeker of strategie het verschil maakt. Het gaat hier om een verzameling van 25 gebundelde artikelen over strategie naar aanleiding van het afscheid van prof Jan Eppink aan de Vrije Univeriteit Amsterdam. Zoiets wordt een liber amicorum (vriendenboek dus) genoemd en daarvan mag je geen zwaar kritische beschouwingen over het vak verwachten. De redacteuren hebben een manmoedige poging gedaan de artikelen logisch te clusteren in mandjes als ‘strategie en de economische crisis’ en ‘strategie en mensen’. Evenzogoed zou ik een indeling kunnen maken in mandjes met titels als ‘artikelen die al op de plank lagen’, ‘artikelen waarin eigen stokpaardjes nog een keer worden behandeld’ en ‘artikelen waar wel werk van is gemaakt’.

    Maar ook ik loop tegen hetzelfde probleem aan als de redacteuren van deze bundel. Hoe kan ik iets zinnigs voor de potentiele lezers van de bundel melden? In het boek komen 25 auteurs aan het woord die strategie al jaren als hun vak hebben. Ik moet er dus op kunnen vertrouwen dat ik met deze bundel een goed beeld krijg van het vak. Om focus aan te brengen tijdens het lezen heb ik gezocht naar antwoorden op twee vragen: wat is strategie nu precies (1) en van welke ontwikkelingen of inzichten is in het vak sprake (geweest) (2)?

    Wat is strategie (1) ? In het boek zijn diverse omschrijvingen te vinden. Bijvoorbeeld op pagina 55: ‘Eerst is het besluiten met welke producten en markten je concurrentie wilt aangaan en waar je je in de waardeketen wilt bevinden. Ten tweede gaat strategie over hoe het bedrijf een competitief voordeel behaalt en behoudt in elk van de gekozen product-markt combinaties; hoe trekken we klanten aan en hoe houden we die klanten in de toekomst.’ Of op pagina 142: ‘Strategie is het overall plan om door de gerichte inzet van mensen en middelen een gunstige positie te verwerven.’ Met wat moeite kan ik er nog wel een paar oplepelen maar een strakke en uitgekristalliseerde definitie ontbreekt in deze bundel, het is meer dat door het lezen van de artikelen een beeld ontstaat van wat strategie zou kunnen zijn. Jammer, want ik denk dat de lezer van dit boek geholpen zou zijn bij het vooraf geven van een overkoepelende omschrijving van waar strategie voor staat en waar auteurs in hun artikel naar kunnen verwijzen of gemotiveerd van hadden mogen afwijken.

    Ontwikkelingen en inzichten in het vak (2) in willekeurige volgorde:

  • Strategie is in de afgelopen decennia verhuisd van de stafafdeling naar het hart van de organisatie.
  • De scheiding tussen het formuleren of opstellen van een strategie en de uitvoering daarvan is kunstmatig. Te strak sturen in de uitvoering op de afwijkingen ten opzichte van de plannen is rigide en leidt vaak tot ongewenste uitkomsten. Het gaat om een voortdurende interactie tussen strategie en uitvoering waarin wordt gecheckt of de strategie met de gebruikte vooronderstellingen nog adequaat is.
  • Cultuur en historie van een bedrijf bepalen mede hoe bij een gegeven strategie in geval van bijvoorbeeld een economische crisis wordt gereageerd.
  • Participatie bij besluitvorming reduceert de weerstand die bij veranderingen in organisaties optreedt.
  • Het strategisch denkmodel van Jan Eppink (‘strategie in 3’ waarin onderscheid wordt gemaakt in spreiding, positionering en samenwerking op verschillende assen) kan zijn nut bewijzen in andere disciplines zoals HRM (in artikel 15 wordt de loopbaanstrategie beschreven aan de hand van het Eppink-model) en branche-organisaties (strategische samenwerking brancheorganisaties, uitgewerkt in het ‘propellermodel’, artikel 19 en 20).
  • Strategie bij overheden gaat anders, hier kan de Eppink-aanpak niet zonder meer worden toegepast. In artikel 18 komt Piet van Elswijk op een verfrissende manier tot een eigen interpretatie van het Eppink-model voor de overheid.
  • Wet- en regelgeving is nodig om grote bedrijven te dwingen tot innovatie. Zie hiervoor artikel 6 waarin de ontwikkeling en toekomst van de elektrische auto wordt beschreven. Wist u dat rond 1910 de elektrische auto een volwaardige concurrent voor de benzine-auto was? Er bestond toen al een distributienetwerk voor het opladen van accu’s en de elektrische auto’s haalden 120 km/uur bij een actieradius van 160 km.
  • Eerlijk gezegd, niet echt schokkend deze inzichten (met uitzondering van de laatste, die is ‘shocking’), hier zit blijkbaar niet de toegevoegde waarde van dit boek. Waar die volgens mij wel ligt is bij het aanstippen van enkele relevante onderzoeksvragen rondom strategie. Het boek levert minstens drie thema’s voor verder onderzoek op:

  • Hierboven al even genoemd: wat betekent strategie in de non-profit sector? Artikel 18 en 24 gaan hier dieper op in. Het gaat om majeure problemen met grote sociale en economische impact en er gelden andere wetmatigheden die actueler dan ooit zijn.
  • Meer onderzoek naar waardevernietiging in plaats van naar waardecreatie. Iedereen ziet dat er sprake is van grote ego’s in de top, van mismanagement, van bureaucratie, van discutabele fusies en overnames. Hoe zit dat, waarom gebeurt dat, hoort dat er gewoon bij of is dat te voorkomen? Artikel 8 gaat hier op in.
  • Meer onderzoek naar waar het wringt tussen korte en langere termijn, naar tijdelijk voordeel voor het ene bedrijf versus langdurige schade aan de keten of de maatschappij. In het Westen is meer focus op de korte termijn, op cash, op altijd haast en op ’time is money’. In het Oosten lijkt meer sprake van rust, van langere termijn samenwerking, van ’time to get connected’. Artikel 7 gaat hier op in.
  • En als ik zo het boek nog een keer doorblader ontstaat er ook een ander beeld van wat strategie is. Het is een rode draad die met enige goede wil in dit strategieboek is terug te vinden: strategie vanuit een argumentatietheoretische invalshoek, het onderwerp van artikel 12. Strategie moet zich afspelen rondom dilemma’s, schijnbare tegenstrijdigheden waarvan de rafelige randen door spits en creatief denken samen met de belanghebbenden worden weggepoetst. Sterker nog: rondom dilemma’s die ertoe doen ontstaan doorbraken. Artikel 14 van Fons Trompenaars presenteert een overkoepelende aanpak rondom steeds terugkerende ‘golden’ dilemmas tussen de vijf stakeholders van bedrijven (werknemers, aandeelhouders, klanten, maatschappij en efficientie). Strategie als ‘a dilemma reconciliaton workshop that offers a methodology to elicit and deal with such dilemmas’. Artikel 13 tenslotte houdt een pleidooi voor het meer gebruik maken van modellen bij het formuleren van strategieen, want een model structureert de manier van denken en maakt de voor- en nadelen van bepaalde keuzes transparant.

    We zijn terug bij af, back to basics. Strategie is ‘in the end’ het helder krijgen van de echt belangrijke issues, dilemma’s en problemen. Vervolgens het inventariseren van de partijen en hun belangen rondom deze dilemma’s. Dan het gestructureerd verzamelen van alle argumenten voor en tegen. Het bij elkaar brengen van de argumenten, het inwegen, het modelleren, de onderlinge relaties transparant maken. En dan sleutelen aan de vooronderstellingen om tot aanpakken te komen die voor alle partijen beter uitpakken. In wezen was dit wat we begin jaren negentig deden bij het Centraal Planbureau met studies als ‘scanning the future’ (wat weer gebaseerd was op het scenario-denken van Shell). In wezen is dit ook waarom ik de visuele schema’s van ‘de argumentenfabriek’ van Frank Kalshoven in de Volkskrant zo verfrissend vind. Maar ja, dat staat dus allemaal niet in dit boek.

    Spent (2009) van Geoffrey Miller
    Of: De psychologie achter consumentisme

    Er zijn niet zoveel boeken en auteurs die een link leggen tussen economie, groei, welvaart en de psychologie die daar achter steekt. Het recente boek ‘Spent’ (met als ondertitel: sex, evolution, and the secrets of consumerism) van Geoffrey Miller is daarom een mooie aanleiding hier aandacht aan te besteden. Bijkomend voordeel: mijn site kan nu ook gevonden worden door op de veel gebruikte term ‘sex’ te googlen …

    Kern van het betoog

    De kern van het boek is dat we goederen en diensten niet per se kopen vanwege de objectieve eigenschappen of de gebruikswaarde. We behangen ons met goederen en diensten om indruk te maken op andere mensen. En dat doen we weer omdat ons imago en onze status van het allergrootste belang zijn om te overleven, om aantrekkelijke partners te krijgen, om vrienden te imponeren en om voor goed nageslacht te zorgen. Deze krachten zitten in ons vanuit de evolutionaire ontwikkeling die ons gebracht heeft waar we nu staan. Ook al zijn deze krachten oud en lijken ze misschien niet meer van deze tijd, ze blijven een krachtige (en vaak onbewuste) rol spelen in ons dagelijkse leven.

    Stel dat we onze hedendaagse successen en verworvenheden zouden voorleggen aan de oude oermens, dan krijgen we een vermakelijke discussie. Ah, zegt de mannelijke holbewoner, dat is mooi als je zo rijk bent, dus ik kan met dat geld 20 vrouwen kopen die mijn kinderen gaan dragen? Eh, nee dat kan niet, dan moet je eerst een dure auto kopen en bijzondere kleding en dan maar hopen dat je er eentje aan de haak slaat die je kind wil dragen. Ah, zegt de vrouwelijke holbewoonster vervolgens, kun je met dat geld dan een man kopen die me niet meer slaat en die mooi is en zorgzaam bovendien. Eh, nee, ook dat hoort vooralsnog niet tot de mogelijkheden.

    Fitness indicatoren

    Welke signalen geven we af door ons met goederen en diensten te omringen? In feite fungeren de goederen en diensten als ‘fitness indicators’, ze laten zien hoe geschikt we zijn als sexuele partners. Miller laat zien dat er zes eigenschappen zijn die ons ‘objectief’ gezien geschikte partner maken, deze zes staan bekend als de ‘central six’, en ook onder de afkorting GOCASE. De letters in dit ezelsbruggetjes staan voor: General intelligence, Openness, Consentiousness, Agreeableness, Stability en Extraversion. Het gaat te ver om op deze plek al deze elementen apart te behandelen, maar ter illustratie behandel ik er twee.

    Consentiousness. Deze eigenschap of indicator toont hoe betrouwbaar of zorgzaam je bent. Door producten te nemen die erg veel onderhoud vergen laat je zien dat je je dat kunt veroorloven. Kijk mij dat eens allemaal netjes doen, daar heb ik zomaar de tijd voor over, dat maakt mij een sterke en geschikte partner. Het hebben van een interessante verzameling, het houden van dure huisdieren, het geeft vanuit evolutionair perspectief het signaal af dat we iets goed en met zorg kunnen onderhouden.

    Agreeableness. Het is aantrekkelijk en aangenaam om in mijn gezelschap te verkeren, ik pas me aan aan mijn omgeving, ik hoor bij een groep en dat geeft een betere bescherming tegen gevaar van buitenaf. Daarom geven mensen dingen weg aan anderen, zijn er mensen die zeehondjes beschermen etc. Deze fitness-indicator geeft volgens Miller mogelijkheden ons gedrag te veranderen, waarover later meer.

    Maar de belangrijkste conclusie van de Central Six is eigenlijk dat er 1 indicator uitspringt als een goede en betrouwbare voorspeller van aantrekkelijkheid en succes en dat is de G van algemene intelligentie oftewel IQ. Het vreemde nu is dat IQ goed is te meten en dus hoeven we niet zoveel moeite te doen (en geld uit te geven) aan allerlei zaken. Gewoon een kwestie van ons IQ in het paspoort zetten en klaar is kees. Maar nee hoor, we geven liever een paar honderd duizend Euro uit aan een dure opleiding van enkele jaren om daarmee het signaal af te geven dat we volhoudend zijn en behoorlijk slim. Miller noemt deze opleidingen een ’time-consuming and expensive way to guarantee a high IQ’. Blijkbaar is het dus niet zo simpel. Waarom doen we al die moeite als het ook simpel kan?

    Waarom al die moeite?

    Natuurlijk gaat het hier om het foppen van de medemens, je probeert met uiterlijkheden (goederen en diensten) betere signalen af te geven dan dat je werkelijk in huis hebt. Dit is in de natuur (bij dieren en planten) een volstrekt normaal fenomeen. Dit is in essentie wat marketing doet: de suggestie wekken dat het kopen van een product anderen het idee geeft dat je bepaalde interessante eigenschappen hebt en dus een aantrekkelijke partner bent. De advertenties suggereren succes als je een dure Porsche koopt. Je betaalt als het ware een ‘price premium’ (een opslag bovenop de kale kosten van productie, bovenop de basale behoefte om van a naar b te bewegen) om de verkeerde signalen af te kunnen geven. Waarom wordt hier eigenlijk niet meer empirisch onderzoek naar gedaan (vraagt Miller zich af)? Je kunt makkelijk testen of iemand met een Porsche meer en mooiere vrouwen krijgt en meer succesvollere kinderen achter laat op deze wereld (wel corrigeren voor zijn intelligentie natuurlijk!). Antwoord: dat is niet in het belang van onze economie, de meeste producten zouden door de mand vallen.

    De meer wezenlijke vraag is hier eigenlijk: waarom trappen we er met zijn allen steeds weer in als consument? Mensen blijken (ook weer evolutionair) prima in staat in hele korte tijd te beoordelen in een face-to-face gesprek of iemand een interessante partner is, we zijn ontwikkeld om de goede signalen er snel uit te pikken. Dus nogmaals: waarom dan toch een hoop gedoe met dure goederen om valse signalen af te geven? Dat komt volgens Miller omdat we zelf wel denken te weten hoe het zit maar dat we van anderen denken dat zij het niet weten en dat de ander er dus wel waarde aan hecht met welke goederen en diensten we onszelf omringen. Blijkbaar zit er dus een rare kronkel in ons brein. Hoewel we ‘deep down’ wel beter weten, denken we dat anderen niet alleen naar ons als mens kijken maar ook naar de producten waarmee we ons omringen, en we denken ook dat we met die producten onze mindere eigenschappen kunnen compenseren. Het is deze ingebakken kronkel of illusie die door de marketing graag in stand wordt gehouden.

    Marketing als pauwenstaart

    Miller verklaart helaas niet waarom we deze kronkel dan evolutionair hebben meegekregen. Miller geeft behoorlijk af op de marketingmachines van grote ondernemingen, ze baseren zich volgens hem op pseudo-wetenschap en volstrekt achterhaalde theorieen. Hij vergelijke de grote marketing-afdelingen zelfs met de beroemde pauwenstaart. Een pauw heeft een zeer fraaie maar erg onhandige en (in termen van onderhoud en gevaar) zeer dure staart. Waarom heeft de pauw dan toch deze lastige staart ontwikkeld? Welnu, de pauw geeft aan zijn omgeving het signaal af dat hij ondanks deze lastige maar dure staart nog makkelijk kan overleven. Blijkbaar heeft hij zoveel resources in huis dat hij best wat kan missen en dan nog makkelijk overleeft. Zo’n pauw moet je dus als partner hebben! En zoiets kan ook gelden voor marketingafdelingen in grote bedrijven. Nee, natuurlijk heeft deze dure marketing-afdeling geen enkel nut. Maar wij zijn als bedrijf zo succesvol dat wij het ons makkelijk kunnen permitteren zo’n dure afdeling op de been te houden. Leuke gedachte, dat wel. Maar niet helemaal consistent volgens mij. Blijkbaar hebben we een natuurlijk kronkel in ons brein en daar maken de marketeers dankbaar gebruik van (steeds meer met datamining, wel degelijk met onderliggende systematische analyses van het beschikbare empirische materiaal).

    Probleem?

    Eigenlijk hebben we nog niet echt een probleem te pakken. Mensen geven een hoop geld uit aan dure producten die uiteindelijk niet de voordelen brengen die ze er onbewust van hadden gehoopt. Nou en? Zo zitten we blijkbaar in elkaar, zo werkt onze economie. Maar, en ik wijk hier af van Miller, er zitten twee aspecten aan dit fenomeen. We komen in een ratrace van steeds weer nieuwe producten terecht. Voordeel daarvan is dat er vaak onbedoeld echte innovaties en ontwikkelingen tot stand komen. Bekend is dat de oorlogs- en ruimtevaartindustrie duizenden vindingen hebben opgeleverd die hun toepassing vooral elders hebben gevonden. Maar nadeel is dat we een hoop overbodige shit om ons heen verzamelen die ons van vrije tijd en sociale contacten berooft en ons nu ‘zoetjesaan’ laat zien dat we de grenzen bereiken van wat deze wereld nog aankan. We willen de echte innovatie en progressie behouden maar zoveel mogelijk een halt toeroepen aan verspilling en vernietiging, vooral ook in het belang van onze eigen soort.

    Oplossingsrichting

    Uitgangspunt voor Miller is dat we het spel van de interessante partner spelen en gebruik maken van fopsignalen niet wezenlijk kunnen veranderen. We moeten nadenken hoe we het ingebouwde mechanimse een andere, meer vruchtbare en duurzame, kant op kunnen dwingen. Ik haal uit het betoog van Miller drie oplossingsrichtingen.

    Op het micro-niveau hebben we allemaal onze verantwoordelijkheid om ‘runaway consumentism’ te voorkomen. Als je je weer eens realiseert dat je dolgraag dat nieuwe product wilt kopen, moet je je alternatieven op een rij zetten. Om te beginnen kun je het product gewoon niet kopen. Bereken voor jezelf vooral eens de prijs die je betaalt door het wel te kopen, haal de teleurstelling van je vorige aankoop weer voor de geest. Je kunt in plaats van nieuw kopen je oude spullen opknappen. Dat geeft vaak een beter gevoel (en ook hiermee kun je de aantrekkelijke partner spelen). Je kunt de spullen lenen, huren of tweedehands kopen. Je kunt niet het origineel kopen maar iets wat er op lijkt, een replica waarvan toch niemand ziet dat het een replica is. En tenslotte, je kunt ook gewoon drie jaar wachten met de aankoop, dan is er weer een nieuwe rage en koop je dat ding (als je het dan nog wilt) voor een prikkie.

    Op het macro-niveau noemt Miller twee oplossingsrichtingen. De eerste is het weer toestaan van discriminatie. We moeten meer de vrijheid krijgen onze eigen clubs en gemeenschappen op te zetten. Dus een wijk inrichten waar het mogelijk wordt bij de mensen te wonen die je ook als je buren wilt hebben. Mensen die dezelfde normen en waarden als jij hebben. Achterliggend idee is dat je dan indruk op je omgeving kunt maken in lijn met diezelfde normen en waarden. Dan krijg je een ratrace in ‘voor elkaar zorgen’, ‘de meest ecologische groenten kweken’. Ik kan hier nog wel wat bezwaren aanvoeren, maar de denkrichting is prima.

    Grand social quasi experiment

    Maar de tweede oplossingsrichting vind ik zeker zo interessant. Miller pleit voor het opzetten van een grote internationale database. Hierin wordt van alle producten bijgehouden wat hun totale kosten en effecten zijn ook op de langere termijn. De voorbeelden zijn natuurlijk bekend. Neem een kogel voor een pistool. Die koop je voor een paar Euro. Maar de kosten voor de maatschappij kunnen enorm zijn. Daarom moet je dus bijhouden hoeveel mensen door kogels om het leven komen, welke ziekenhuiskosten dat met zich meebrengt etc. Als de database op orde is bepaal je de echte prijs van het product en gaat een kogel ongeveer 1000 Euro kosten. Zelfde verhaal voor cigaretten, motorfietsen. Zo wordt een goedkope wc-borstel van plastic die sneller slijt en vaker vervangen moet worden en voor milieubelasting zorgt een stuk duurder dan een houten wc-borstel met natuurhaar (of niet, dat blijkt dan wel uit de database). Ook hier zijn nog wel wat zaken om nader uit te werken maar wederom is de denkrichting prima. Technisch kunnen we dit natuurlijk prima voor elkaar krijgen. Het levert veel werk op en in mijn ogen nuttig werk waarmee je jezelf als een zeer aantrekkelijk partner kunt afficheren!

    Superfreakonomics, Steven Levitt en Stephen Dubner (2010)

    Economen kijken op een bepaalde manier naar de wereld. En als econoom kun je het niet altijd uitzetten, het wordt bijna ‘a way of living’. Maar wat is dat dan voor manier van kijken en van denken? De meeste hebben er wel een beeld bij, economen kijken naar de cijfertjes, ze zijn koel en rationeel. Ze kijken natuurlijk wel naar gedrag van mensen, maar niet naar de intentie of de moraal, het gaat ze om de output, om de uitkomst. Economen redeneren vanuit een model waarin rationale ‘agenten’ reageren op prikkels zoals prijzen. In de economie draait het om schaarste en dus om de verhouding tussen vraag en aanbod.

    Economen zijn, zeker als deze manier van denken niet meer uitgezet kan worden, rare lui met een eigen taaltje. Een paar jaar geleden vond ik dat Levitt en Dubner (LD)deze rare manier van denken fraai illustreerden in hun populaire boek ‘Freakonomics’. Het recente verschijnen van de opvolger ‘Superfreakonomics’ vormt voor mij een mooie aanleiding om eens wat dieper op het economendenken in te gaan. En alvast een deel van de evaluatie: het boek is soepel geschreven en ook voor leken prima te lezen. Het boek illustreert overtuigend de voordelen die economendenken kan hebben maar laat af en toe ook iets van de valkuilen ervan doorschemeren.

    Levitt is een ‘echte’ econoom die veel publiceert in wetenschappelijke tijdschriften. Dubner is een econoom-journalist en zal de sparring-partner voor Levitt zijn met de oren en ogen van het gewone volk. LD zijn boeiend omdat ze enerzijds helemaal in het keurslijf van de economische wetenschap blijven (het zijn economen volgens het boekje zogezegd) maar anderzijds hele originele onderwerpen en invalshoeken hebben die bij mij vaak het effect hebben dat ik het boek wegleg om even na te denken (klopt dit nu wel? word ik hier in het ootje genomen?). Dus is het automatisch zo dat LD zeggen geen waardeoordelen te hebben (‘we kiezen geen partij’), iets is niet goed of slecht maar gewoon een uitkomst van een model. Mensen zijn inderdaad calculerend of rationeel in die zin dat ze reageren op prikkels en dat ze streven naar de meest efficiente inzet van schaarse hulpbronnen om hun doelen te bereiken. Maar typerend voor dit boek: ‘mensen reageren niet noodzakelijk op een manier die voorspelbaar of zichtbaar is. Daarom is een van de machtigste wetten van het universum de wet van de onbedoelde gevolgen. Dit geldt voor onderwijzers en makelaars en drugsdealers, maar ook voor zwangere vrouwen, sumoworstelaars, bagelverkopers en de Ku-klux-klan’.

    Aardig van LD (en van economen) is dat ze niet alleen redeneren vanuit een verzonnen model maar vooral ook naar de data kijken. Juist Levitt onderscheidt zich in zijn artikelen door het gebruik van unieke data over de meest vreemde onderwerpen waar hij dan weer de meest onverwachte conclusies uit haalt. In hun eigen woorden: ‘dit boek gaat over dingen die u dacht te weten, terwijl dat niet zo was, en dingen die u nooit hebt willen weten, maar wel weet’. Ik heb de vele verhalen uit dit boek in een paar thema’s ondergebracht:

    • de menselijke natuur
    • data-analyse
    • onbedoelde bijeffecten (collateral damage)
    • technologie (als oplossing voor alle problemen)

    De menselijke natuur

    Zijn mensen nu egoistisch of altruistisch? Het antwoord is hierboven al gegeven: mensen zijn geen van beide (of beiden) want ze reageren ‘gewoon’ op prikkels. In de jaren 60 werd in een vrouw in New York aangevallen en daarna vermoord. De moord duurde van begin tot eind 35 minuten en werd door tientallen mensen vanuit hun woning geobserveerd zonder dat iemand iets deed of alarm sloeg. Een duidelijke demonstratie van egoisme lijkt het. Door Malcolm Gladwell is dit fenomeen in zijn ‘Tipping point’ later omschreven als het ‘omstandereffect’ waarbij de aanwezigheid van meerdere getuigen van een tragedie ingrijpen zelfs kan verhinderen. Economen en psychologen hebben in vele laboratorium-experimenten onderzocht of mensen bereid zijn anderen te helpen. Het zijn van die experimenten waarin alle spelers een bepaald bedrag krijgen wat ze ofwel grotendeel zelf mogen houden ofwel met een ander mogen delen. Aanvankelijk bleek uit de experimenten dat de meerderheid van de spelers ging voor een gelijke verdeling. Oftewel: altruisme zit in de mens ingebakken. Economen hadden het in hun tekstboeken met hun homo economicus dus fout. Het onderzoek heeft veel lof geoogst en heeft een Nobelprijs opgeleverd. Tot ‘blauweboorden-econoom’ John List dit onderwerp op zijn eigen wijze aanpakte. List dacht dat de resultaten van de experimenten werden beinvloed door het kunstmatige laboratorium-karakter. List deed daarom experimenten op echte ruilbeurzen (waar verzamelaar honkbalplaatjes ruilden en kochten). Van het keurige gedrag in het experimenten-kamertje bleef niets over. De handelaars belazerden hun klanten elke keer weer en gaven hun minder goede plaatjes dan ze op grond van het bedrag hadden moeten krijgen. Ook breidde hij het eerdere experiment met de 2 keuzes (groot deel zelf houden versus gelijk verdelen) uit met de extra keuze om een dollar van de ander af te pakken. Ditmaal gaven de experimenten aan dat de gulle gevers fors in aantal daalden en dat 20 procent zelfs geld afpakte van de ander. Andere experimenten toonden weer aan dat het uitmaakte of de spelers het geld vooraf zomaar kregen of dat ze ervoor moesten werken. Als mensen weten dat ze geobserveerd worden in een experiment gaan ze sociaal-gewenst gedrag vertonen (om de onderzoeker te plezieren) en naarmate de experimenten meer op de werkelijkheid gaan lijken (in het echt krijg je zelden zomaar een bedrag en moet je er meestal iets voor doen) verdwenen de eerdere altruistische uitkomsten grotendeels. Terug is de homo economicus.

    Mensen reageren op economische prikkels. LD geven als voorbeeld de moeizame discussie in het Westen over het afstaan van donor-organen. In de meeste landen is er een tekort aan donor-organen. In Iran schijn je 1200 dollar te krijgen voor het afstaan van een nier en ook de ontvanger betaalt voor de nier. In de VS werd deze gedachte barbaars gevonden (een jonge Al Gore vroeg zich spottend af ‘of we soms korting moeten geven als we ze het Vrijheidsbeeld laten zien’). Economen kijken gewoon naar het effect: worden de wachtlijsten korter? Ander voorbeeld. Op basis van een langjarige studie werd aangetoond dat een bejaarde in een tehuis meer kans maakt op bezoek van haar kinderen al die een flinke erfenis te wachten staat. Maar, zo is de tegenwerping, kinderen van rijke ouders zijn gewoon zorgzamer. Maar vervolgens blijkt uit de studie ook dat als diezelfde rijke ouders maar 1 kind hebben er minder bezocht wordt. Er zijn minimaal 2 kinderen nodig voor rijke ouders om veel bezoek te krijgen. Wat op het eerste gezicht dus op altruisme lijkt komt dus in feite neer op het vooruitbetalen van successiebelasting.

    Data-analyse

    Natuurlijk is het beter geen alcohol te drinken als je daarna zelf nog thuis moet zien te komen. Maar als je dan toch te veel op hebt, wat is beter: met een slokje op achter het stuur kruipen of toch maar gaan lopen (ervan uitgaande dat het maar een paar kilometer is)? Iedereen zal onmiddellijk beweren dat lopen de beste optie is. Maar hoe zit het als je naar de data kijkt? Op iedere 43.000 dronken gereden kilometers is er maar 1 arrestatie. Vier keer op en neer van de ene naar de andere kant van de VS en je wordt maar 1 keer gearresteerd. De pakkans is dus gering. En dat terwijl elk jaar meer dan 1.000 dronken voetgangers in de VS om het leven komen in het verkeer. Als het rekensommetje wordt gemaakt blijkt dat de voetganger 8 keer meer kans maakt om het leven te laten dan de bestuurder. Een echte vriend van u zal u dus op het feestje adviseren niet te gaan lopen! Het is natuurlijk nog beter om de taxi te nemen en het verhaaltje houdt ook geen rekening met het feit dat u als dronken bestuurder ook nog andere levens in gevaar brengt (maar zelfs daarvoor gecorrigeerd schijnt lopen nog meer levens te kosten per km!). Hier is ie weer: de moraalloze en koele manier van redeneren.

    Wat is eigenlijk het effect van een kinderzitje in de auto? Na de invoering van de gordel is het dodelijke risico van autorijden enorm afgenomen. Een gordel brengt het risico op dodelijke afloop bij een ongeluk terug met 70 procent. Als je in de auto stapt en 24 uur per dag met 50 km per uur rondrijdt dan ben je na ongeveer 285 jaar aan de beurt om dodelijk te verongelukken. Het kost ongeveer 25 dollar om een gordelsetje te maken en als je de kosten voor monteren meerekent en dat relateert aan de daling van het aantal doden, dan blijkt een mensenleven gered te kunnen worden voor 30.000 dollar. Ter vergelijking: de kosten van een gered mensenleven door gebruik van een airbag is 1,4 miljoen dollar. Maar hoe zit het nu met het kinderzitje? Uit de data blijkt dat een kinderzitje ten opzichte van een gordel voor kinderen niet zo veel extra doet. Als er speciale gordels voor kinderen gemaakt zouden worden dan zou het wel eens kunnen zijn dat die gordels nog beter dienst doen dan kinderzitjes. Maar los daarvan: kinderzitjes zijn veel duurder om te maken en ook nog eens onhandig. Maar het grootste minpunt van een kinderzitje is dat het ouders een misplaatst gevoel van veiligheid geeft. Een simpele oplossing die goedkoop is en meer levens bespaart is uiteindelijk verdrongen door iets wat duur en onhandig is. Oftewel: de werkelijkheid volgt niet altijd de rationele analyse op basis van objectieve data.

    Met de opkomst van snelle en goedkope computers wordt steeds meer in het wilde weg naar verbanden in grote hoeveelheden data gezocht. Dat wordt met een mooi woord ‘data-mining’ genoemd. Zou je op basis van data van banken (de bankgeschiedenis) terroristen kunnen ontdekken? Analyse van de bankgeschiedenis van terroristen laat zien dat ze 1 grote storting doen en daarna in de loop van de tijd kleine bedragen opnemen, hun bankzaken weerspiegelden geen gewone uitgaven als huur en verzekeringen, er wordt gebruik gemaakt van een postbusnummer als adres. En een potentiele terrorist blijkt geen levensverzekering af te sluiten, misschien vreemd als je bedenkt dat de terrorist na zijn daad een familie achterlaat maar de reden is dat verzekeringsmaatschappijen niet uitkeren als de polishouder zelfmoord pleegt. Om een lang verhaal kort te maken: zelfs met dit soort verbanden blijven er van de miljoenen bankklanten nog steeds vele honderden kandidaten over waaronder de meeste volstrekt onschuldig. Inmiddels zijn de zoek-algoritmes zo verfijnd (de achtergrond daarvan is vanzelfsprekend geheim) dat uiteindelijk een lijst met 30 namen overblijft waarvan er met grote zekerheid 5 zijn betrokken bij terroristische activiteiten. De kans is groot dat aanslagen zijn voorkomen op basis van dit soort data-mining.

    Onbedoelde bijeffecten

    In het engels: collateral damage, bijkomende schade. Als we nog even doorgaan met terrorisme. De aanslagen van 11 september 2001 hebben die dag bijna 3.000 slachtoffers gevergd. Maar de grootste schade is daarna pas gekomen. In de drie maanden na de aanslag waren er 1.000 extra verkeersdoden in de VS. Mensen stopten met vliegen uit angst voor aanslagen en gingen met de auto reizen (per afgelegde km is vliegtuigverkeer veiliger dan autoverkeer). De beschikbare capaciteit van politie werd na de aanslagen sterk verlegd naar terrorisme-bestrijding. Zo kon geld en mankracht niet langer worden besteed aan andere belangrijke zaken als het jagen op financiele schurken (LD: zo heeft de aanslag van 11/9 bijgedragen aan de recente financiele crisis). Duizenden buitenlandse studenten en hoogleraren konden door visumbeperkingen niet langer de VS in. Maar denk ook eens aan alle extra tijd die we dagelijks kwijt zijn aan de controles en tolpoortjes op de vliegvelden: een simpele procedure als je schoenen uittrekken kost een minuut en wordt in de VS alleen al 560 miljoen keer per jaar gedaan. Met een gemiddelde levensverwachting van net onder de 80 jaar, betekent dat een verlies van 14 mensenlevens per jaar.

    Hiervoor is al een voorbeeld van bijkomende schade genoemd: de introductie van kinderzitjes die ouders een misplaatst gevoel van veiligheid geeft. Dit fenomeen, dat het je verzekeren tegen mogelijke schade nieuw en averechts gedrag uitlokt, wordt in de economische literatuur ‘adverse selection’ genoemd. Als een bepaalde bank slecht presteert en gedwongen is haar rentetarieven te verhogen dan leidt dat tot een automatische selectie van de slechtere klanten. Immers: de beste klanten kunnen bij de renteverhoging het makkelijkst bij een andere goedkope bank terecht. Zo blijft de renteverhogende bank zitten met de kneusjes waardoor het nog slechter gaat met de bank en weer een renteverhoging volgt en zo door totdat de bank faillliet gaat. Voor ziekteverzekeringen geldt hetzelfde principe: hoe hoger de premie hoe meer dat vanzelf leidt tot de selectie van de mensen die de meeste kans op ziekte en dus onkosten maken. LD geven nog een mooi voorbeeld uit de praktijk. Prostituees zijn tegen extra betaling bereid tegemoet te komen aan vreemde verzoeken van de klant. Een ding staat echter buiten discussie: klanten moeten altijd een condoom gebruiken. LD vragen aan de prostituee of ze bereid is het zonder een condoom te doen als de klant 1 miljoen dollar wil betalen. Het antwoord is een resoluut nee: als een klant gestoord genoeg is om 1 miljoen te betalen voor een rondje onbeschermde seks, dan is het zo gevaarlijk dat hij koste wat kost vermeden moet worden. Oftewel: het is niet een willekeurige klant die de bereidheid toont, alleen de extreme gevallen zullen die bereidheid tonen.

    Technologie als oplossing voor alle problemen

    Aan het begin van de twintigste eeuw woonden en werkten er zo’n 200.000 paarden in New York, 1 paard op elke 17 mensen. En wat een problemen dat veroorzaakte: vreselijke opstoppingen, dode paarden op de weg die voor nog meer opstoppingen zorgden, maar het ergste was de mest. Waar laat je 2,5 miljoen kilo paardemest per dag? Op lege stukken grond was de mest tot soms wel 20 meter opgestoken, als het regende lekte een soepachtige stroom paardemest de kelders in (een reden waarom de woonruimte hoger werd gebouwd destijds). Maar al deze mest was een broedplaats voor vliegen en dodelijke ziektes. In 1898 vond in New York de eerste internationale stedenbouwkundige conferentie plaats. Er moest een oplossing komen voor de crisis waar alle grote steden in de wereld mee kampten. Maar niemand had een oplossing, de conferentie werd na 3 dagen opgebroken in plaats van de geplande 10 dagen.

    Het probleem verdween vanzelf, niet door een ingreep van mensen maar door een technologische vinding. De auto werd gezien als de redder van het milieu, over de hele wereld konden de mensen in de steden weer schone lucht inademenen. En zo leggen LD moeiteloos de link naar de hedendaagse klimaatcrisis. Waarom zouden we er nu veel tijd en geld insteken om het probleem op te lossen als de geschiedenis bewijst dat er steeds een nieuwe vinding komt (die minder kost dan alle huidige opties). De analyse van het klimaatprobleem is in de ogen van LD simpel: er is sprake van wat in economentermen ‘externaliteiten’ wordt genoemd. Er is sprake van een externaliteit als jouw gedrag tot (meestal negatieve) effecten leidt bij een ander en jij betaalt niet voor die door anderen geleden schade. Bij het winnen en afvoeren van kolen zijn de afgelopen eeuw honderdduizend mijnwerkers omgekomen en enkele honderdduizenden gestorven aan stoflongen. Dat zijn dus externaliteiten, de schade zit niet ingecalculeerd in de prijs van een kilo kolen. Of neem iets heel simpels: omdat er auto’s worden gestolen komt iemand op het idee een klem op zijn stuur te zetten. Het stelen van de auto wordt daardoor bemoeilijkt. Maar het effect is dat de auto die ernaast staat en geen stuurklem heeft ineens een veel grotere kans heeft om gestolen te worden. De eigenaar van de buurauto wordt zo geconfronteerd met extra kosten (gestolen auto of stuurklem) die hij niet vergoed krijgt.

    De oplossing voor het voorkomen van externaliteiten is in theorie ook simpel. Zorgen dat de extra kosten worden doorbelast, met andere woorden dat de externaliteit wordt geinternaliseerd. Theoretisch kan dan met de opslag iedereen schadeloos worden gesteld. Maar LD wensen iedereen die zo de milieucrisis wil oplossen veel succes. Kortom: alle hoop ligt in een nieuwe vinding. Als pleister op de wonde besteden LD een flink deel van het betreffende hoofdstuk aan een aantal technische oplossingen waar op dit moment aan wordt gewerkt. En dat is een mooi moment om over te gaan op de evaluatie van het boek …

    Evaluatie

    Een prachtig boek, vlot geschreven, overtuigende voorbeelden, echte eye-openers, leuke puzzeltjes voor op de camping op een stoeltje voor de tent. Een prima kijk op het economendenken, met zijn positieve maar ook met zijn mindere punten. Het boek is daarmee zeker geen kritiekloze oefening in marktdenken, maar laat ook zien hoe het fout of raar kan lopen. En de oplossingen van dat soort gevallen worden er ook niet altijd bij gegeven (kijk maar naar het kinderzitje, het is er gewoon en zal ook nog wel even blijven).

    Maar wat economen inderdaad hebben is dat heilige geloof in technologische vooruitgang. En het irritante is dat de geschiedenis ze daarin gelijk geeft. Persoonlijk vind ik de behandeling van de klimaatcrisis (maar in het kielzog daarvan: energiecrisis, voedselcrisis, financiele crisis) te makkelijk en zelfs gevaarlijk. Door dat eeuwige geloof in vooruitgang lijkt het allemaal mee te vallen, hoef ik mijn gedrag niet te veranderen. Hun analyse van Al Gore kan ik nog wel volgen. Gore die in zijn film mensen bang maakt en alleen maar met gedragsverandering lijkt te komen. En economen (mijzelf incluis) geloven niet in gedragsverandering zomaar, een beroep op de moraal doen gaat niet werken. Het gaat om het vinden van de palletjes in het complexe systeem van prikkels zodanig dat ongewenste externaliteiten en irrationaliteiten zoveel mogelijk worden voorkomen. Ook dat is economie. En daar laten LD het helaas afweten.

    De toekomst is groen (warm, plat en vol) (2008)

    Een samenvatting van het boek van Thomas Friedman in 10 stelllingen.

    1.Het jaar 2000 is de start van een nieuw tijdperk: het Energie- en Klimaat-tijdperk, kortweg EKT. Er komen drie grote trends samen, de wereld raakt voller (bevolkingsexplosie=tekort aan energie en grondstoffen), de wereld wordt warmer (uitstoot, vervuiling, verlies aan biodiversiteit) en de wereld wordt platter (mondiaal economisch netwerk). Dit is niet iets wat vanzelf overgaat, er is sprake van een trendbreuk en van ‘alarmfase groen’. Niets doen betekent onvermijdelijk en zeer snel afstevenen op een van de vele rampscenario’s.

    2.Het is de verslaafdheid aan olie van het Westen die de rest van de problemen veroorzaakt. Het Amerikaanse model is iedereen een auto, huis en tv met bijbehorende afhankelijkheid van energie en dus olie. De wereld raakt voller en platter betekent dat er miljarden van dergelijke consumenten bijkomen. Paradox is dat Amerika met haar olieverslaving haar eigen vijanden subsidieert en door het opstuwen van de olieprijs de democratie in de oliestaten om zeep helpt.

    3.Elk probleem in de ontwikkelde en ontwikkelings-wereld is tegelijkertijd een energieprobleem. Het aangrijpingspunt voor een mondiale oplossing zit daarom in het oplossen van het energievraagstuk. Volop schone energie betekent dat de warme wereld leefbaarder wordt, de platte wereld rechtvaardiger en de volle wereld comfortabeler.

    4.De oplossing is het vinden van nieuwe vormen van overvloedige, schone, betrouwbare en goedkope energie. Het gaat hier niet om ‘een uitvinding’ maar om een heel nieuw systeem om de economie aan te drijven. Halfslachtige oplossingen, ‘de 100 manieren om groener te leven en stapje-voor-stapje de planeet te redden’, gaan niet werken. Dit wordt DE klus van de eeuw die enorme inspanningen en offers zal vergen!

    5.De weg naar het nieuwe systeem verloopt langs twee parallelle sporen. Het eerste spoor is het opzetten van een energieweb, het tweede spoor is het afdwingen van een technologisch-innovatieve doorbraak.

    6.Energieweb (1). Hier komen IT (informatietechniek) en ET (energietechniek) samen. Alle apparaten die op het stroomnet zijn aangesloten moeten slim worden. Ze worden met slimme elektronica zo geprogrammeerd dat ze aan en uit gaan wanneer ze nodig zijn en wanneer energie tegen een gewenste prijs beschikbaar is.

    7.Energieweb (2). De aanbieders van energie gaan op continue basis en wederom ondersteund door slimme IT gedifferentieerd prijzen, goedkoop als er weinig vraag is, duur als er veel vraag is. Dit vergt een herorientatie op de inrichting en sturing van de energiebedrijven. Er dient een ontkoppeling van winst en verkoop bij de energiebedrijven plaats te vinden. Decentrale en aanvullende opwekking van energie moet gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Hier is een uitdrukkelijke rol weggelegd voor toezichtshouders en bestuurders, de markt zal dit niet automatisch oplossen!

    8.Een technologisch-innovatieve doorbraak. Om de kans hierop maximaal te maken zijn enorme investeringen in onderzoek nodig. Ook hier geldt dat de markt dit niet automatisch en vanzelfsprekend zal oppakken. Overheden dienen als first movers en versnellers op te treden en regels, afspraken, arrangementen, financieringsconstructies, subsidies en boetes in het leven te roepen. Het boek van Friedman is een oproep aan Amerika om hierin mondiaal het voortouw te nemen.

    9.Daarmee komt de oplossing van Friedman neer op – een schone manier van opwekken, – een energiezuinig netwerk, – een slim huis, – een slimme auto, – een slimme fabriek en – een slim systeem van beleid en financiele prikkels.

    10.Het woord ‘groen’ in een bijzondere betekenis zal moeten verdwijnen. Energiezuinig wordt de norm, andere mogelijkheden zijn er niet meer. Het gaat erom je concurrent ’te groen af te zijn’.

    Het wordt druk in de boardroom: een denkleiding voor inkopers

    Inkoop heeft binnen organisaties de laatste decennia veel bereikt. Volgens de auteur van het boek ‘Inkoop, een nieuw paradigma’, Gerco Rietveld, marcheert inkoop van backroom naar boardroom. Maar de marsroute in de goede richting kan niet worden afgemaakt omdat er sprake is van een glazen plafond, inkoop wordt door de bestuurders niet als een serieuze gesprekspartner gezien. Rietveld laat het in dit boek niet zitten bij een analyse maar komt ook met een oplossing.

    Wie is onze hopman in het slechten van het glazen plafond dan wel? Gerco Rietveld heeft een indrukwekkende carriere van 35 jaar in en rond de inkoop in diverse rollen en functies achter de rug. Rietveld eet en drinkt inkoop en hoewel ik niet eerder van hem had gehoord (zegt vooral iets over mij) zet ik hem hier maar weg als: we hebben hier niet te maken met de eerste de beste, Rietveld herken ik in dit boek als een helder en strategisch denker die zowel veel kennis heeft van de literatuur als van de rauwe praktijk van alledag, dus ‘mark his words’. Maar voor we tot overhaaste conclusies overgaan, laten we zijn redenering eens volgen.

    Inkoop heeft zoals gezegd een groei doorgemaakt, maar vooral in de uitwerking langs de operationele lijnen. Inkoop is binnen grote organisaties een aparte afdeling geworden en, historisch verklaarbaar, inkoop staat gelijk aan besparen van kosten. Inkopers hebben dit imago deels ook aan zichzelf te danken: het zijn doeners eerder dan denkers, ze stellen de vraag ‘wat gaan we doen’ eerder dan ‘wat willen we bereiken’ en het zijn dienstverleners eerder dan leiders. Logisch dat inkopers dan graag voor bestuurders werken en steeds willen laten zien hoeveel ze nu weer bespaard hebben. Inkoop kan pas veranderen als de inkopers (als beroepsgroep, als soort) veranderen.

    Waarom moet inkoop eigenlijk veranderen? Niet per se om in de boardroom te komen (daarover later meer). Om dat te snappen moeten we terug naar het oermodel van ondernemen. Dat bestaat uit slechts drie stappen: we kopen, we produceren, we verkopen. Een jonge succesvolle ondernemer snapt dat inkoop geen afdeling is maar een cruciaal onderdeel of functie van zijn bedrijf. Te prijzen in Rietveld is dat hij steeds terug gaat naar de basis en alles in heldere termen uitlegt (Rietveld beweert ergens dat mensen het vermogen hebben om zaken ingewikkeld te maken en heeft zijn vermogen wat dit betreft dus op een laag pitje gezet). We maken het oermodel een stapje ingewikkelder (daar gaan we al!), we gaan over op het denken vanuit ketens, ketens waarin waarde wordt gecreeerd van grondstof tot behoeftebevrediging van de consument. Eigenlijk kan de redenering van Rietveld aan de hand van dit schema (zie tekening uit boek) in drie stellingen worden samengevat:

      1.Een business-model draait om het creeren van waarde (dus niet om het minimaliseren van kosten of het maximaliseren van omzet).
      2.Het creeren van waarde gebeurt in ketens van toeleveranciers en afnemers.
      3.Vanuit onze organisatie (‘ons perspectief’) is er geen reden stroomafwaarts anders te denken dan stroomopwaarts. De redenering is spiegelbeeldig: strategisch moet je met je toeleveranciers net zo omgaan als met je afnemers of klanten.

    De conclusies voor inkoop volgen hier rechtstreeks uit. Inkoop moet ophouden met kosten besparen. Het gaat om het creeren van waarde voor de business, om ‘business-gedreven inkoop’. Steeds moet inkoop de vraag beantwoorden wat richting haar toeleveranciers nodig is om de organisatie te helpen haar gestelde doelen beter of sneller te bereiken. In een keten maken leveranciers evengoed onderdeel uit van het business-model als je klanten. Het vermogen om samen met je toeleveranciers waarde te creeren geeft het bedrijf en de keten een onderscheidend voordeel. Bij het doorbreken van het glazen plafond gaat het niet langer om het uitknijpen van je leveranciers, inkoop relaties zijn niet langer competitief en steeds wisselend van aard maar cooperatief en langdurig. Inkoop moet haar eigen leveranciers kiezen en de de door haar gekozen strategische leveranciers verleiden tot een alliantie (ik had het al over het spiegelen van inkoop aan verkoop, vandaar de term ‘reversed marketing’).

    Natuurlijk kun je dit niet zomaar stellen maar moet je het ook onderbouwen, liefst door met cijfers te laten zien dat het besparen van kosten per saldo niet leidt tot meer waarde, winst of hoe je je doelen ook maar hebt geformuleerd. Rietveld slaagt daar wat mij betreft prima in en structureert zijn boek met een eigen framework (zie bijgaand figuur uit boek). De middelste pilaar (de zogenaamde ‘backbone’) is hier leidend en verbindt (‘lijnt uit’) de strategie met de tactiek met de operatie van inkoop. Onderweg worden langs de lijnen van dit framework vele modellen en sjablonen besproken die de inkoper helpen zijn glazen plafond te doorbreken en waarde te gaan toevoegen.

    Maar er is nog een lange weg te gaan, er zijn hobbels te nemen. Voorwaarde voor dit hele betoog is dat het bestuur van deze organisatie zijn strategische huiswerk goed heeft gedaan. En Rietveld laat zich in dit boek tussen de regels door regelmatig ontvallen dat hij ook hier zijn twijfels heeft. Bestuurders zijn zelf lang niet altijd bezig met het onderscheidend vermogen van hun organisatie, maar met producten, markten, marges en het maken van ‘interessante deals’. En ze kijken vooral naar financiele cijfers (de outputs) en minder naar cijfers die direct relateren aan hun business-doelstellingen (de outcomes). Oftewel: inkopers worden al niet serieus genomen door bestuurders, maar nu moeten ze ook nog eens gaan uitleggen dat ze niet langer bestaan om kosten te besparen aan een gehoor dat vooral kosten wil besparen. En dan nog zo’n hobbel die hier mee te maken heeft: Rietveld houdt een terecht pleidooi dat het bij waardecreatie niet gaat om kosten of omzet of zelfs winst, het gaat om vrije kasstromen die vanaf heden tot in de toekomst gegenereerd kunnen worden (in vaktermen: discounted cashflow DCF of netto contante waarde NCW). Rietveld laat zich ergens ontvallen dat bestuurders eerder gaan voor ‘cash is king’ dan voor DCF of NCW. In andere woorden: er is hier een conflict tussen korte en langere termijn met een ingebouwde bias van bestuurders om te gaan voor het korte termijn oppoetsen van de verkeerde cijfers met de verkeerde motieven.

    Ik heb eigenlijk geen kritiek op dit boek, het is gewoon een must voor inkopers dit boek te bestuderen, hier is een man met een missie, met een visie, met een strategie en met een tactiek (geheel volgens de eigen opzet, the man walks his talk) en dan ook nog in duidelijke taal uitgelegd. Maar als ik dan een puntje moet noemen dan is het dit conflict bij bestuurders tussen korte en lange termijn. Gelooft Rietveld dat de marktwerking sterk genoeg is om dit probleem uit de wereld te helpen? Komen de strategen vanzelf bovenop de stapel te liggen? Rietveld laat overtuigend zien dat het verlengen van de betalingstermijn richting je toeleveranciers een niet ethische truc is die eenmalig de cijfers oppoetst. Met beschadiging van vertrouwen als gevolg, daarom niet duurzaam en aantoonbaar vernietiging van waarde in de keten. Maar kijk eens om je heen, het gebeurt weer volop. Zoals Rietveld zelf al zegt: ‘boardroom alignment’ is geen ‘strategic alignment’.

    Kijk op ketens (2009) van Jan Grijpink en Marijn Plomp (red)

    Het ketenlandschap van Nederland

    Jan Grijpink is sinds Maart 2004 bijzonder hoogleraar Informatiekunde aan de Faculteit Betawetenschappen van de Universiteit Utrecht met als leeropdracht Keteninformatisering in de Rechtstaat. Daar heeft hij de laatste jaren op geheel eigen wijze een theorie over de samenwerking in ketens ontwikkeld. Ik had al eerder kennis gemaakt met zijn gedachtengoed maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zijn werk voor een relatieve buitenstaander minder toegankelijk is. Het boek ‘Kijk op ketens’, dat vorig jaar in eigen beheer is verschenen, brengt daar nu verandering in. Voor het eerst staan alle elementen van zijn werk bij elkaar in een handboek en wordt de theorie toegepast op een aantal praktijksituaties.

    Achtergrond

    Waarom is het werk van Grijpink en zijn studenten interessant? Omdat het gaat over de grootschalige toepassing van informatie- en communicatietechnologie waar veel partijen en veel geld mee gemoeid is. Grootschalige toepassing van ict in ketens levert zelden tot nooit op wat men er van verwacht. Hoe komt het dat de resultaten zo teleurstellend zijn en hoe zorgen we ervoor dat de inspanningen wel de gewenste effecten hebben? En om de verwachtingen maar meteen te temperen: Grijpink geeft geen opsomming van handige tips en trucs waardoor we onze dure ict-projecten wat op kunnen poetsen. Hier geen makkelijke pasklare recepten. De analyse is eerder complex en in mijn ogen ook onconventioneel. En de uitkomst zal voor veel betrokkenen teleurstellend zijn: grootschalige ict-projecten in ketens van samenwerkende partijen zijn logischerwijs meestal gedoemd te mislukken. De oplossing ligt in enerzijds de focus leggen op kleinere delen van de keten waar wel voortgang valt te verwachten, en het wegmanagen van onrealistische verwachtingen anderzijds.

    Misschien geen boodschap die snel zal aanslaan, wel een boodschap die in actualiteit alleen maar zal toenemen. Onze maatschappij wordt steeds complexer en internationaler. Meer partijen zijn noodgedwongen van elkaar afhankelijk en zullen hun acties op elkaar moeten afstemmen. De gevolgen van verkeerde beslissingen lijken hiermee ook alleen maar groter te worden. ICT neemt ondertussen een steeds belangrijkere plek in. ICT koppelt partijen en transacties snel en transparant aan elkaar. De recente kredietcrisis lijkt een logisch gevolg van deze mogelijk giftige mix aan ingredienten: meer partijen, meer onderlinge vervlechting, snellere acties en reacties, koppeling door complexe ict-systemen, geen sturing vanuit het grotere geheel of de keten maar sturing alleen vanuit de individuele belangen. Of de kredietcrisis overigens een actueel maatschappelijk probleem is waar je de inzichten van de keteninformatisering van Grijpink op toe kan passen was voor mij wel een leidende vraag bij het lezen van het boek maar meteen een vraag waarop ik het antwoord nog niet helemaal heb gevonden.

    Visie

    Wat is een keten in dit verband? Een keten is een samenwerking van een groot aantal autonome partijen in de publieke, semi-publieke en private sector die samen maatschappelijke producten en diensten moeten opleveren. Niemand van de partijen is de baas, niemand kan een ander zijn of haar wil opleggen, elke partij is in wezen autonoom. Deze samenwerking kost veel tijd en geld en beperkt de autonomie van de deelnemende organisaties. De visie nu is dat samenwerking alleen loont als het inleveren van die autonomie voldoende oplevert voor de betreffende partij. Grijpink keert de redenering daarom om: het dominante ketenprobleem is de baas en definieert de ketensamenwerking. Samenwerking komt vooral tot stand rond een probleem dat alle ketenpartners gezamenlijk moeten oplossen om niet in opspraak te komen.

    Op het niveau van een keten doen zich andere krachtenvelden voor dan in kleinschalige situaties. Om te beginnen is de rationaliteit die je bij individuele partners nog wel ziet op ketenniveau vaak ver te zoeken. Irrationaliteit, tegenwerking en onvoorspelbaarheid zijn troef. In het verlengde hiervan is op ketenniveau en in grootschalige ict-projecten vaak sprake van zogenaamde niveauvergissingen. Een niveauvergissing treedt op als je lessen die je uit kleinschalige situaties hebt geleerd (experimenten, pilots) ineens van toepassing gaat verklaren op een hoger systeemniveaus (zoals dat van ketens).

    Dit verklaart dus het mislukken van grootschalige ict-projecten. Om deze fiasco’s te voorkomen komt Grijpink in de kern met twee oplossingen of aanbevelingen. Een: analyseer het probleem en kijk of dat voldoende gewicht in de schaal legt om de partijen in de keten bij elkaar te brengen. Als het probleem onvoldoende zwaar of serieus is dan is samenwerking gedoemd te mislukken. Twee: los alles wat je op het lagere (partijen-) niveau kunt oplossen op dat lagere niveau op en los op het hogere ketenniveau die zaken op die alle partijen aangaan en niet elders kunnen worden belegd. In de analyse van Grijpink wordt gesproken over het grondvlak van de keten (het niveau van de partijen zelf, waar je dus zoveel mogelijk moet oplossen) en over het eigenlijke ketenniveau (de zaken die alle partijen bindt, wat niet op het niveau van het grondvlak kan worden opgelost).

    Wellicht ten overvloede: de keten heef nog geen echt probleem als sprake is van te hoge kosten, van een te lage efficiency of van bepaalde wet- en regelgeving die in de weg zit. Dat is allemaal onvoldoende om de ketensamenwerking te laten slagen. Er is pas sprake van een dominant ketenprobleem (en dus van effectieve samenwerking op dat niveau) als sprake is van imagoschade voor de keten als geheel, van levensbedreigende of sociaal ondermijnende incidenten, van kans op herhaling, van kans op escalatie, van publieke verontwaardiging of van internationale politieke druk.

    Analyse

    In mijn beleving ligt de nadruk van het werk van Grijpink op de analysefase en minder op de oplossingsfase. Het gaat eerst en vooral om de goede dingen doen om daarna pas in te kunnen zoomen op de dingen goed doen. Een flink deel van het boek is daarom gewijd aan de analyse van het probleem en de keten. In welke gevallen is het probleem dringend genoeg en welke keten hoort daar dan logischerwijs bij? De grootste winst zit dan in het voorkomen van het opstarten van grootschalige ict-projecten die door hun aard gedoemd zijn te mislukken.

    Om de analyse strak te houden werkt Grijpink met een toetsingskader voor de noodzaak en haalbaarheid van gezamenlijke keteninformatisering. Dat toetsingskader bestaat uit vier zogenaamde toetsingsprofielen. Het gaat achtereenvolgens om:

    • doelprofiel
    • coordinatieprofiel
    • informatieprofiel
    • samenwerkingsprofiel
    De eerste drie profielen bepalen in gezamenlijkheid de noodzaak van (keten-) informatisering op het hogere niveau van de keten. NB: ik spreek hier verder kortheidshalve over ‘samenwerking’ in de keten waar formeel in dit toetsingskader wordt bedoeld: het gezamenlijk opzetten van ketenprojecten en de daarmee beoogde keteninformatiesystemen op het hogere niveau van de gehele keten. De samenwerking in de keten is pas noodzakelijk als alle drie de profielen op ‘groen’ staan. Het laatste profiel bepaalt vervolgens of de samenwerking ook haalbaar is. Een korte toelichting omdat een volledige uitwerking van deze profielen hier niet op zijn plaats is. Ik heb ter illustratie een aantal plaatjes uit het boek van Grijpink toegevoegd. Eerst het algemene stappenplan om de ketenanalyse uit te voeren, daarna voorbeelden van ingevulde toetsingsprofielen. De ingevulde toetsingsprofielen zijn ontleend aan de ‘rampenbestrijdingsketen’. De ketenopgave daarbij is ‘het voorkomen van rampen’, het dominante ketenprobleem dat sturing aan de keten geeft is ‘het voorkomen van ontoereikende bestrijding door een gebrek aan een totaalbeeld van de samenloop van risico’s op een locatie’.

    In bovenstaand stappenplan is in 9 stappen beschreven hoe Grijpink een keten te lijf gaat. Stappen 1 tot en met 4 hebben betrekking op het doelprofiel. Stappen 5 en 6 beschouw ik als een eerste ’tussenconclusie’ op basis van het uitgewerkte doelprofiel. Stap 7 bepaalt het coordinatieprofiel en stap 8 het informatieprofiel. Stappen 1-8 bepalen daarmee de noodzakelijkheid van de samenwerking. Stap 9 tenslotte bepaalt het samenwerkingsprofiel en geeft de haalbaarheid van de samenwerking aan. De samenwerking (nogmaals: in termen van het gezamenlijk opzetten van een grootschalig keteninformatiesysteem) kan pas succesvol zijn als zowel noodzaak als haalbaarheid is aangetoond.

    Hierboven is het ingevulde doelprofiel te vinden van de rampenbestrijdingsketen. Op dit moment gaat er blijkbaar nogal eens iets mis bij het bestrijden van rampen. Allerlei partijen als meldkamers, brandweer en politie komen in actie. Maar blijkbaar ontbreekt het totaalbeeld van de samenloop van risico’s op een locatie. Het is duidelijk dat de keten in opspraak komt als het fout gaat. Ook gaat het hier om levensbedreigende situaties met kans op herhaling. Kortom: het doelprofiel komt tot een noodzaak van samenwerking.

    Het coordinatieprofiel stelt vast van welke ketenstructuur sprake is. De vraag is of sprake is van een eenvoudige lineaire keten waar de ene partij gereed is en het stokje dan overgeeft aan de volgende partij, of dat sprake is van een complexe en simultane interactie van meerdere partijen in de keten. Als sprake is van een lineaire keten dan bepaalt het profiel dat samenwerking in een keten geen noodzaak is. In het geval van de rampenbestrijding is echter sprake van een complexe keten en dus staat het stoplicht wederom op groen (conclusie in de tabel: een keteninformatiesysteem is noodzakelijk).

    Het informatieprofiel hierboven zet de eerder gevonden processtappen (anticiperen, voorkomen etc) af tegen een aantal kernbegrippen zoals kritieke gegevens en belangrijke loketten van de keten. Ook nu weer is het zaak om te kijken of er sprake is van een lineaire logica in het overdragen van informatie per stap van het ene naar het andere ‘loket’. Als dat het geval is dan geldt: een gezamenlijk keteninformatiesysteem is niet noodzakelijk. Grijpink voert hier de term ‘breuklijn’ in. Als sprake is van een breuklijn dan wordt de lineaire overdracht doorbroken en is sprake van complexere informatie-uitwisseling tussen partijen en is een keteninformatiesysteem wel noodzakelijk.

    Kijken we naar de rampenbestrijdingsketen (als voorbeeld) en de eerste drie toetsingsprofielen dan is de conclusie dat vergaande samenwerking in de keten noodzakelijk is. Als ieder voor zich met zijn eigen systemen en afspraken blijft werken zal de kans op herhaling van fouten en dus reputatieschade groot blijven.

    Maar noodzaak is nog niet voldoende garantie. Samenwerken op dit ketenniveau doe je pas nadat je stappen in die samenwerking hebt gezet van simpel naar meer complex. In het samenwerkingsprofiel is het niveau van de samenwerking (van ondersteunend tot beleidsmatig, van operationeel tot strategisch) afgezet tegen de samenwerkingsvorm (van informeel overleg tot vergaande ketensamenwerking waarbij gezamenlijk beslissingen worden genomen). Het idee hier is dat ondersteunende samenwerking makkelijker is dan beleidsmatige samenwerking (want de autonomie wordt minder aangetast) en dat informele vormen van samenwerking makkelijker zijn dan formele en belissingsbevoegde vormen van samenwerking. In het profiel worden de cellen waar de keten op dit moment aan voldoet ingekleurd. Een vorm van ketensamenwerking is pas haalbaar als er geen witte cellen zijn tussen de praktijk en de noodzakelijke vorm van (keten-) samenwerking. Helaas volgt uit de analyse van de rampenbestrijdingsketen dat de ketensamenwerking geen haalbare kaart is op korte termijn.

    De praktijk

    Zoals ik al zei: Grijpink’s aanpak betreft vooral de analyse en daarmee is de route die van preventie van onnodige en onhaalbare samenwerking. Het toetsingskader is daarom behoorlijk uitgewerkt en beslaat het grootste deel van het boek. Maar naast het toetsingskader is er ook een sturingskader. Het toetsingskader bepaalt of we de goede dingen doen, het sturingskader bepaalt dat we de dingen goed doen. Wellicht doe ik de enkele hoofdstukken die over het sturingskader gaan tekort, maar feitelijk komt Grijpink tot een aantal tips in de vorm van:
    • zorg dat de kritieke informatie uit de keten wordt ingebed in het werkproces
    • kritieke informatie moet worden gebracht, niet gehaald
    • de informatiestructuur moet zo kaal mogelijk zijn
    • gegevens worden na gebruik weggegooid
    • het werken met de kritieke gegevens mag geen keurslijf vormen voor de ontvanger
    • doelstellingen van de ketensamenwerking moeten toekomstvast zijn
    Het lukt mij als lezer echter niet om concrete uitgewerkte oplossingen voor bestaande maatschappelijke problemen en de daarbij horende ketens te vinden. Misschien is dat voor een boek van papier ook een onmogelijke opgaaf (is dat zo? hoewel het grotendeels om software, systeem-, protocol-, uitwisselstandaarden- oplossingen gaat, zijn er ook afspraken gemaakt over vergaderfrequenties, notulen, hoe vaak komen we met wie bij elkaar, wie besluit over wat, hoe houden we elkaar daar aan, wat zijn sancties, kortom allemaal gewone mensendingetjes).

    Ik sluit de inhoud van het boek af met een overzicht van een aantal ketens om zo een indruk te geven van waar het ketenlandschap over gaat.

    Evaluatie

    Eindelijk een boek waarin de materie over de ketenaanpak overzichtelijk bij elkaar staat. De aanpak is innovatief en staat daarmee op eenzame hoogte. De toenemende complexiteit van onze maatschappij en recente crises zullen deze aanpak alleen maar meer actualiteitswaarde geven de komende jaren. Met name het analyse-instrumentarium is behoorlijk ver en diepgaand uitgewerkt en ook is inmiddels een flink aantal studies en onderzoeken beschikbaar die meer zicht geven op het ketenlandschap van Nederland (noot 1).

    Maar er zijn ook wat kanttekeningen te plaatsen. Om te beginnen is de aanpak van Grijpink streng tot zeer streng. In nagenoeg alle gevallen blijkt ofwel niet sprake te zijn van een dominant ketenprobleem (waarover hierna meer), ofwel is wel sprake van een dominant probleem maar wordt niet voldaan aan de noodzaak, ofwel er is wel sprake van een dominant ketenprobleem en er is een noodzaak maar uiteindelijk is sprake van onhaalbaarheid. De aanpak van Grijpink laat daarmee vooral zien hoe lastig het is om op een hoog niveau in de keten een keteninformatiesysteem op te zetten. Het boek is daarmee eerder een goed onderbouwde waarschuwing om al te snel in ketens iets te willen oplossen dan een ‘how-to’ aanpak om tot succesvolle ketensamenwerking te komen en problemen effectief te lijf te gaan. Ongetwijfeld hebben Grijpink en zijn studenten dit bezwaar zelf ook gevoeld en zo heeft hij een paar mensen aan het werk gezet om eens te onderzoeken in hoeverre partijen rijp gemaakt kunnen worden om alsnog tot samenwerking te komen, te onderzoeken in hoeverre bepaalde stappen kunnen worden versneld (door bijvoorbeeld praktijklessen uit de ene sector te ‘implanteren’ in de andere sector). Helaas laten de uitkomsten van deze studies zien dat we daar weinig van mogen verwachten.

    Als we deze praktijkbeperking even laten voor wat hij is (Grijpink kan er tenslotte ook niets aan doen dat samenwerking in ketens nu eenmaal lastig is), dan het analyse-instrumentarium. Ik heb een enorm respect voor wat hier aan denkwerk bij elkaar is gebracht. Het hele bouwwerk oogt solide en consistent. Het nadeel daarvan is mogelijk wel dat we hier te maken hebben met een complexe en weinig toegankelijk benadering. Heb niet de illusie als adviseur of beleidsmaker dat je dit ‘wel even’ doet. Ik zie de veel gevraagde consultancy-firma’s van Nederland nog niet zo snel met deze aanpak de boer op gaan: veel te veel werk, veel te duur, veel makkelijker om met een andere verhaaltje je omzet te halen. En hoe is het gesteld met de andere kant van de tafel, met de opdrachtgevers? Zit een opdrachtgever te wachten op een dergelijk genuanceerd verhaal? Gaat hij betalen voor de boodschap dat dit project niet haalbaar is en nooit kan slagen? Dat hij meer bescheiden en kleine dingen moet doen en dat hij er toch echt 10 jaar voor uit moet trekken om stappen te zetten? We willen toch allemaal in onze ‘moments of fame’ een paar stoere dingen doen en wat lintjes doorknippen? Dat het allemaal niet lukt is een lastige boodschap en bovendien gaat dat pas blijken als jij met pensioen bent en dan is de wereld weer veranderd. Feitelijk is precies ook hier sprake van een ‘onderzoeks-uitvoerings-keten’ die zich lastig laat besturen naar meer succesvolle grootschalige projecten. Aardige kost lijkt me voor een volgende afstudeerder.

    Terug naar het begin: mag ik mijn intuitie ook laten spreken?

    Mij gaat het niet zozeer om een aanpak alswel om oplossingen of zicht daar op. Er zijn veel maatschappelijke vraagstukken waar veel partijen bij betrokken zijn en waar maatschappelijke schade door wordt opgelopen. Hoe pak je zoiets nu aan? Hoe kun je die schade (deels) voorkomen? Waar staat in het veld aan aanpakken of methodieken deze Grijpink-keten problematiek? Hoe zit het als het niet specifiek gaat om informatie als wezenlijk of kritisch element? Wat kunnen we in zijn algemeenheid van deze aanpak overnemen of leren, waar vult het andere inzichten aan, ook als het begrippenkader uitwijst dat strikt genomen niet sprake is van een keten of van een dominant ketenprobleem? Ook had ik tijdens het lezen van dit boek de neiging het veel gebruikte woord ‘samenwerking’ in de normale dagelijkse betekenis te interpreteren. Strikt genomen lezen we in dit boek niet dat we niet kunnen of mogen samenwerken in ketens maar dat grootschalige keteninformatisering op verklaarbare wijze zelden de gewenste resultaten oplevert. Maar ik wil ook gewoon weten: hoe kunnen we nu zinvol samenwerken in (delen van de) keten, op welke manier dan ook, met of zonder ict, om gemeenschappelijke problemen die maatschappelijke schade veroorzaken tot een oplossing te brengen?

    Ik zou graag eens wat vingeroefeningen doen. Ik weet al op voorhand dat ik er niet helemaal uitkom en dat ik er voor een verdere uitwerking anderen bij nodig heb. Ook weet ik al op voorhand dat ‘mijn’ problemen of voorbeelden niet het toetsingskader van Grijpink zullen doorstaan. Toch stip ik maar een paar willekeurige ‘ketenproblemen’ aan.

    Frisse scholen. Veel scholen zijn slecht gebouwd en kennen een ongezond binnenklimaat. Dit leidt tot slechtere leerprestaties en gezondheidsklachten. Partijen die zijn betrokken bij de huisvesting van basisscholen zijn oa gemeente, ggd, astmafonds, school, architect, installateur. Er lijkt gebrek aan kennis, er is sprake van een verkokerde sector met gevestigde belangen. De keten kan in opspraak komen, er is kans op reputatieschade van gemeenten, van architecten. Het dominante ketenprobleem is om leerlingen een goede leeromgeving te bieden in huisvestelijke zin en/of gezondheidsklachten te minimaliseren. Gebrek aan gezag? Waarschijnlijk kan een gemeente hier dicteren wat er gebouwd moet worden (in theorie althans). Dat ze dat niet of onvoldoende doen is niet ‘het’ probleem van de keten, dwingt niet tot samenwerking.

    Fileproblematiek. Elke dag is sprake van ergernis, van onnodige uitstoot van schadelijke gassen, van onnodige verspilling van schaarse brandstof, van verlies aan productieve uren. Partijen in de ‘keten’ zijn automobilisten, werkgevers, rijksoverheid, anwb. Kan de keten in opspraak komen? Is sprake van een dominant ketenprobleem? Waarschijnlijk niet. Rondom een thema als rekeningrijden dan? Ik kan het niet overzien. Gebrek aan gezag? De Rijksoverheid (politiek) kan rekeningrijden gewoon invoeren, vervolgens zijn er technische problemen die opgelost moeten worden?

    Kredietcrisis. Duidelijk dat het hier om een maatschappelijk probleem gaat. Er is sprake van een flinke reputatieschade van de bankensector, maar ook van financiele schade op grote schaal. Partijen zijn: overheden, banken, burgers/klanten, bedrijven, toezichthoudende instanties. Ketenprobleem: voorkomen dat de stabiliteit van de sector in gevaar komt door onvoldoende inzicht in de risico’s en mogelijk gebrek aan vertrouwen. Hier is gebrek aan gezag, zeker in internationale zin. Er zijn toezichthoudende instanties (DNB, AFM) maar niet op internationale schaal.

    Ook hier moeten we toch vorderingen maken? Ook al is hier sprake van chaos, onvoorspelbaarheid etc. Anders komt de wetenschappelijke keten in opspraak…

    Het boek is te verkrijgen via de site www.keteninformatisering.nl

    Noot 1: Het lijkt er op dat deze aanpak van Grijpink een echt eigen Nederlandse vinding is. Toch is de problematiek bij uitstek internationaal. Mist deze aanpak dan aansluiting bij een grotere groep internationale onderzoekers? Hoe valt dat te verklaren?

    Een wereld zonder oorlog?

    overdenkingen met betrekking tot MGA en organisaties op basis van Martin van Creveld ‘The culture of war’ (2008)

  • Kan alles in goed overleg worden opgelost? Waar liggen de grenzen van volwassen mensen die in goed overleg tot de beste oplossing komen?
  • Wat is de rol van conflict en oorlog in onze moderne samenleving?
  • Hoe zit het met primitieve drijfveren van mensen in evolutionair perspectief?
  • Welke overeenkomsten zijn er tussen legers en bedrijven?
  • Welke overeenkomsten zijn er tussen oorlog voeren en winst maken?
  • Zijn we vergeten dat het begrip strategie zijn oorsprong vindt in oorlog voeren?
  • Een boek over oorlog, wat heeft dat te maken met strategie en organisaties? Aanvankelijk heb ik dit boek ook niet gelezen met deze bril op. Ik was op vakantie in Frankrijk en wil dan altijd een wat dikker en ‘serieuzer’ boek lezen. Dit jaar had ik met dat doel ‘The cutlure of war’ van Martin van Creveld meegenomen. Van Creveld was eerder dit jaar (2009) in Nederland om de Nederlandse vertaling van zijn boek te promoten en naar aanleiding van een stuk in de Volkskrant was mijn interesse voor dit boek gewekt.

    Tijdens het lezen van dit boek bekroop met het gevoel dat oorlog en de bijbehorende cultuur meer te maken heeft met de organisaties waarin we werken en producten maken dan ik had kunnen denken. Ik houd me in mijn vak en hier op de site bezig met drie thema’s:

  • Strategievorming
  • Mutual Gains Approach
  • Bedrijfsbegeleiding of Waardecreatie
  • Met alle drie de thema’s zijn met wat goede wil dwarsverbanden te leggen. Het systematisch nadenken over hoe je de vijand te slim af kunt zijn door hem te verrassen is in de praktijk en theorie van oorlogsvoering ontstaan vanaf de oude Grieken en staat bekend als ‘strategie’. Strategie vindt dus zijn oorsprong in oorlogsvoering. Wat de bredere oorlogsliteratuur ons bedrijfsadviseurs over strategie kan leren (wat niet al genoegzaam bekend is) vind ik een boeiende vraag en wil ik later nog eens oppakken. Dit boek van Van Creveld gaat over de oorlog en de bijbehorende cultuur en gaat dus niet expliciet op strategie ‘as such’ in.

    De Mutual Gains aanpak gaat ervan uit dat je er onderling uit moet komen bij een conflict. We zijn verstandige mensen en door het maken van goede afspraken en het op tafel krijgen van alle relevante informatie creeer je oplossingen die voor iedereen beter uitpakken. In die zin is MGA een strategie om conflict of ‘oorlog’ te vermijden. Volgens Van Creveld is het structureel vermijden van oorlog een illusie en eigenlijk zegt hij dus dat MGA alleen tussentijds en tijdelijk wat soelaas kan bieden. Dat er mogelijkheden bestaan waar wij allemaal beter van worden is blijkbaar onvoldoende garantie, blijkbaar is er meer aan de hand. MGA is win-win, oorlog heeft veel weg van loose-loose. Waarom is oorlog dan zo’n constante in onze wereldgeschiedenis?

    Wat ik bij bedrijven probeer te doen heeft alles te maken met waardecreatie. Hoe kan de omzet omhoog, hoe minder onnodige kosten te maken, hoe meer grip te krijgen op de organisatie, hoe beter meten of de gestelde doelen worden behaald, hoe tot meer winst of rendement te komen? Kortom: hoe kunnen we meer waarde creeren voor directeur, aandeelhouders, werknemers, klanten en welke belanghebbenden of stakeholders er nog meer in het spel betrokken worden. Kijkend naar de kredietcrisis en klimaatcrisis en de actuele discussies daarover is er in het bedrijfsleven meer aan de hand dan waardecreatie. Het marktdenken propageert een automatische werking van waardecreatie. Maar blijkbaar gaat het ook om het vernietigen van waarde, niet zozeer als onvermijdelijke bijkomstigheid van ons handelen (waar gehakt wordt vallen spaanders) maar intrinsiek, inherent en deels gewild, bewust en misschien zelfs opzettelijk. Oorlog gaat over de vernietiging van waarde. Als het klopt wat Van Creveld te melden heeft dan gelden zijn lessen ook voor wat we dagelijks binnen onze organisaties doen.

    Tot zover dus de legitimatie van het verwijzen naar een boek over oorlog op deze plek. Een aantal stellingen die in mijn ogen de kern van het boek van Van Creveld pakken:

    Stelling 1: oorlog is van alle tijden en plaatsen. Het vechten en oorlog voeren zit als het ware in onze genen verankerd.

    Stelling 2: oorlog heeft deels een nuttige en rationele kant, maar vooral ook een niet rationele of culturele kant.

    Stelling 3: de tijd van de grote oorlogen tussen natie-staten onderling lijkt voorbij, dat heeft vooral te maken met de introductie van atoomwapens.

    Stelling 4: oorlogen gaan ook in deze tijd van ogenschijnlijke wapenstilte onverminderd door op ‘kleinere’ schaal.

    Stelling 5: de huidige situatie wordt ook wel gekenschetst als een stability-instability paradox: het is stil maar elk moment kan de bom barsten.

    Stelling 6: een leger is een efficiente manier van oorlog voeren. Er zijn andere minder georganiseerde manieren om oorlog te voeren en ook bij een leger kan de neiging tot steeds grotere efficientie omslaan in zijn nadeel.

    Stelling 7: sexe-verschillen tussen man en vrouw verklaren veel van onze neiging om oorlog te willen voeren.

    Vervolgvragen (uitwerking ervan nog eens apart oppakken): op welke manieren kan oorlog en vernieting van waarde worden voorkomen? Bestaan er moderne vervangers van oorlog en vechten? En hoe houdbaar of duurzaam is dit allemaal?

    Social Returns On Investment

    Steeds weer blijkt het goed inzichtelijk krijgen van de lange termijn voor- en nadelen in financiele zin een probleem bij complexe projecten. In mijn ervaring worden hier traditionele concepten en oplossingen ingezet die de projecten en opdrachtgevers vaak niet de ruimte geven die nodig is. Er is grote behoefte aan nieuwe aanpakken. De grote bureaus laten het hier afweten in mijn ogen. Binnen de MGA aanpak hebben we nu een rekenmethodiek ontwikkeld die innovatief is en kansen biedt. Het is een aanpak die nog in ontwikkeling is en het zich baseert op de inzichten van ‘Social returns on investment’ oftewel SROI. ‘Slimme financiering’ kan helpen om duurzame oplossingen die economisch rendabel zijn maar door de traditionele aanpak buiten de boot vallen toch te implementeren.

    Creativiteit. Hoe? Zo!

    MGA is een mooie en gestructureerde manier om tot wederzijds voordeel (mutual gains) en consensus te komen. MGA heet in sommige artikelen en boeken ook wel Consensus Building Approach (CBA). Toch mis ik in de aanpak een aantal zaken. Op persoonlijk niveau ontbreekt in de huidige systematiek diepgang. MGA heeft toch de kenmerken van een projectmatige aanpak en minder plek voor diepergaande persoonlijke vragen om de drives van individuen bloot te leggen. Ik kies in dat geval voor de methodiek van Guus Hustinx die met zijn ‘speelveld der verandering’ veel handvaten biedt om door te graven over persoonlijke motieven en diepere drives. Guus gaat met zijn aanpak terug naar het NLP gedachtengoed. Ik heb Larry Susskind eens gevraagd hoe hij tegen NLP als aanvullende systematiek kijkt. In een e-mail antwoordde hij mij dat hij weinig gecharmeerd is van NLP: niet-wetenschappelijk en te soft. Jammer, maar niet geheel onverwachts.

    Een andere zaak die mist in de MGA-aanpak is het ludieke element. Vaak komt een sessie met een grotere groep aanvankelijk wat moeilijk op gang. De deelnemers zien elkaar vaak voor het eerst en zitten er vanuit hun positie (vaak leidinggevenden met een eindverantwoordelijkheid voor hun organisatie) en achtergrond (vaak wat ouder, formele opstelling) onwennig bij. In dat soort gevallen zijn opwarmertjes die ludiek en educatief zijn vaak nuttig. Hoewel dit ook niet mijn ding is, heb ik met dank aan Martin Bakker hiervoor het boek ‘Creativiteit. Hoe? Zo!’ van Igor Byttebier gevonden.

    Voor de duidelijkheid: met MGA is niets mis, ik denk alleen dat het aan kracht wint als het wordt aangevuld met elementen van andere aanpakken en inzichten.

    Master-thesis MGA 2010

    Een thesis rondom de praktijk van een gelopen MGA-traject waarbij de ondergetekende een van de procesbegeleiders was (traject 2009, thesis 2010).
    klik hier voor download masterthesis 2010
    Een tekst van alweer bijna 10 jaar geleden…

    Voorwoord ‘Nix is wat het lijkt’
    (Eburon, 2001)

    Vertel even waar dit boek over gaat.
    Niets is wat het lijkt. Het is een boek over paradoxen en absurditeiten. De werkelijkheid steekt veel ingewikkelder in elkaar dan wij denken. Wij denken als mens een hogere soort te zijn, wij denken meer te zijn dan de dieren met hun platte strijd om te overleven. Maar alles wat anders aan ons is, blijkt ook strijd te zijn, alleen is het subtielere strijd, een strijd om ideeEn, een strijd om aandacht, een strijd om beroemdheid en om aantrekkelijkheid. Cultuur is niet zo verheven als het lijkt. Eeuwen hebben we bloed vergoten en onze vrijheid bevochten. We hebben de natuur naar onze hand gezet en uitvinding na uitvinding gedaan om onze situatie te verbeteren. Het is ons aardig gelukt, we hebben ons omringd met welvaart en met vrijheden, we kunnen kiezen wat we willen. Maar nu blijkt dat we helemaal geen vrijheid willen, we doen het liefst wat een ander ook doet. Nog nooit hadden we zo veel zenders op tv tot onze beschikking, maar nog nooit was de eenvormigheid van de programma’s zo groot. Als het een dagje mooi weer is, staan we allemaal met de neuzen van dezelfde auto’s dezelfde kant richting Zandvoort en Scheveningen op. We willen keuzes maar we willen niet kiezen. We willen ons associeren met winnaars en er kunnen per definitie maar enkele winnaars zijn. Onze hersens kunnen te veel vrijheid niet aan, daarvoor is onze geheugencapaciteit te beperkt. Onze hersens moeten zuinig met informatie omgaan, onze hersens zijn gemaakt om de wereld zo simpel mogelijk voor te stellen, om de wereld in een beperkt aantal heldere vakjes in te delen. We denken van nature in top-10’s. Wie is er deze week weer met stip gestegen? Daarom willen we helden en beroemdheden hebben, die maken de wereld een stuk simpeler voor ons. Het rare is dat die helden wel heel gewoon moeten blijven. Zo las ik een stuk in de krant over Nederlandse popmuziek. Er is een stroming van soortgelijke Nederlandse bands, allemaal bewust Nederlandstalig zingend, allemaal over de eenvoudige dingen van het leven, allemaal maken ze dezelfde soort muziek. Het moeten gewone jongens zijn die toch de helden van hun fans zijn. Dat is wat de mensen willen horen, de melodieen sijpelen als warme boter je oor in.
    Het is me nog niet helemaal duidelijk. Waarom ben je zo gefascineerd door paradoxen?
    Ik kan me nog goed herinneren dat ik net was afgestudeerd als econoom. Ik ging werken als assistent van een professor in Nijmegen. ‘Zo jongen’, zei hij tegen mij, ‘jij weet het allemaal zo goed. Ga jij dit boekje maar eens lezen, dan gaan we daar volgende week eens over doorpraten’. Het was een simpel economieboekje dat op middelbare scholen werd gebruikt. Wat een onzin, dacht ik nog. De professor begon vragen te stellen over de basis van het vak economie, vragen waar ik als afgestudeerde nog nooit over nagedacht had. Waarom is het snijpunt van vraag en aanbod een evenwicht? Hoe komt zo’n evenwicht tot stand? Iets wat heel simpel leek, bleek ongelooflijk complex in elkaar te steken. Het was eenvoudig zat om het snijpunt van de vraag- en aanbodlijntjes uit te rekenen, maar van de wereld achter die lijntjes bleek ik geen kaas te hebben gegeten. De veilingmeester die de evenwichtsprijs afriep, bleek een truc van economen te zijn om al die andere onoplosbare problemen te omzeilen. In de praktijk is er natuurlijk helemaal geen veilingmeester die alles netjes op elkaar afstemt. We moeten dus van tevoren maar wat gokken en produceren op basis van een verwachting. Achteraf zien we dan wel wat er gebeurt en passen we ons gedrag eventueel weer aan. Economie gaat feitelijk over verwachtingen die subjecten over elkaar en de toekomst vormen en de handelingen die daar dan uit volgen. Een slimme producent denkt in termen van ‘ik denk dat jij denkt dat ik denk dat.. ‘. Een mooi en vanzelfsprekend evenwicht komt daarbij zelden uit de bus rollen. In de economie hoeft het daarom helemaal niet om de echte of objectieve schaarste te gaan. Op de beurs is een aandeel wat waard omdat ik denk dat anderen denken dat het wat waard zal worden. Soms ontstaan hierdoor speculatieve bellen met een hoop lucht. Niets aan de hand zolang maar niemand aan de waarde van het aandeel begint te twijfelen. Als een invloedrijk iemand begint te twijfelen en dus begint te verkopen, dan gaat het ook in een keer heel hard naar beneden. Ook op de beurs lopen mensen dus achter elkaar aan waardoor volstrekt oncontroleerbare toestanden kunnen ontstaan. Ook aardig in dit verband is het mierenprobleem. Er zijn twee stapels met eten en er vertrekt een mierenkolonie naar dat eten. De afstand van de mierenkolonie tot de twee stapels is gelijk en je verwacht dat bij beide stapels evenveel mieren aankomen. Experimenten laten echter zien dat er geen gelijke verdeling van mieren over de twee stapels ontstaat. Van de twee stapels wordt er eentje een duidelijke winnaar en eentje een duidelijke verliezer. En dat terwijl, nogmaals, de twee stapels identieke objectieve eigenschappen hebben. De verklaring is dat de mier die toevallig voorop loopt iets moet doen, hij gokt maar wat. Bij succes gaan andere mieren hem achterna, je krijgt volggedrag en ingesleten patronen. De first mover heeft langblijvende effecten voor de latere historie. Dit fenomeen wordt ook wel hysterese of padafhankelijkheid genoemd. De reis zelf is bepalend voor het resultaat. Het resultaat kan niet zonder de reis zelf worden bekeken. Waarom is een tv-presentator zo populair? Omdat hij zo veel beter is dan de rest van Nederland? Dat is onwaarschijnlijk. Deze presentator was toevallig de eerste, we zijn aan hem gewend, we weten wat we van hem kunnen verwachten. Toeval en geschiedenis zijn dus bepalend voor succes en niet alleen de zogenaamde objectieve kwaliteiten van de man. Het kan ook zo weer omslaan, want het zit natuurlijk niet zo diep, het is immers geen echt optimum. De opkomst van sterren en films heeft dus veel overeenkomsten met de gang van zaken op de beurs en met het gedrag van mieren.
    Is dat de reden waarom verplatting of versoaping een regelmatig terugkerend onderwerp in je boek is?
    Vervlakking, verplatting, versoaping, Disneyficatie, McDonaldization, Eftelisering, ik gooi het allemaal op een hoop. Wat ik er mee bedoel is dat enkele spelers in extreme mate alle anderen domineren, of we dat nu willen of niet. Het zijn autonome ontwikkelingen die ergens in onze genen en in de werking van onze hersens hun verklaring moeten hebben. Het is een actueel thema waar de kranten vol mee staan. Ik ben dus niet de enige die geboeid wordt door de versoaping. Hier, ik pak gewoon de krant van vandaag, NRC-Handelsblad van 29 september 2000. Twee voltreffers, geheel aan het onderwerp gewijd. Het eerste artikel verfoeit het streven van openbare bibliotheken naar een zo groot mogelijk publieksbereik. Bibliotheken hebben een knieval gemaakt voor de grote massa. In een businessplan spreekt de bibliotheek alleen nog maar in managersproza over rendement, marktwerking en public relations. Het woord ‘literatuur’ wordt niet meer aangetroffen. Oude en stoffige boeken werden voor twee gulden per stuk verramsjt en hiervoor in de plaats werden bestsellers en videobanden gekocht. Serieuze studieboeken werden verruild voor populaire praktijkboekjes als Frans voor op de camping. De stilte is verdwenen op de bibliotheken want de moeders die er komen laten er hun luidruchtige kinderen rondrennen. De bibliotheek moet ons cultureel verheffen, maar in plaats daarvan zijn we verworden tot slaven van de markt en de computer. Het andere artikel is van de hand van essayist Henk Hofland die beweert dat de vrije markt in haar anonimiteit de grootste vijand is van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken. Het rare is dat geen enkel individu de boosaardige opzet heeft om de cultuur te vermoorden. Er komen geen wetten aan te pas, geen politie, geen samenzwering, het gaat vanzelf en het is onvermijdelijk. ‘Niet het denken, niet het uitlokken tot eigen prestaties, niet de uitnodiging om een poging te doen tot het kijken in verleden en toekomst, maar het per seconde happen, proeven, doorslikken en weer de mond open.’ Het gaat goed, het gaat steeds beter, met de ervaringseconomie waar Pine en Gilmore het in hun bestseller The experience economy over hebben. Ondertussen krijgt de kunstzinnige film het steeds moeilijker en gaat het grote publiek naar steeds minder films. Enkele bioscooptoppers halen bijna alle omzet binnen en dat terwijl er meer films dan ooit worden gemaakt!
    Maar dat is toch allemaal heel vervelend om te horen? Ik wil helemaal niet dat ik alleen nog naar de McDonalds kan. Hoe verhoudt zich dat tot de kwaliteit van leven en tot schoonheid. Want je beweert in de titel van je boek: ‘maar dat maakt het juist zo mooi!’. Wat is dat volgens jou eigenlijk, schoonheid?
    Tja, daar raak je een moeilijk punt. Ik ben daar eigenlijk heel dubbel in. Zelf hou ik ook van de ‘betere’ boeken en films. Maar dat zeggen met mij zoveel mensen. Ik zal een voorbeeld geven waar ik me geweldig aan heb gestoord. In heb een tijdje in Sassenheim, een bollendorpje bij Leiden, gewoond. Daar had je twee Chinese restaurants. Nummer 1, ik noem hem hier even de slimme Chinees, was een Chinees die gevoel voor de markt had. Hij had een kan koffie voor de bezoekers staan, er stonden snoepjes voor de kinderen en de inrichting zag er fris en modern uit. Deze slimme Chinees deed alles met de computer. Bij elk bezoek kreeg je een fraai overzicht van je bestellingen. Nadeel van deze Chinees was dat de kwaliteit van het eten belabberd was, er zat geen smaak of kraak aan. Chinees nummer 2, ik noem hem maar de hobby-Chinees, had zijn afhaalbalie zo’n beetje in zijn keuken annex woonkamer staan. Het toilet voor de gasten was ook zijn eigen toilet. Zijn kinderen reden op fietsjes dwars door de zaak heen. Het was allemaal heel sober, geen snoepjes voor de kinderen en geen computer. Het eten was echter voortreffelijk, dit was in de hele omstreek de beste Chinees, vond ik. Je mag drie keer raden welke Chinees het meeste succes bij zijn klanten had. Natuurlijk de slimme Chinees met de computer, daar was het altijd druk. Zo druk zelfs dat je net als bij de slager en de bakker met bonnetjes op je beurt moest wachten. Mensen gaan blijkbaar eerder voor de gimmicks dan voor de kwaliteit van het basisproduct.
    Je hebt nog steeds niet gezegd wat hier nu zo mooi aan is.
    Wat er mooi aan is, is de paradox. Wij klagen over de vervlakking, maar wij zijn het ook zelf die de vervlakking op ons geweten hebben. Er is geen schuldige aan te wijzen. Was het maar zo simpel, dan konden we het ook zo eventjes oplossen. Schoonheid heeft voor mij ook te maken met het accepteren dat het gaat zoals het gaat. Het aanschouwen van deze werkelijkheid die als een ui laag-voor-laag kan worden afgepeld en steeds weer een nieuw en onverwacht gezicht toont, dat is schoonheid. Het genieten begint pas als je de hooggestemde verbeterdoelen kan loslaten. Ik erger me ook niet meer aan de mensen die zo nodig naar die computer-Chinees moeten. Ik hoef ze toch niet op te voeden? Laat ze toch. Ik blijf lekker naar mijn eigen Chinees gaan en hoef daar niet eens in de rij te staan. Ik ben ook helemaal niet zo’n somberaar. Ik bestel mijn boeken via Internet en heb daar een keuze die ik nog in geen enkele boekwinkel ooit ben tegengekomen. Als ik On the origin of species van Darwin wil bestellen, kan ik kiezen uit een stuk of tien verschillende edities. Noem mij maar een boekhandel waar dat ook kan. De mensen die nu klagen over de vervlakking missen voor een deel ook de oude en vanzelfsprekende machtspositie die hen verhief boven de massa. Het feit dat je Shakespeare in de kast heb staan en doctorandus bent, is niet meer voldoende om interessant of aantrekkelijk te zijn. Het spel der verleiding is niet simpeler geworden maar juist veel complexer. Als je vroeger in je spijkerbroek een nieuwe auto kwam kopen, dan werd je met de nek aangekeken. Toen was de wereld nog simpel, iemand in een pak had geld en die kon een dure auto betalen. Maar nu kopen de miljonairs hun spulletjes ook gewoon bij de Aldi, alles loopt heerlijk door elkaar heen. De codes zijn veel ingewikkelder geworden. En daar is niet iedereen blij mee. Ook dat is schoonheid.
    Je twijfelt dus ook aan de oprechtheid van sommige somberaars die ach en wee roepen over de toenemende vervlakking?
    Ach natuurlijk. We zijn allemaal mensen. Elke verandering leidt weer tot nieuwe winnaars en verliezers. En verliezen is nooit fijn. Romanschrijver Arnon Grunberg heeft de tweeslachtigheid van onze houding ten opzichte van het boek aan de kaak gesteld. Enerzijds zien we een roman als een product dat verkocht moet worden en als dat niet lukt is dat het probleem van de fabrikant. Aan de andere kant beschouwen we de roman als een bedreigde diersoort die beschermd moet worden van de akelige krachten van de markt. Volgens Grunberg moet een roman vooral vermaak bieden, een gevaarlijke roman is een contradictio in terminis. Zogauw het etiket ‘kunst’ of ‘cultuur’ erop is geplakt, kan er geen sprake meer zijn van gevaar. Wie gevaarlijk wil zijn, moet terrorist worden en geen romanschrijver. Grunberg vermoedt dat het een teken van beschaving is dat je van gevaarlijke boeken moet houden en dat je populaire boeken moet afkeuren. Er schijnt in wetenschappelijk onderzoek naar de voorkeuren voor porno een apparaatje gebruikt te worden dat in de hersens kan kijken of iemand van de porno geniet. Iemand kan dan wel zeggen dat hij er niets aan vindt, maar als de hersenactiviteiten anders uitwijzen, helaas dan. Zo’n apparaatje moet je ook gebruiken om te bekijken of er bij de voorkeuren van sommige mensen voor gevaarlijke romans ook sprake is van geveinsd genot. Grunberg zegt dus met zoveel woorden dat we moeten ophouden met interessanter te doen dan we eigenlijk zijn. Schrijvers zijn het pauzenummer en de bar is open. ‘Natuurlijk doen we gewichtig over ons pauzenummer, sommigen althans, zoals we ook doen alsof geld niet zingt, maar het zingt harder en mooier dan de waarheid en de schoonheid bij elkaar’. En: ‘Het verlangen een gevaarlijke roman te schrijven, die de wereld door elkaar husselt en aantast, die voor een aardbeving zorgt, dat is lang niet gek, voor een verlangen.’ Prachtig! Dat is precies waar het over gaat. Schoonheid is ons voortdurende streven belangrijk gevonden te worden in het besef dat dat eigenlijk nooit echt zal lukken. Dat we ons voortdurend mooier voordoen dan we in werkelijkheid zijn, dat is toch boeiend! Mensen zijn onbewust altijd bezig met hoe ze overkomen op anderen en dat moet uiteraard bij voorkeur een mooi plaatje zijn. De psycholoog David Buss beweert dat we nu eens moeten accepteren dat we met moraal of cultuur niet zo veel kunnen. Het gedrag van mensen kan volgens hem helemaal verklaard worden uit fundamentele emoties als doodsangst, begeerte, overlevingsdrift en de angst om uit de groep te worden gestoten. Daarom worden voor mensen binnen de groep andere morele maatstaven gehanteerd dan voor mensen buiten de groep. En daarom hebben mensen ook een sterke neiging om in het openbaar andere dingen te propageren dan waar ze zich zelf aan houden.
    Ik wil naar eventuele lessen voor het bedrijfsleven. Wat kan een ondernemer hiervan leren? Hoe moeten medewerkers in een bedrijf met elkaar omgaan?
    Ook in bedrijven wordt het er niet simpeler op. Gewone hierarchie werkt vaak niet meer. Werknemers stellen, terecht, hogere eisen aan de bedrijven waar ze hun diensten aanbieden. Zowel klanten als medewerkers van een bedrijf moeten veel meer dan vroeger worden ‘vermaakt’. Het bedrijf moet een experience zijn om in te werken. En het gaat hier heus niet om gemakkelijk vermaak, want daar hebben medewerkers snel genoeg van. Met af en toe een dagje ‘leuke dingen doen’, red je het echt niet. Medewerkers zoeken ook naar een diepere betekenis in hun werk, het klinkt misschien wat zwaar, maar ze zoeken naar moderne vormen van zingeving. Bij een toenemende welvaart geldt steeds minder dat je voor het geld alleen gaat werken. De keuze voor een werkkring wordt daarmee juist minder pragmatisch. Je brengt een flink deel van je leven door in je werkkring en dus moet het werk er wel toe doen, het moet zin geven. Hier doet zich weer een interessant verschijnsel voor. Het sociale kapitaal in de maatschappij neemt volgens sommigen af. Mensen zijn meer op zichzelf en hun eigen welbevinden gericht. Het sociale kapitaal is de lijm van de samenleving. Denk aan de bereidheid van mensen om zich belangeloos in te zetten voor hun buurt, hun club en de kerk. Maar het zou wel eens zo kunnen zijn dat het sociale kapitaal, waar we inderdaad niet zonder kunnen, verschuift van de samenleving, zeg maar het publieke domein, naar de bedrijven zelf, naar het private domein. Bedrijven worden de redders van ons sociaal kapitaal. Het domein waar bedrijven zich mee bemoeien wordt steeds ruimer. Bedrijven organiseren acties voor het goede doel, werken actief aan een beter milieu en subsidieren de kunsten. Althans, dat beweren bedrijven, niets is natuurlijk wat het lijkt. Zo herbergt een bedrijf zowel strijd als cultuur. De strijd is nodig om te overleven, er moeten producten worden verkocht en ervaringen worden bezorgd, maar er is meer dan dat, er is iets hogers, iets dat moeilijk te vangen is maar dat we cultuur noemen. Het bedrijf van de toekomst moet zowel voor spanning als voor ontspanning zorgen. Beide begrippen, spanning en ontspanning, hebben in mijn ogen met kwaliteit te maken. Geen enkel bedrijf kan zonder de spanning die hoort bij een gezonde strijd, er moet altijd een hoge berg zijn om te beklimmen. Maar een bedrijf kan ook niet zonder de ontspanning die hoort bij de geborgenheid van de club gelijkgestemden.
    Zou je zover willen gaan dat werken een nieuwe hobby of vrijetijdsbesteding is geworden?
    Werknemers hebben meer macht en dus moet werken ook leuk zijn. Je kunt je zelfs afvragen wat in deze context een bedrijf nog precies is. Als iedereen een beetje aan het shoppen slaat waar hij zijn diensten het best kan gaan inzetten, dan worden bedrijven feitelijk verzamelingen van individuen met gelijkgestemde idealen en ambities. Het bedrijf als hobbyclub. In een hobbyclub is de organisatie er voor de leden en niet andersom. Het bestuur van de hobbyclub doet haar werk in opdracht van haar leden. Het is echt niet meer zo’n grote stap naar de situatie dat een verzameling werknemers op zoek gaat naar een directie die bereid is tegen betaling te zorgen voor vermaak en voor zingeving. De rollen zijn dan omgedraaid, de werknemers zijn ondernemers geworden, de directie is werknemer geworden. In Rotterdam is een nieuw soort uitzendbureau voor IT-specialisten opgericht dat volgens deze formule werkt. Je meldt je als IT-specialist aan en geeft je ‘directie’ opdracht voor x weken werk te zoeken tegen een bepaald uurtarief. De directie is hier een soort klussenbus, ze nemen de verplichting op zich om voor jou werk te zoeken en in opdracht van jou een zo hoog mogelijk uurtarief uit te onderhandelen. In ruil hiervoor krijgt de directie voor elke gulden die jij verdient een kwartje. Sommige IT-specialisten verdienen nu in een half jaar meer dan daarvoor in een heel jaar. Vakanties opnemen naar eigen inzicht is nu geen enkel probleem meer, je bent het immers zelf die de vakantie betaalt. Popmuzikanten werken overigens al tijden met dit concept. Zij huren de manager in die hun belangen het best dient en ontslaan hem ook weer als dat zo uitkomt. Ik vind de vergelijking van het bedrijf met een hobbyclub zo gek nog niet. In een hobby gaat het vaak ook nergens over, het is allemaal niet functioneel. In een bedrijf hebben we nog de illusie dat het ergens over gaat. Als het in een bedrijf gebeurt dan is het plotseling belangrijk of serieus. Volgens mij gaat de romancyclus Het Bureau van Han Voskuil hier voornamelijk over. Het Bureau is een uit de hand gelopen hobby van oprichter meneer Beerta. De hobby ontstond op het moment dat meneer Beerta ontroerd werd door een oud boerderijtje waarna hij ging nadenken over de zin van het leven, over vergankelijkheid, over waar wij vandaan komen. De hobby is hem op den duur boven het hoofd gegroeid. Zoetjes aan kwamen er steeds meer mensen bij de club en die gingen het op den duur steeds serieuzer nemen. De club ging een eigen leven leiden en het werd allemaal belangrijk gemaakt. Het is de irritatie van Maarten Koning, de hoofdpersoon van het boek, dat iedereen vergeten is dat het gewoon een hobby is, vergeten dat het gewoon een aardige manier is om van de straat te zijn. Maarten Koning relativeert en laat los, hij geniet van de kleine dingen van het leven en hij gelooft niet meer in de grote verhalen. Ik pak deel 6 van Het Bureau er even bij. Hier op pagina 646: ‘Daarna repareerde hij het dopje van zijn vulpen. Zulke werkjes gaven hem een geluksgevoel en na afloop een grote voldoening, de zekerheid dat hij niet voor niets had geleefd.’ En even verderop: ‘En vervolgens kwam hij als zo vaak tot de slotsom dat hij in tegenstelling tot vroeger geen grein geloof meer had in de beheersbaarheid van de mens en de maakbaarheid van het leven.’ Maarten Koning is sowieso een postmodernist. ‘Waar het op dus neerkomt, is dat het idee dat de wetenschap voortdurend vooruitgang boekt en steeds dichter bij de waarheid komt, een fictie is. Iedere generatie legt haar eigen maatschappijbeeld op aan de feiten om daaruit vervolgens de zekerheid te putten dat dat beeld juist is’. Voskuils werk staat geheel in het teken van niets is wat het lijkt.
    Het bedrijfsleven breidt haar macht en invloedssfeer dus uit naar voor haar vreemde en voorheen zuiver publieke domeinen. Heeft dat nog gevolgen voor bijvoorbeeld de politiek?
    Bedrijven krijgen steeds meer politieke taken, dat is zo. En de politiek krijgt ondertussen steeds meer de eigenschappen die vroeger uitsluitend aan het bedrijfsleven werden toegedicht. Het bedrijfsleven praat steeds meer over vermaak, zingeving en sociaal kapitaal. De politiek heeft het steeds meer over rendement, zakelijkheid en efficiency. Vreemd eigenlijk. Ik sluit niet uit dat het er in het bedrijfsleven inmiddels socialer aan toe gaat dan in de politiek. Op de radio hoorde ik een interview met iemand die net twee jaar in de Tweede Kamer zat. Deze mevrouw had een CNV-verleden en eerlijk gezegd: het viel haar allemaal wat tegen. Haar collega’s voerden een flinke strijd om bij de pers en de kiezer in het gevlei te komen. Waar het om ging was haantjesgedrag, profileren en scoren. De inhoud en de idealen kwamen nauwelijks serieus aan bod. Deze mevrouw, en dat was paradoxaal genoeg de reden voor het interview, eindigde zowat op de laagste plaats in de Intermediair citatie-index voor Tweede-Kamerleden. Het was niet haar eigen idee om de politiek in te gaan, ze werd gevraagd door de PvdA. Hoewel ze van tevoren wist dat de politiek een aparte wereld was, heeft ze uiteindelijk toch toegestemd. Wil je de wereld veranderen, dan moet je toch bij de politiek zijn. Ze heeft zich voorgenomen niet mee te doen met de spelletjes, ze wil zich tot de inhoud van de zaak beperken, haar best doen. Maar ze merkt al dat ze nu, na twee jaar, een kleinere portefeuille heeft dan toen ze in de kamer aankwam. Anderen pikken delen van je portefeuille in als je je niet agressief genoeg opstelt. Het zij zo, ze wil zich niet aanpassen zoals anderen dat doen, dat is haar afspraak, ze blijft zichzelf ook omdat ze niet goed functioneert in een haantjescultuur. In haar CNV-werk was veel meer sprake van teamwork en onderlinge afstemming. Ze realiseert zich dat het systeem dergelijk gedrag uitlokt, maar toch hoopt ze dat meer mensen haar voorbeeld volgen in de politiek. Het getuigt van moed of lef om niet met de stroom mee te gaan, niet te vallen voor de verleiding van de macht van de populariteit. Door samen te werken zou er minder energie verloren gaan in de strijd en meer energie overblijven voor het bereiken van de idealen. Begrijpelijk standpunt, maar wat naief. Maar uiteindelijk is de kiezer de baas, die bepaalt wie de winnaars zijn en wie de verliezers. Zal de kiezer door deze materie heenkijken, zal de kiezer erkennen dat er meer voordeel te behalen is met mensen die zich daadwerkelijk voor de zaak inzetten? Ook een paradox is dat juist iemand die het meest om de kiezer geeft, het minst moeite wil doen om bij die kiezer in het gevlei te komen.
    Op basis waarvan schrijf je eigenlijk een boek als dit? Hoe weet ik nu of je niet uit je nek zit te kletsen.
    Dat weet je niet. Maar daar gaat het toch niet om? Het gaat er om of het een mooi verhaal is. Of het verhaal dat ik schrijf waar is, is niet zo relevant. Ik pluk uit allerlei bronnen die ik de afgelopen jaren heb gezien of gelezen. Ik praat bestaande stukken tekst aan elkaar en brei zo mijn eigen verhaal. Ik gebruik bewust geen noten of literatuurverwijzingen omdat dat te veel precisie of exactheid of wetenschappelijkheid van mijn kant zou suggereren. Ik pretendeer ook helemaal niet de auteurs die ik gebruik recht aan te doen, ik gebruik hun ideeen puur voor mijn eigen betoog. Ik doe feitelijk aan selectieve bewijsvoering. Daarom spreek ik liever over inspiratiebronnen, en die heb ik dan ook achterin dit boek genoemd. Het zijn de auteurs met hun teksten die ik integraal en aandachtig heb bestudeerd en die mij hebben geinspireerd dit boek te schrijven Dan zul je ook wel willen weten voor wie ik dit boek heb geschreven? Ja, in de eerste plaats natuurlijk voor mezelf, dat zal je niet verbazen. En verder voor de mensen die van paradoxen houden.

    Walter de Graaf (42), Graaf Business Consulting, in Sprout(2008):

    “Ik heb berekend hoeveel dagen ik per jaar moet werken om leuke dingen te doen. Van een jaar hoef ik dan maar negen maanden te werken, twee tot drie dagen per week. Ik kan uit met honderd dagen per jaar. Dan verdien ik niet de hoofdprijs, want elk uur dat ik niet werk wordt ook niet uitbetaald. Maar ik heb wel een fijn huis, leuke motorboot en een nieuwe Audi A6 en Nissan Qashqai voor de deur staan. Ook gaan we zes keer per jaar op vakantie.

    Ik werk om te leven, wil niet bezuinigen op de leuke dingen van het leven. Ik heb tien jaar in loondienst gewerkt waar ik me een slag in de rondte werkte. Het werk was leuk, maar ik was het zat om zestig tot zeventig uur te werken en in een jaar 80.000 kilometer te rijden. Daarom besloot ik om mijn eigen bv op te richten. Dat bevalt ontzettend goed. Het eerste jaar moest ik hard werken om het bedrijf op te bouwen, maar nu kan ik rustig aan doen en heb ik veel vrije tijd. Maar de grootste winst van een eigen bedrijf hebben, vind ik eigenlijk dat ik zelf kan bepalen welke opdracht ik doe en hoe ik die invul.”

    De rationele optimist, Matt Ridley (2010)

    Een ander geluid

    Het is goed dat er een boek met een ander geluid verschijnt. Een ander geluid omdat het, zoals de titel al aangeeft, een optimistisch geluid is over de economie, het milieu, de aarde en de mensheid. De 21e eeuw wordt gewoon weer een betere eeuw om in te leven voor de mens. En zoals dat bij een controversieel boek als dit hoort zijn er ook lieden die tegen de inhoud van dit boek ten strijde trekken. De auteur staat bekend als een ‘right-winger’ die voor vrije marktwerking is en huiverig staat ten opzichte van overheidsbemoeienis. Het werkt niet echt mee voor de geloofwaardigheid van het boek dat de auteur als bewindspersoon betrokken is geweest bij het noodlottige faillissement van de Britse Northern-Rock bank enkele jaren terug. Niet sterk ook dat de auteur in dit boek niet meer aandacht schenkt aan deze wrange samenloop van omstandigheden.

    Specialisatie en uitwisseling

    Maar ik wil me niet overgeven aan het pessimisme wat zo ‘en vogue’ is, ik wil naar de inhoud van het boek. De kernvraag van het boek is waar onze rijkdom en onze welvaart vandaan komen. Ridley is van huis uit bioloog maar hier speelt hij de economisch historicus. Ridley gaat in zijn redenering terug naar oereconoom Adam Smith. Het geheim van de mens is dat hij zijn tijd wonderlijk kan vermenigvuldigen. Dat doet de mens door de truc van de arbeidsverdeling. Als iedereen doet waar hij heel goed in is (zich specialiseert) dan levert dat enorme tijdwinst op. Maar je kunt alleen maar heel veel dezelfde dingen maken als je die dingen kunt ruilen tegen andere dingen die weer door iemand anders in grote hoeveelheden zijn aangemaakt. Specialisatie en uitwisseling (handel, ruil) gaan dus altijd hand in hand. Ergens rond 100.000 jaar geleden is de mensheid met deze truc gestart. De ’take-off’ was mogelijk omdat er voor het eerst voldoende omvang, concentratie en geografische dichtheid was om specialisatie en handel mogelijk te maken. Wat ook nodig is voor handel is vertrouwen in vreemden, vertrouwen dat in de generaties langzaam is opgebouwd en bij dieren op deze manier blijkbaar nooit is ontstaan. Dit fenomeen van specialisatie en uitwisseling zorgt voor een immer stijgende lijn van meer welvaart en een hoger welzijn. Historisch is regelmatig sprake geweest van een (tijdelijke of lokale) terugval maar die is altijd te herleiden tot natuurlijk rampen of de opkomst van plunderende bestuurders en priesters. Zo simpel is het boek eigenlijk: handel zorgt voor een betere wereld, overheid en geloof zorgen soms voor een tijdelijke vertraging.

    Ja maar …

    Dan de tegenwerpingen. Vroeger was het toch beter? Onzin, we zijn er voortdurend op vooruit gegaan. De kwaliteit van leven is verbeterd, er zijn meer mensen op aarde, de levensverwachting is voortdurend gestegen. Natuurlijk zijn de rijken rijker geworden, maar de armen hebben het nog beter gedaan. Het percentage dat in absolute armoede leeft is de laatste 50 jaar met meer dan de helft afgenomen, de armoede is in deze laatste 50 jaar verder teruggedrongen dan in de 500 jaar daarvoor. Maar dan is het toch zo dat we er helemaal niet gelukkiger door zijn geworden? Ook onzin, rijke mensen zijn gelukkiger dan arme mensen, vele onderzoeken tonen aan dat er een belangrijke positieve correlatie is tussen economische groei en subjectief welzijn. Het is dus geitewollen hippie-praat dat we terug moeten naar de basis, naar meer zelfvoorziening, want dat betekent onherroepelijk een weg terug. Zelfvoorziening is armoede, specialisatie is rijkdom.

    Wereldbevolking 9 miljard

    Hoe zit het dan met de wereldbevolking en de voeding daarvan? De vroege landbouw gebruikte negen maal zoveel land per hoofd van de bevolking als de huidige landbouw (waardoor destijds de uitstoot van CO2 per hoofd veel hoger was). Door de introductie van fossiele brandstoffen en de kunstmest die daarmee werd gemaakt is sinds 1900 de wereldbevolking met 400% toegenomen, de hoeveelheid akkerland met 30%, de gemiddelde opbrengst daarvan met 400% en de totale oogst met 600%. De hoofdelijke productie is met 50% toegenomen. Dit is goed nieuws dankzij de fossiele brandstoffen. Het aantal mensen dat er jaarlijks bijkomt op aarde is sinds einde jaren tachtig gedaald. Het geboortecijfer daalt als de inwoners van een land gezonder, rijker, beter opgeleid, meer verstedelijkt en meer geemancipeerd zijn. De verwachting is nu dat de wereldbevolking een piek bereikt van circa 9 mrd inwoners in 2075 en daarna gaat dalen. Het gaat om een transitie van hoge vruchtbaarheid en hoge mortaliteit naar lage vruchtbaarheid en lage mortaliteit. De conclusie van de auteur is dat door de toenemende efficientie van landbouw en irrigatiemethoden de wereld in 2050 9 mrd bewoners kan voeden die dan beter te eten hebben bij gebruik van minder grondoppervlakte dan nu het geval is, waardoor per saldo grond aan de natuur terug kan worden gegeven.

    Energie en CO2

    Hoe zit het dan met de eindigheid van fossiele grondstoffen? Lang voordat olie, steenkool en gas opraken, zal men alternatieven vinden. Windmolens gaan het niet worden, ze vereisen 5 tot 10 keer zoveel beton en staal per watt als kerncentrales nog los van de benodigde infrastructuur van kabels etc. Biobrandstof is helemaal crazy, hierdoor wordt kostbare landbouwgrond verkwist en gaat de prijs van voedsel omhoog. Het gaat om een combinatie van (verbeterde, tijdelijke) kernenergie, zonne-energie en in water groeiende algen dan wel oplossingen waar nog niemand aan heeft gedacht. Kortom: het energievraagstuk wordt gewoon opgelost. Maar hoe zit het dan met klimaatverandering en de uitstoot van broeikasgassen? Ook hier geldt dat de toegenomen rijkdom de oplossing zal bieden, er is door de toenemende welvaart geld voor extra bescherming, redding en verzekering. Maar los daarvan zullen er nieuwe weinig kooldioxide genererende technologieen komen.

    Uitwisseling van ideeen

    Innovatie is dus het sleutelwoord. Het gaat steeds om onvoorziene nieuwe combinaties. Het gaat om de wet van de toenemende meeropbrengsten van de combinatie of uitwisseling van ideeen. Het zal niet verbazen dat dit geen pleidooi is voor meer wetenschap of meer overheid en sturing. De wetenschap is vaak de dochter van de technologie en niet andersom. De wetenschap verklaart vaak achteraf de empirische bevindingen van technologische knutselaars. Wel van belang is voldoende aanbod van durfkapitaal. Stelling van de auteur is dat ondanks wetenschap en overheid een positieve rol kunnen spelen bij innovatie, dat de drijvende kracht de uitwisseling van kennis en ideeen is. Je kunt kennis weggeven zonder het te verliezen. Pas als de uitwisseling van ideeen stopt en de kennisgroei stagneert hebben we echt een probleem. Het stenen tijdperk eindigde niet door een gebrek aan steen, het fossiele tijdperk zal niet eindigen door een gebrek aan fossielen.

    Evaluatie

    Wat moeten we hier nu van vinden? Is het naief en gevaarlijk optimisme? Zijn het doelredeneringen met gemasseerde feiten die het moeten onderbouwen? Het beste van beide werelden (pessimistisch en optimistisch) is in mijn ogen het volgende. Zo kan het niet doorgaan, dat is duidelijk (dat is het pessimisme). Maar aan de andere kant: zo zal het ook niet doorgaan, als prijzen stijgen door toenemende schaarste en de wal het schip keert, zullen onvermijdelijke innovaties volgen (dat is het optimisme). De geschiedenis tot op heden stelt de auteur in het gelijk en ik geloof inderdaad dat de mensheid een collectieve probleemoplossende machine is geworden

    23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, Ha-Joon Chang, 2010-2011

    De economische catastrofe van dit moment is mede veroorzaakt door een ongefundeerd vertrouwen in vrije markt werking. Alles komt goed, als je de markten hun werk maar laat doen. Chang vertelt in 23 ‘dingen’ (2010) waarom de vrije markt niet op alles het antwoord is.

    Volledige marktwerking is een fictie

    Een heleboel zaken zijn gewoonweg niet vrij. Je kunt geen diploma van de universiteit op de markt (legaal) kopen. Sommige medicijnen mogen niet vrij worden verkocht. Handel in vuurwapens is verboden. Er is wetgeving over kinderarbeid. Wij verdienen in het Westen relatief veel omdat er restricties zijn op vrije toetreding van arbeid en van immigranten. Om maar wat zaken te noemen. Uiteindelijk zijn er altijd grenzen aan waar het vrije ruilproces begint en waar het ophoudt, in wezen is de vrije markt altijd een debat over morele waarden en politieke besluiten. Economen lijken de laatste 25 jaar een bijdrage te hebben geleverd aan de ongefundeerde verspreiding van het ideologisch vrije marktdenken. Bewust of onbewust hebben zij als beroepsgroep daarmee de crisis aangezwengeld.

    Interne markten

    Als we over vrije markten speken dan denken we aan de handel tussen bedrijven onderling. Maar we vergeten dan dat bedrijven zelf grote ‘interne markten’ kennen. Op die markten is over het algemeen sprake van langere termijn afspraken en inperking van korte-termijn vrijheden. Een medewerker spreekt voor een jaar of langer zijn salaris en voorwaarden af en gaat niet elke dag opnieuw onderhandelen over zijn taken en zijn beloning. Ook interne afdelingen rekenen elkaar niet voortdurend af op hun onderlinge toegevoegde waarde. Zo bekeken wordt 80% van alle markten gestuurd door langere termijn afspraken en convenanten. In het verlengde hiervan: een vrije markt kent geen planning van bovenaf, de markten zorgen zelf voor de goede signalen en evenwichten. Het is ondenkbaar dat er binnen een bedrijf zo zou worden gedacht: alle medewerkers en toeleveranciers interacteren voortdurend met elkaar en het komt vanzelf goed. Een bedrijf komt verder door een andere visie, een heldere strategie en planning, door het stellen van targets, door actieve bijsturing op die targets. Maar niet alleen bedrijven plannen hun activiteiten, ook landen plannen hun activiteiten al is het maar via subsidiering van gericht onderzoek.

    Staatssteun helpt

    Als we de economische geschiedenis bestuderen dan blijken vrijwel alle landen die nu rijk zijn gebruik te hebben gemaakt van protectionisme en subsidies om hun opgroeiende industrieen toe wasdom te laten komen. Ook is er vrijwel altijd sprake geweest van beperkingen aan buitenlandse investeringen. Ook zijn er tal van voorbeelden uit vrije-markt landen waar grote bedrijven met gemeenschapsgeld van de ondergang werden gered (recent natuurlijk nog de financiele instellingen). Er zijn frappante voorbeelden van staatsgestuurde bedrijven die ondanks een trage start uiteindelijk toch zeer succesvol zijn gebleken. Een voorbeeld is de contra-intuitieve productie van laagwaardig staal in Korea vanaf 1973. Rond 1990 had Korea een van de grootste en kostenefficiente staalbedrijven ter wereld. Ook de VS kent door middel van toekenning van subsidies enorme successen in de computer-, halfgeleider- en vliegtuigindustrie, internet en biotechnologie.

    De mythe van de-industrialisatie

    Misschien geen teken van marktfalen maar wel een economische mythe. We zijn steeds minder afhankelijk van industriele productie en verdienen ons geld met kennisintensieve dienstverlening. Geen probleem dus dat China de fabriek van de wereld wordt. Maar dienstverlening kent niet de productiviteitsverhoging van productie en is daarmee een slechte aanjager van economische groei. Ook zijn diensten slecht te exporteren en ontstaat op den duur een importoverschot en daarmee een tekort aan kapitaal om geavanceerde technologie uit het buitenland aan te schaffen (ook weer groeiverlagend). Daarom is het een mythe. Ook zogenaamde dienstenlanden blijven produceren. De voornaamste oorzaak van de zogenaamde de-industrialisatie is niet de enorme import uit China maar het feit dat diensten relatief steeds duurder worden tov geproduceerde goederen. We blijven in absolute zin evenveel produceren maar in termen van het nationaal inkomen wordt het aandeel steeds kleiner.

    Beperkte rationaliteit

    Het is algemeen bekend dat individueel rationaal handelen kan resulteren in collectief irrationele uitkomsten. Chang laat dit fenomeen verder onbesproken en diept in plaats daarvan verder uit dat om te beginnen veel handelen al helemaal niet (individueel) rationeel is. Probleem is dat wij niet in staat zijn onbeperkt informatie te verwerken. Meer informatie komt de kwaliteit van de beslissing lang niet altijd ten goede. De kwaliteit van beslissen gaat vaak omhoog met het beperken van de keuzevrijheid om het aantal en de complexiteit van problemen te reduceren. De overheid weet het dan niet automatisch beter dan de markt (beide partijen kennen in economische zin grote mislukkingen en grote successen) maar de overheid kan de spelregels opzettelijk vereenvoudigen door het stellen van restricties.

    Te veel vrijheid is schadelijk

    Als we financiele crises willen voorkomen moeten we de bewegingsvrijheid van de financiele sector drastisch inperken. Wat we volstrekt normaal vinden voor medicijnen, auto’s en electrische apparaten (pas invoeren na uitgebreide testen) moeten we ook normaal gaan vinden voor nieuwe financiele producten. Te veel onzekerheid en (te) snelle aanpassingen kan leiden tot onderbenutting van potentieel of zelfs tot destablisatie van markten. Een voorbeeld van het eerste (onderbenutting) op de arbeidsmarkt: bij te veel onzekerheden kiezen werknemers voor de veilige beroepen en is sprake van onderbenutting van schaarse talenten. Een voorbeeld van de destabliserende werking vinden we weer op de fianciele markten. Financiele markten zijn vooral efficient in het genereren van winsten voor zichzelf op de korte termijn. Een puur op de financiele sector aangewezen groei van de economie is kortzichtig, zie de voorbeelden in Ijsland en Ierland. De fianciele sector wordt dan zelfs zo interessant dat reele productiebedrijven (zoals General Motors) zich gaan toeleggen op financiele producten waar ze er beter aan zouden doen hun eigen producten te verbeteren.

    De mythe van de kenniseconomie

    En dan kennis. Meer kennis en meer onderwijs leidt vanzelfsprekend tot meer economische groei. Dat blijkt statistisch nog niet zo makkelijk te liggen. Door de toenemende mechanisering is wellicht juist een lager opleidingsniveau nodig dan vroeger (aan de kassa hoef je niet meer te kunnen rekenen). Het lijkt overtuigend: met een hogere opleiding word je productiever omdat je meer gaat verdienen. Veel studies (literatuur, geschiedenis, filosofie, muziek) zijn economisch en praktisch bezien pure tijdverspilling, evenals veel van wat je op universiteiten leert. Ook lijkt de opleidingsinflatie (je moet wel een opleiding doen want anderen doen het ook, anders kom je helemaal niet meer in aanmerking voor die baan) verspilling van tijd en energie vanuit een economisch perspectief (vergelijk het met het theater waar mensen voor je gaan staan om het beter te zien, waardoor jij ook moet gaan staan etc. Uiteindelijk moet iedereen gaan staan en ziet niemand het beter). Het gaat uiteindelijk om het vermogen van een land om meer productieve kennis te genereren dan anderen dat zorgt voor meer welvaart. Dat vermogen wordt niet alleen bepaald door het opleidingsniveau van de individuele burgers maar eerder door de juiste instituties en organisaties die voor bundeling en hogere productiviteit zorgen.

    Wat zijn dan de 4 leidende hoofdthema’s die steeds terugkeren in ‘alle dingen’?

    1. Beperking in vrijheden vergroot efficiency van beslissingen want vergroot eenvoud. Rationaliteit in volledige informatie is een fictie. Er is sprake van beperkte rationaliteit (bounded rationality). Daarom moeten bepaalde financiele producten domweg verboden worden tenzij er uitdrukkelijk een bewezen bijdrage is aan de samenleving op lange termijn.

    2. Veel markten zijn intern en daar is geen sprake van volledige marktwerking. Interne markten van bedrijven kenmerken zich juist door visievorming, planning en sturing. Planning mag als die indicatief is, en dus moet de rol van overheden op dit terrein groter en actiever worden.

    3. Kennis en onderwijs zijn niet zonder meer de motors van economische groei. Er lijkt een grotere rol weggelegd voor de onderliggende sociale en economische instituties. Het gaat om het sociale vermogen kennis te vertalen naar productieve innovatie.

    4. Dat fysieke productie niet meer relevant is voor de moderne Westerse wereld is onjuist. Het lijkt dat het belang van productie afneemt door de enorme productiviteits stijgingen die kenmerkend zijn voor fysieke productie. Een al te grote nadruk op verdienstelijking (met name het opkrikken van de financiele sector) kan gevaarlijk zijn. We moeten daarom ‘dingen maken’ serieuzer gaan nemen. Investeringen in saaie dingen als machines, infrastructuur en training moeten worden aangemoedigd.

    The end of money  

    Greco: the end of money

    Een aantal weken gelden zijn we in het kader van slimme financiering op het thema van alternatieve geldsystemen gekomen. Ik zei al eerder dat dit een hele nieuwe wereld is, ook voor ons. Maar ondanks de overvloed aan informatie, is er ook veel kaf tussen het koren. Na wat speurwerk heb ik besloten eens te starten met een recent werk van Thomas Greco. Greco is iemand die als sinds de jaren 80 op dit thema zit en inmiddels een van de bekendste namen op het gebied is. Ik neem een recent werk van hem als uitgangspunt voor verdere discussies over en afbakeningen van het thema alternatieve geldsystemen.

    Ik heb besloten uitvoerig op dit boek in te gaan. Inclusief een uitgebreide inleiding van mezelf betekent dat een serie van een aantal blogs die op elkaar voortborduren. Ik weet nog niet hoeveel blogs ik nodig heb maar ik zal ze netjes nummeren en er komt er om de 1-2 weken eentje bij.

    Voordat ik op de inhoud van Thomas Greco ‘The end of money’ (2009) in ga, is het handig eerst een economisch-theoretisch kader neer te zetten. Misschien een lange inleiding, maar het voorkomt misverstanden en later bij de bespreking van Greco bespaart het ook weer tijd.

    Een enkel persoon: Robinson Crusoe

    De arbeidsbeslissing

    Voor de duidelijkheid vind ik het handig helemaal terug te gaan naar de kern van de economie. Stel er is maar 1 persoon op de wereld (en dat is dus de metafoor van Robinson Crusoe op het onbewoonde eiland), hoe ziet het plaatje er dan uit? Robinson heeft eigenlijk twee dingen tot zijn beschikking: tijd en een eiland met spullen om zich heen. Die spullen, laten we zeggen noten, liggen op het eiland maar om ze op te kunnen eten moet hij moeite doen, hij moet de noten oprapen en openmaken voordat hij ze kan eten. In wezen is hier het economische vraagstuk: hoeveel van mijn (vrije) tijd moet ik opofferen om tot een bevredigende consumptie te komen? Afhankelijk van hoeveel moeite het hem kost de noten te vinden en open te maken (in economisch jargon: de productiefunctie) enerzijds en hoeveel honger hij heeft en hoe lui hij is (zijn voorkeur voor consumptie en vrije tijd, in economisch jargon: de nutsfunctie) anderzijds, bepaalt hij de optimale hoeveelheid arbeid die hij naar de ‘markt’ brengt. Zijn ‘reele loon’ is nu in feite hoeveel noten hij krijgt voor een uur of een dag arbeid.

    De spaarbeslissing

    Ik ging er in het voorbeeld van uit dat de noten elke periode (een dag of een jaar) op het strand of de bossen vallen en niet kunnen worden bewaard. Ze zijn aan het eind van de periode dus niet meer eetbaar. We breiden het model nu uit met de vooronderstelling dat de noten langer goed blijven. Nu krijgt het economische vraagstuk een tweede dimensie. Eerst was er alleen de vraag hoeveel ga ik werken, nu stelt zich ook de vraag: hoeveel ga ik nu consumeren en hoeveel later. Met andere woorden: hoeveel ga ik sparen? Robinson kan besluiten nu extra veel noten te gaan sprokkelen (dus minder vrije tijd te genieten) en maar een deel van die noten direct op te eten. Het restant van de noten kan hij dan de volgende periode opeten met als beloning dat hij dan meer vrije tijd heeft. Als elke periode er hetzelfde uitziet, dan heeft sparen niet zo veel zin. Sparen heeft zin als Robinson nu bijvoorbeeld sterk is maar in de toekomst misschien ziek wordt. Sparen kan ook zin hebben als Robinson verwacht dat de oogst dit jaar goed is maar de komende jaren minder zou kunnen zijn. Afhankelijk van hoe Robinson de toekomst inschat zal hij besluiten nu meer of minder te gaan werken en meer of minder te consumeren. Het resultaat is dat hij noten apart legt (spaart) om in de toekomst verzekerd te zijn van consumptie zonder dat hij er dan voor hoeft te werken. Van rente op sparen is hier uiteraard geen sprake. Hooguit van een negatieve rente als de noten toch elk jaar aan licht verval onderhevig zijn, als ze elk jaar minder energie bevatten of gewoon minder lekker worden. Dus ook bij een negatieve rente kan het zinvol zijn te sparen. In dat geval dwingen de onzekere omstandigheden en de barre omgeving Robinson ertoe te sparen.

    De investeringsbeslissing

    We maken het model nog een stapje ingewikkelder. De noten kunnen niet alleen bewaard worden, ze kunnen ook worden ingezet om een stuk gereedschap van te maken. Nu kun je met de noten dus drie verschillende dingen doen: je kunt ze meteen opeten, je kunt ze gewoon bewaren (laten liggen, sparen) of je kunt ze bewerken om er gereedschap van te maken. Nu kan Robinson niet alleen sparen, hij kan ook investeren. Waarom zou Robinson investeren? Het idee is dat als je nu noten gebruikt om er gereedschap van te maken, dat je dan in de toekomst met minder tijd meer noten kunt rapen of plukken. Je maakt van de noten bijvoorbeeld stokken of scheppen die je arbeidsproductiviteit in de toekomst vergroten. Ook bij een stationaire groei (of nulgroei) zul je moeten blijven investeren omdat machines en apparatuur verslijt en/of onderhoud behoeft.

    Investeren zal Robinson alleen maar doen als hij daar een positief rendement van verwacht. De tijd die hij nu nodig heeft om het gereedschap te maken moet meer dan goed worden gemaakt door de tijd die hij in de toekomst uit kan sparen door snellere pluk of vangst. De verhouding tussen toekomstig bespaarde tijd versus nu extra benodigde tijd zouden we hier de reele rentevoet kunnen noemen. Hoe hoger deze rentevoet hoe meer Robinson geneigd is nu minder te consumeren en meer tijd te stoppen in de productie van ‘machines’. Let op: ook bij een eenpersoonseconomie kan dus sprake zijn van een rentevoet (hebben we later nodig bij de behandeling van Greco). Maar de voordelen van de rente komen geheel en al ten goede aan Robinson zelf, het is zijn extra inspanning in het heden versus zijn eigen beloning in de toekomst.

    Impliciet zitten in bovenstaande modellen nog twee vooronderstellingen verscholen. Robinson houdt van vrije tijd. Het omgekeerde daarvan betekent dat hij arbeid niet leuk vindt (want het gaat ten koste van vrije tijd). Arbeid vindt alleen plaats als daar een beloning tegenover staat. Die beloning noemde ik hierboven in deel (1) de reele loonvoet. Verder vindt Robinson consumptie in het heden fijner dan consumptie in de toekomst. Er zit iets achter van: je kunt het maar beter gehad hebben, ik leef in het nu en hoe het in de toekomst is moet je nog maar afwachten. In economentaal wordt dat tijdsvoorkeur genoemd. Robinson is alleen bereid huidige consumptie uit te stellen als daar in de toekomst een vergoeding tegenover staat. Als Robinson, alle overige omstandigheden gelijk, moet kiezen tussen dezelfde hoeveelheid consumptie nu of in de toekomst, kiest hij dus voor de consumptie nu. Sparen en investeren zijn allebei vormen van uitgestelde consumptie. In het voorbeeld van hierboven spaart Robinson alleen omdat hij wel moet (onzekere oogst of niet in staat te werken) en investeert hij omdat hij daar een positieve beloning voor terug verwacht. De positieve beloning van investeren noemden we hierboven de reele rentevoet. In economische termen: Robinson zal alleen investeren als het verwachte rendement op de investering hoger is dan zijn tijdsvoorkeur.

    Merk tenslotte op dat sparen en investeren hier niet gelijk aan elkaar hoeven te zijn. Robinson kan sparen en investeren tegelijk, het zijn afzonderlijke overwegingen, ze zijn niet per se op elk moment aan elkaar gekoppeld (hoewel ze over een langere periode wel weer met elkaar in verband staan, maar dat gaat voor nu te ver om uit te werken).

    In deze economie is geen geld aanwezig en ook geen schuldpapieren. Het zijn alleen goederen die de klok slaan. Geld en schuld heeft pas zin als er sprake is van meerdere personen die met elkaar iets kunnen uitruilen. Deel 3 gaat verder met een economie waarin meerdere personen goederen met elkaar kunnen ruilen.

    Enkele conclusies (met het oog op vervolg naar Greco):

    • Rente of rendement is niet iets wat banken hebben uitgevonden
    • Maar een normaal mechanisme om beslissingen in de tijd optimaal in te kunnen richten
    • Rente heeft op zich niet zoveel met geld te maken, rente kan ook thuis horen in een pure goederen economie
    • Rente of rendement kan in bijzondere gevallen ook negatief zijn
    • Ook bij nulgroei van een economie moet er geinvesteerd worden om te compenseren voor slijtage (vervangingsinvesteringen)
    • Rente en groei zijn dus geen zaken die inherent leiden tot een onhoudbare of instabiele situatie (met alsmaar toenemende schuldenlasten etc)
    • Budget constraints (in de tijd) spelen een grote rol bij het brengen van evenwicht of het voorkomen van instabiliteit: je kunt of mag over een heel leven niet meer opmaken dan je in totaliteit verdient (of je nu een individu bent of een land)
    • Crusoe is een mooie metafoor voor duurzaamheid: afwentelen naar een ander of in de tijd is simpelweg niet mogelijk, Crusoe krijgt de consquenties van zijn eigen daden onherroepelijk voor zijn eigen kiezen

    Meerdere personen

    We maken van onze Robinson economie een echtere economie door aan te nemen dat we een land hebben met meerdere Robinsons die met elkaar spullen kunnen uitruilen. Niet elke Robinson hoeft hetzelfde te doen. De ene kan nu meer werken en later vrije tijd hebben en andersom. De ene kan nu meer consumeren en later minder en andersom. We laten de noten even varen en noemen het gewoon goederen. Nog steeds is er geen sprake van geld.

    Uitgangspunt is weer dat elke inwoner een pakket ‘resources’ tot zijn beschikking heeft. Die resources bestaan uit zijn potentie om arbeid te verrichten (uitvindingen te doen etc). Elke inwoner van dit land staat nu voor de uitdaging om zijn resources in de tijd zo goed mogelijk in te zetten en te verdelen. De enige randvoorwaarde daarbij is dat je over de duur van je leven niet meer kunt opmaken dan je totaal aan resources en vergoedingen hebt of krijgt. In economen jargon heet dit de ‘lifetime budget constraint’. De totale consumptie over een heel leven mag niet groter zijn dan de totale inkomsten of verdiensten in een heel leven. Bij Robinson was er ook zo’n conditie maar die ging daar vanzelfsprekend op omdat hij alleen was en er geen enkele mogelijkheid was om meer te consumeren dan door harder te werken. Met meerdere personen ontstaat nu de mogelijkheid elkaar dingen uit te lenen om die later weer terug te geven. Nu kun je hetzelfde blijven consumeren en toch minder werken door het missende deel bij te lenen van iemand anders.

    Goederen bederfelijk

    Laten we weer simpel beginnen en veronderstellen dat de goederen bederfelijk zijn (je kunt ze niet bewaren). Stel ik kan nu om een of andere reden niet werken maar wil toch consumeren. Omdat in deze economie niet iedereen in dezelfde levensfase zit, kan ik op zoek gaan naar iemand die nu meer goederen ontvangt of maakt dan dat hij nu opmaakt. Ik ga naar die persoon toe en vraag hem of ik zijn surplus aan goederen nu mag consumeren. Technisch is dat natuurlijk geen enkel probleem. De enige conditie voor deze economie is dat de totale consumptie gelijk moet zijn aan de totale productie (kan ook kleiner zijn, maar dan moet een deel van de productie worden weggegooid, en dat is niet logisch). De vraag is waarom iemand anders die een overschot heeft dat aan mij zou geven. Welnu, het idee is dat hij die goederen later weer terug krijgt. Ik sluit dus als het ware een lening af en beloof dezelfde goederen maar dan op een later tijdstip terug te geven. De belofte kan op een stukje papier worden geschreven en dat stukje papier is dan een schuldbekentenis die een zekere waarde vertegenwoordigt in het economische verkeer (het stukje papier geeft namelijk recht op de levering van x goederen op moment y).

    Kan het terug geven van de goederen zonder rente gebeuren? In principe is een vergoeding van rente niet nodig als diegene die het overschot heeft geen andere mogelijkheid heeft (zelf niet consumeren leidt namelijk tot bederf van zijn goederen). In deze beperkte economie kunnen dus schuldpapieren circuleren zonder rente of vergoeding omdat iedereen zijn levenscyclus van consumeren en produceren optimaal kan inrichten. Zonder keuzemogelijkheid dus geen rentevergoeding. Maar waarschijnlijker is dat het een onderhandeling wordt tussen surplushouder en tekorthouder: wat heb jij ervoor over om nu meer te consumeren en wanneer ben ik bereid mijn consumptie uit te stellen? Ook kan het voorkomen dat een groot deel van de bevolking nu meer wil consumeren en een relatief klein deel consumptie wil uitstellen. Er is dan schaarste aan uitgestelde consumptie en dat betekent dat de kleine groep spaarders een vergoeding in de markt kan vragen. Het omgekeerde kan overigens ook: heel veel mensen hebben gedwongen goederen over en bijna niemand wil nu consumeren. In dat geval zal er een boete (een negatieve rente) komen op uitgestelde consumptie. De boete of vergoeding op uitgestelde consumptie werkt op deze manier als een evenwichtsherstellend mechanisme.

    Conclusie: een rentevergoeding bij schuldpapieren is in deze simpele economie onder bepaalde aannamen niet noodzakelijk, maar vanuit marktwerking is het aannemelijk dat er een vergoeding zal bestaan voor spaargedrag.

    Voorraad vorming

    De volgende stap is dat we in deze ruileconomie aannemen dat de goederen niet langer bederfelijk zijn. De goederen kunnen ook worden opgeslagen of bewaard (met eventueel een mindere kwaliteit in de loop van de tijd). Nu worden de keuzemogelijkheden voor de inwoners uitgebreid. Hiervoor gold dat de consumptie gelijk moest zijn aan de productie, nu is dat niet langer het geval. De totale consumptie kan nu maximaal gelijk zijn aan de totale productie plus wat er in de vorige perioden is bewaard of gespaard. Een individu kan nu dus zelf zijn toekomst regelen door nu harder te werken en minder te consumeren en meer te bewaren of op te slaan. Vanzelfsprekend staat er in dat geval geen rentevergoeding tegenover. Het alternatief van zelf opslaan zonder rentevergoeding (sterker nog: mogelijk kwaliteitsverlies) blijft nog steeds om het aan iemand anders te geven met de belofte dat de goederen op een later tijdstip worden terug gegeven. Het in eigen beheer houden van je spaargedrag houdt minder risico in, je bent het immers zelf die toezicht houdt op je opslagplaats. Om je goederen aan een ander te geven, zul je toch een tegenprestatie verwachten in de vorm van een rentevergoeding. Er is altijd een risico dat iemand anders niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.

    Investeren

    Dan is de volgende uitbreiding van deze ruileconomie weer dat de goederen niet alleen kunnen worden opgeslagen maar ook kunnen worden omgezet in investeringsgoederen. Nu zijn er dus nog meer mogelijkheden voor een individu om de stroom consumptie in de tijd optimaal te matchen met de stroom aan productie en inkomsten. Voor de totale economie geldt nu wederom dat het totale aanbod per periode gelijk moet zijn aan de totale vraag naar goederen. Het aanbod bestaat uit de in deze periode vrijkomende productie plus de in de vorige perioden bewaarde goederen. De totale vraag bestaat nu uit de lopende consumptie van goederen plus de investeringsvraag. Ook hier geldt weer dat er meer geinvesteerd zal worden naarmate de toekomstige productie door die investeringen hoger zal uitvallen. Als we nu weer de vraag stellen naar de mogelijke vergoeding van rente op schuldpapieren wordt het antwoord nog duidelijker. Iemand met een overschot aan goederen heeft nu de keuze zijn goederen te investeren met het vooruitzicht daar een reele vergoeding in de toekomst voor terug te krijgen (de reele rentevoet die wordt bepaald door de meerproductie in de toekomst gedeeld door de investering in het heden).

    Hoe zal zo iemand verleid kunnen worden zijn surplus aan goederen af te staan aan iemand die er nu meer voor wil consumeren met de belofte die goederen in de toekomst terug te geven? Zo’n ‘surplusser’ zal alleen overtuigd kunnen worden van zo’n deal als er een vergoeding tegenover staat die minimaal in de buurt komt van de vergoeding die hij kan krijgen door zijn goederen te investeren. Oftewel: een lening heeft alleen zin als er een reele rentevergoeding tegenover staat. Let wel: er is in deze economie nog geen sprake van geld of van banken. Het pure feit dat individuen een tijdsvoorkeur hebben en er mogelijkheden bestaan om goederen renderend te investeren (omwegproductie, met een reeel rendement) leidt er toe dat er schuldpapieren kunnen worden verhandeld waar een rentevergoeding tegenover moet staan, een en ander afhankelijk van vraag naar en aanbod van deze schuldpapieren.

    Schuldpapieren

    Onze voorbeeld economie hierboven kent al de nodige financieringsconstructies. Van financiering is sprake als je op enig moment niet voldoende middelen hebt om je ambities te realiseren. De makkelijkste is als je meer wilt consumeren dan je op dat moment aan inkomsten of productie of vermogen hebt (dus productie in het heden plus wat je eerder hebt gespaard). In dat geval kun je dus goederen lenen van een ander. Je schrijft een schuldbekentenis uit en zult in de toekomst goederen met een vergoeding terug moeten betalen. De schuldpapieren kunnen in principe verhandeld worden als de goederen aan toonder moeten worden geleverd. De waarde van de schuldpapieren wordt bepaald door het aantal goederen dat geleverd moet worden inclusief de extra goederen in de vorm van rente, door de tijdsvoorkeur en door het eventuele risico van wanbetaling.

    Als je wilt investeren en je hebt de goederen op dat moment niet zelf voorhanden, dan geldt in wezen dezelfde redenering. Ook dan kun je schuldpapieren uitgeven. Het maakt diegene die de goederen afstaat in wezen niet zoveel uit of je het gebruikt om nu te consumeren of dat je er iets anders mee doet. De aanname is dat de goederen met een rentevergoeding worden terugbetaald later in de tijd. Toch is het handig bij een investering een onderscheid aan te brengen. Bij consumptie hebben we het gewoonlijk over een lening. Bij een investering kun je een onderscheid maken tussen vreemd vermogen of eigen vermogen. Vreemd vermogen wordt in investeringstaal ook wel een obligatie genoemd. Een obligatie is in wezen hetzelfde als een consumentenlening, er worden goederen geleend in het heden en later worden die goederen met een vergoeding terug gegeven. Maar bij een investering weet je nooit hoe het uitpakt, het risico is substantieel hoger dan bij een gewone lening. Daarvoor is eigen vermogen bedoeld. Met eigen vermogen koop je als het ware een aandeel in de nieuwe investeringsactiviteit (het bedrijf).

    Dus weer even in termen van onze voorbeeld economie. Ik wil investeren (want ik geloof dat de omweg productie die mij voor ogen staat veel gaat opleveren, maar ik weet het niet zeker, het kan mislukken) maar heb onvoldoende middelen om dat nu zelf voor elkaar te krijgen. Ik kan mensen met een overschot aan goederen vragen of ze hun goederen aan mij willen afstaan. In ruil daarvoor krijgen ze een papier (een aandeel) waarop staat dat ze niet hun goederen terug krijgen maar elke periode een deel van de (onzekere) winst die ik ga maken. Als ik gebruik bij mijn investering gebruik maak van zowel vreemd als eigen vermogen geldt dat ik van de opbrengst van mijn omweg productie eerst de goederen terug moet betalen van de leningen en pas als er dan nog iets over is goederen kan uitkeren aan de verschaffers van eigen vermogen (dat heet dan dividend). De papiertjes waarop staat dat ik recht heb op dat jaarlijkse dividend heten aandelen en die kunnen worden verhandeld. De waarde van die aandelen worden bepaald door de verwachte stroom dividenden in de toekomst, door mijn tijdsvoorkeur en door het risico dat bij de investering hoort.

    Geld

    Merk op dat alle ingredienten in het economische verhaal zitten en dat er nog helemaal niet is gerept over geld. Alles kan worden uitgedrukt in goederen: het loon, de rente, het dividend, de lening. In een simpele economie waar maar een soort goed bestaat dat voor alles en nog wat kan worden ingezet kan dat. Eigenlijk is het goed hier ook het geld. Het is reeel geld dat je ook kunt opeten. Sommige economen beweren dan ook dat geld in die zin niets toevoegt: geld is gewoon een manier om die goederen om te zetten in nominale bedragen (Euro’s). Er is een vaste verhouding tussen de hoeveel geld in de economie en de hoeveel goederen. Er komt nu wel een complicatie bij, want door de hoeveelheid geld te verhogen gaan alle goederen nominaal in prijs omhoog en omgekeerd. Geld introduceert dan inflatie of deflatie, maar die is puur rekenkundig, heeft geen reele effecten op onze voorbeeld economie.

    In werkelijkheid is natuurlijk niet sprake van een universeel goed. Er zijn meerdere goederen en iemand die goederen van type a overheeft zal in de regel iemand ontmoeten die goederen van type b nodig heeft. Geld zorgt er dan voor dat de alle goederen vergelijkbaar worden gemaakt, zowel onderling als in de tijd. Nu zal dus iedereen in geldeenheden gaan rekenen. De loonvoet wordt nominaal, de rentevoet wordt nominaal en dividend wordt nominaal. Theoretisch hoeft er door de introductie van geld niet veel te veranderen in onze voorbeeld economie. Maar in de praktijk trekt geld een sluier om de reele economie, er komt een extra vertaalslag met alle mogelijke fouten, onzekerheden en verwarringen die daarbij horen. Hier zijn bibliotheken over vol geschreven en het gaat voor dit verhaal te ver daar op in te gaan.

    Overheid en bankwezen

    Om het verhaal van Greco te kunnen volgen moet ik nog twee dingen kort uitleggen. Dat is de rol van de overheid en die van het bankwezen. Een overheid zou je in termen van onze voorbeeld economie gewoon als een individu kunnen behandelen. Een overheid consumeert ook gewoon goederen (ambtenaren die moeten eten). Een overheid heeft echter een unieke bron van inkomsten, namelijk belastingheffing. Belastingheffing betekent in termen van onze voorbeeld economie dat je van alle burgers een deel van hun goederen opeist. Verder kan een overheid ook investeren. Ze kan bruggen bouwen, scholen stichten etc. Ook voor de overheid geldt een ‘budget constraint’. De goederen die ze bij haar burgers afvangt (belastingen) kunnen worden aangewend voor consumptie (ambtenaren salarissen) of voor investeringen (bruggen bouwen). Als ze op enig moment meer wil doen dan de belastinginkomsten toelaat, dan zal ze net als een burger gewoon moeten lenen. En net als bij een burger geldt dat ze over de leningen een vergoeding moet betalen en dat alle uitgaven in de tijd niet groter mogen zijn dan alle inkomsten in de tijd (life time budget constraint voor de overheid).

    Overheid

    Een overheid is anders dan een burger omdat een overheid in principe oneindig lang leeft en altijd maar weer opnieuw aan haar renteverplichting kan voldoen door weer nieuwe schulden aan te gaan. Zolang iedereen gelooft dat de overheid uiteindelijk toch haar schuld aflost is dat geen probleem (maar zie de huidige discussie: schulden van landen kunnen zomaar worden afgeboekt, dus het verschil met een burger is hier relatief). Maar de overheid is ook anders dan een burger omdat de overheid de basis geld hoeveelheid in een economie bepaalt. Door aan de knoppen van de geldhoeveelheid te draaien ontstaat inflatie en worden de schulden van de overheid in reele termen kleiner. Op deze manier heeft de overheid een monopolie om haar eigen schulden in waarde te laten afnemen (rationele consumenten zullen dit in hun afweging betrekken en een hogere vergoeding vragen) en zo consumenten-beleggers via de achterdeur te benadelen (inflatie is daarom een vorm van belastingheffing).

    Banken

    In wezen kan in onze voorbeeld economie iedereen voor bank (als inlener-uitlener) spelen. Je kunt gewoon zelf een schuldbekentenis uitgeven en onderling elkaar belenen. Bij het verhaal van Greco gaat dat gegeven nog een belangrijke rol spelen. Dat is allemaal niet erg praktisch natuurlijk. In termen van de goederen economie is een bank een regeling waar het surplus aan goederen wordt gestald en waar iemand met een tekort naar toe kan om goederen op te halen. Er worden wat formulieren getekend en klaar. Later worden de goederen met vergoeding weer teruggebracht en kan de oorspronkelijke eigenaar ze weer ophalen. So far so good. In deze termen is een bank gewoon een soort administratie-huis die de handel versoepelt.

    Maar de praktijk is uiteraard anders. Een bank hoeft fysiek natuurlijk niet al die spullen op en neer te sjouwen. Ze houden gewoon een kasboek bij met wat iedereen tegoed heeft. Nog steeds niets aan de hand. Maar het unieke van (zogenaamde geldscheppende) banken is het simpele feit dat een saldo bij een bank kan volstaan als definitieve betaling (waarbij het saldo van de een wordt verhoogd en het saldo van de ander wordt verlaagd). Op deze manier creeert een bank haar eigen mogelijkheid leningen af te sluiten waar ‘niets’ tegenover staat. Ook een bank kan op deze manier dus inflatie veroorzaken. Dat is de reden dat banken onder toezicht staan van de overheid. Het gaat hier om een unieke quasi-monopolie positie (quasi omdat er natuurlijk meerdere banken bestaan die elkaar tot op zekere hoogte beconcurreren) die banken in staat stelt niet alleen een vergoeding te vragen over haar bewaar-werk maar ook een uniek verdienmodel in het leven roept waarbij ze als het ware eigen geld kunnen maken en daar ook nog een vergoeding over kunnen berekenen.

    Evaluatie Greco

    Banken krijgen in het boek van Greco de wind van voren. Greco stelt (zie later) dat het monopolie van banken en hun verdienmodel onze economie intrinsiek niet duurzaam maken. De onderlinge vervlechting van banken met overheden leidt tot steeds grotere schulden en dit weer tot steeds grotere rentelasten. Uiteindelijk resulteert dat in een (bewuste) concentratie van vermogen en macht die een rechtvaardige en duurzame samenleving in de weg staan en nu de reden zijn dat de wereldeconomie in een meervoudige crisis terecht is gekomen. Het pleidooi van Greco komt er in een notendop op neer dat er alternatieven zijn die de vicieuze cirkel van macht en schuld kunnen doorbreken. We kunnen van onderop met nieuwe ict-technieken onze eigen initiatieven financieren zonder de traditionele banken daarbij nodig te hebben.

    Vooraf is het goed te stellen dat Greco niet zomaar een onderzoeker of wetenschapper is. Onder een wetenschapper versta ik dan iemand die ‘gewoon’ naar de feiten kijkt en daar dan conclusies uit trekt (ik denk niet dat die bestaan, maar dat terzijde). Greco is iemand met een missie, iemand die met een passie de verschijnselen van geld en krediet bestudeert met als doel de democratisering van financiering en de economie. Het gaat hem niet alleen om het begrijpen maar ook om het veranderen, het gaat hem om economische gelijkheid, persoonlijke vrijheid, wereldvrede en ecologisch herstel. Het is maar dat u het weet.

    Het mooie of uitzonderlijke van dit boek (van Greco) is dat het oplossen van het geldprobleem geen onderdeel is van een bredere aanpak, nee, het is de werking van de huidige economie en het huidige bankwezen die een andere, betere, duurzamere, rechtvaardigere inrichting van onze samenleving fundamenteel in de weg staat. Banken als veroorzaker van de diepe crises en wortel van het kwaad dus. De ondertitel van het boek luidt dan ook: ‘.. en de toekomst van onze samenleving’. Als het financiele stelsel niet fundamenteel anders wordt ingericht zullen wereldoorlogen over de schaarse hulpbronnen (energie, water, voedsel, grondstoffen) onvermijdelijk zijn en zitten we nu aan de vooravond van een ‘new dark age’.

    Waarom is het nu dan fout geregeld? De oorzaak van het kwaad ligt volgens Greco in het bestaan van rente. Rente op rente geeft een exponentieel verloop in de tijd. We komen daardoor onvermijdelijk terecht in een zich verergerende schuldsituatie die op den duur moet barsten (‘a money bomb’). De staat en banken spelen daarbij onder een hoedje. De staat heeft het monopolie op de uitgifte van geld (bepaalt hoe het geld eruit moet zien om geaccepteerd te worden als finale kwijting van bijvoorbeeld belastingschulden). De staat geeft exclusieve licenties uit aan een beperkt aantal instellingen (banken) die kredieten mogen verlenen op basis van de hen toevertrouwde middelen. De staat ontdekt vervolgens dat zij zelf ook gebruik kan maken van de kredietfaciliteiten van de banken om meer uit te geven dan ze aan belastingen binnen krijgt. De gevolgen zijn uiteindelijk meer inflatie en bij gebrek aan aflossingscapaciteit het afstempelen van de schulden.

    Waar deze redenering van Greco in feite op neer komt is dat de staat via haar geldverschijnings monopolie er naast rechtstreekse belastingheffing instrumenten bij krijgt om tot grootscheepse herverdeling van macht en rijkdom over te gaan. Want zowel inflatie als afstempelen betekent een gedwongen herverdeling van bezit. Ondertussen garen de bankinstellingen er garen bij want zij bepalen tot op zekere hoogte wat ze spaarders aan rente vergoeden en wat ze bij kredieten aan rente opeisen. Het monopolie surplus van de banken vloeit in de tussentijd weg naar te grote en luxe gebouwen, naar te hoge niet marktconforme salarissen, naar bonussen en naar dividenden.

    De enige uitweg uit dit systeem is alsmaar blijven groeien, alsmaar extra productie en extra verkopen, om de rentelasten te kunnen bijbenen. Maar dat systeem leidt volgens Greco tot een uitputting van grondstoffen en dus tot huidige ecologische crisis. Bankiers en politici zitten onderling in een financieel complot en houden elkaar de hand boven het hoofd. Bankiers hebben een sterke lobby richting politieke besluitvorming en beloven interessante banen en privileges aan politici voor na hun bestuursperiode. In de woorden van Greco is er geen sprake van een scheiding van geld en staat.

    Op een aantal punten kan ik met Greco meegaan. Als ik geschiedenisboeken lees en naar de evolutie van onze soort kijk (biologieboeken) dan is strijd en macht een grote constante. Dat staat en banken elkaar de bal toespelen wil ik best geloven. Natuurlijk is er een lobby van banken om hen onwelgevallige beslissingen te mitigeren en natuurlijk zijn er politici die gevoelig zijn voor toekomstige beloningen. Het gaat om veel geld en grote belangen, dus laten we vooral niet naief zijn. Banken hebben een unieke monopolie positie en zullen die zo lang het kan profijtelijk in stand houden. Ook is het ontegenzeggelijk zo dat de staat op meerdere manieren tot herverdeling van macht en rijkdom kan komen. Officieel is het door belastingheffing (en herverdeling van de opbrengsten) maar feitelijk worden inflatie en afstempeling ook (al dan niet bewust )ingezet bij herverdeling.

    Maar is de oorzaak van de crisis dat er rente op schulden wordt berekend? Ik hoop in mijn lange inleiding te hebben laten zien dat rente een normaal onderdeel is van economische interactie. Rente vindt zijn oorsprong in tijdsvoorkeur, risico op wanbetaling en alternatieve mogelijkheden van aanwending van middelen met een hoger reeel rendement. Ook zonder staat en zonder banken zouden we het verschijnsel rente krijgen. Overigens kan die rente zoals eerder aangetoond in principe ook negatief zijn.

    Wat wel een probleem is is de monopoliepositie van banken en de vergoedingen die banken in een niet perfecte markt (geen vrije toetreding) kunnen vragen voor hun diensten. Niet rente als zodanig is het probleem, maar misbruik van een voorkeurspositie bij gebrek aan echte concurrentie. Maar dan nog. Stel dat je rente op rente moet betalen en dat je schuldenlast steeds groter wordt. Is dat per se een probleem? In mijn ogen niet. Er zijn twee uitwegen voor dit dilemma.

    Een uitweg is dat je pas gaat lenen of investeren als je een expliciete afweging hebt gemaakt die belooft dat de toekomstige opbrengsten hoger zijn dan het nu ontstane gemis. Een investeerder gelooft dus in technologische vooruitgang en denkt dat de stijging van de productiviteit ruimt opweegt tegen de schuldenlast. Zolang productiviteitsstijging en schuldenlast hand in hand gaan, hoeft er geen probleem te zijn. Ja maar, zult u zeggen, dat gaat een tijdje goed maar ooit moet het fout aflopen, je kunt niet eeuwig blijven groeien met je productiviteit. Wiskundig gesproken is dat volgens mij een drogredenering en ook praktisch gezien geeft de geschiedenis van de laatste eeuwen aan dat dit wel degelijk kan. Ook hoeft een alsmaar aanhoudende groei niet tot een ecologisch noodscenario te leiden. Groei kan ook betekenen een alsmaar zuiniger wordende automobiel, of een alsmaar productievere opwekking van energie. Wiskundig, theoretisch, economisch snijden deze argumenten van Greco dus geen hout.

    Praktisch bekeken ligt het natuurlijk wel genuanceerder. Onze focus op korte termijn belangen, onze neiging om problemen op anderen af te wentelen, en onze verslaving aan ieder jaar weer meer, kunnen er makkelijk toe leiden dat de innovaties niet tot een evenwichtige groei leiden en in the end leiden tot een onderuitputting van grondstoffen en een opeenstapeling van flatuleuze schulden. In termen van onze eerdere voorbeeld economie: we houden ons bij onze leen- en investering beslissingen niet aan onze eigen ‘life time budget constraints’ en er zijn te weinig ‘checks and balances’ om hier op toe te zien. Aan individuen en regeringen waarvan we nu al weten dat ze nooit terug zullen en kunnen betalen worden desondanks leningen verstrekt (in de wetenschap dat we de lasten toch af kunnen wentelen op een andere partij zoals de belastingbetaler of een volgende generatie).

    Een andere uitweg uit het probleem is dat om de zoveel tijd de zaak inderdaad zal klappen. Door allerlei omstandigheden kan de boel uit de pas gaan lopen, schulden kunnen niet meer worden terug betaald, de gehoopte innovatie blijft achterweg etc. Om de zoveel jaar krijg je dan een volledige afstempeling van alle schulden en start alles weer van voren af aan met een schone begin balans. Ook hier geldt weer dat we modelmatig een systeem kunnen voorstellen dat zo werkt met alle plussen en minnen. Of we per saldo gebaat zijn bij zo’n gang van zaken en of we het een andere kant in kunnen sturen, dat zijn terechte vragen.

    De grote zorg van Greco is de ongelijkheid die het huidige systeem oplevert. Remember: Greco is de man met een missie. Niet de banken of de staat als zodanig zijn de oorzaak van ongelijkheid. Ze kunnen en zullen de ongelijkheid mogelijk wel verergeren. De ongelijkheid zit hem al in de uitgangssituatie. De eenvoudige economische modellen van hiervoor hebben als kern dat je in bezit van resources bent (tijd, arbeid, energie, inventiviteit, omgeving) en dat je die in de tijd optimaal probeert aan te wenden. Niet iedereen heeft dezelfde resources tot zijn beschikking. De een is productief en de ander niet. De een heeft toevallig een schaarse capaciteit en de ander eentje die al volop aanwezig is. De ene begint net op een ongelukkig moment, de ander is de markt net voor. De een leeft sober en spaart veel, de ander maakt meer op dan hij tot zijn beschikking heeft. De ene kan een hoge vergoeding vragen, de andere niet. Dit zijn allemaal normale elementen in het economische spel. Het start met ongelijkheid en het eindigt met ongelijkheid. Gelijkheid is geen doel van economische interacties. Wat we wel kunnen doen is zo goed mogelijk begrijpen hoe het systeem werkt en daar in goed overleg op ingrijpen in een richting die we wel voorstaan. Bedenk echter dat elke ingreep ook weer nieuwe problemen en effecten sorteert.

    Waar een goed idee vandaan komt – Steven Johnson (2010/2012)

    Een boek uit 2010 alweer. Het gaat niet zozeer (als de titel wellicht doet vermoeden) over hoe je een creatieve sessie organiseert, maar over de geschiedenis van uitvindingen en innovaties en hoe die tot stand zijn gekomen. Johnson kijk naar de grote uitvindingen en spoort de patronen van het ontstaan ervan op. Hij doet dat om een journalistieke en prettig leesbare manier. Het doet mij erg denken aan de boeken van Malcolm Gladwell, zowel de keuze van onderwerpen, als de manier van kijken als de schrijfstijl (waarbij Gladwell nog soepeler en met meer humor schrijft)

    7 Patronen

    Johnson komt in zijn boek met 7 patronen die kenmerkend zijn voor het ontstaan van uitvindingen, innovaties of goede ideeën.

    1. Het volgende deurtje openmaken.
    2. Vloeibare netwerken.
    3. Kauwen op ideeën.
    4. Gelukkige samenloop van omstandigheden.
    5. Fouten.
    6. Nieuwe omgeving.
    7. Platforms.

    Het volgende deurtje

    Wat Johnson hier beweert is dat uitvindingen niet uit het niets komen. Je bouwt voort op wat anderen al voor jou hebben verzonnen en op wat er dus al beschikbaar is. Wij staan in die zin op de schouders van reuzen. Hij komt met een metafoor van een huis met allemaal kamertjes. Je bent in een kamertje en alle muren hebben een deurtje. Je weet niet hoe groot het huis is en wat er allemaal te doen is. Je opent gewoon een deurtje en kijkt wat daar achter zit. Het openen van een nieuw deurtje geeft steeds weer vier nieuwe mogelijkheden. Je komt steeds meer te weten over het huis.

    Soms komt het voor dat je een briljant idee hebt maar dat er nog niet genoeg deurtjes open zijn om er ook daadwerkelijk iets mee te kunnen doen. Zo had Charles Babbage in 1837 al een hele uitwerking gemaakt van hoe een computer zou moeten werken. Er zijn mechanische constructies gemaakt op basis van de tekeningen van Babbage die aantoonden dat zijn idee werkte en inderdaad de voorloper van de huidige computers is. Pas met de uitvinding van de transistor in 1947 (die weer is ontstaan als fout of toeval bij een ander experiment) was het idee van Babbage ook praktisch en bruikbaar geworden. De transistor kon een PC worden dankzij het deurtje dat Babbage eerder had opengezet.

    De tip voor ons is: kijk goed welke deurtjes al open zijn, maak slim gebruik van wat er al is.

    Uitvindingen lijken in die zin ook een zeker determinisme te kennen. Meerdere uitvindingen zijn ongeveer tegelijkertijd op andere plekken op de wereld ontstaan. Als het tot de mogelijkheden behoort gaat de uitvinding er vroeg of laat toch komen.

    Vloeibare netwerken

    Dit patroon gaat over de werking van onze hersens. Onze gedachten zijn een aaneenschakeling van het afschieten van neuronen in een bepaalde volgorde. Onze hersens lopen zo vaak dezelfde uitgesleten paden van volgorde, hoe vaker we iets doen of denken hoe makkelijker het wordt. Het zijn voorkeurspatronen. Maar er zijn ook voortdurend zijpaden die bewandeld worden. Sommige van die zijpaden zijn vruchtbaar en andere niet. Soms verlopen de paden heel vloeiend en gaan van het ene over op het andere. Je komt dan in een situatie van flow.

    De vraag is dus hoe je productief andere zijpaden kunt afdwingen die je op meer goede ideeën brengen. Johnson stelt dat je dit kunt sturen. Je hersens moeten van de juiste input worden voorzien. Die input gaat via je toegangskanalen als daar zijn ogen, oren, reuk etc. De fysieke omgeving speelt hier een belangrijke rol. Het kantoor waar je in werkt kan creativiteit stimuleren of juist tegenwerken. Het beschikbaar zijn van hulpmiddelen, het gebruik van bepaalde kleuren en materialen, het kan allemaal bijdragen aan meer kans op goede ideeën. Kantoortuinen met standaard opstellingen lijken in die zin ontworpen om de kans op goede ideeën te minimaliseren (aldus Johnson, don’t shoot the messenger). Verkeren in een gezelschap van mensen met goede ideeën is al helemaal een goed idee. Zo zetten ze voor elkaar steeds een nieuw deurtje open, van het ene komt het ander, de kern van brainstormen. Een stad is daarom een veel betere broedplaats van goede ideeën dan het eenzamere platteland.

    Tip is hier duidelijk. Zoek goede plekken en mensen op die uitnodigen tot creativiteit.

    Het kauwen op ideeën

    Dit patroon noemt Johson ’the slow hunch’. Het is een mythe dat je uitvindingen vaak zijn ontstaan door met een geniaal plan wakker te worden. Vaak heb je wel een goed idee, ergens voel je dat het wat kan worden, maar je weet het niet of het is ver weg en onbewust, het sluimert op de achtergrond. Iets klopt er niet en je blijft er mee rond lopen. Het is een slow hunch die door steeds maar weer terug komt in je bewustzijn en steeds maar weer opnieuw in de lucht wordt geworpen. Soms is dat een proces van jaren. Tot het kwartje uiteindelijk valt en er sprake is van een nieuwe uitvinding.

    Zo schijnt Darwin al heel vroeg het idee van evolutie gehad te hebben. Achteraf blijkt hij het al bijna letterlijk zo in zijn aantekeningen te hebben gezet. Maar het kwartje viel niet, hij herkende het inzicht nog niet als zodanig. De Amerikaanse inlichtingendienst had het netwerk rondom Bin Laden in de voorbereiding op 9-11 als meerdere malen in beeld. Maar het kwartje viel toen nog niet. Pas later, toen de ramp zich had voltrokken, bleken er al verzoeken te zijn ingediend om tot actie over te gaan. Maar de systemen hadden zoveel beschermlagen eromheen (filters) dat de verzoeken niet op de juiste bureaus terecht kwamen.

    De tip? Als je een idee hebt, ook al is het vaag, schrijf het gewoon op. Het maken van aantekeningen, het steeds maar herlezen van je aantekeninen (met de kennis van dat moment), levert uiteindelijk op dat het bovenop komt te liggen en het kwartje een keer valt (of niet natuurlijk). Een tip is ook om het niet te snel op te geven, uitvindingen kennen vaak een lange adem.

    Gelukkige samenloop van omstandigheden

    In hype-jargon wordt dit patroon ook wel serendipiteit genoemd. Soms valt alles op zijn plaats, je hebt het goede idee, op het goede moment, bij de goede mensen, in de goede omgeving. En dat gebeurt het. Maar Johnson stelt dat je dit kunt sturen. Het gaat erom dat de juiste structuren in jouw hersens contact maken met de juiste aanpalende structuren in jouw hersens of in die van anderen. Het moet allemaal maar net passen. De kans dat het allemaal past wordt groter als je de structuren vaak opnieuw opschudt zodat ze weer net op een andere manier neerdwarrelen.

    Tip. Vaak opschudden die handel. Dat doe je door iets heel anders te gaan doen. Door te gaan wandelen, een berg te beklimmen of de boekhouding te gaan doen. Met anderen erover praten, een presentatie geven, een discussie opstarten, allemaal manieren om de kans om ’toevallige’ samenloop van omstandigheden te vergroten.

    Fouten

    Het klinkt natuurlijk allemaal heel leuk als je die uitvindingen achteraf leest. Er wordt in de geschiedenisboeken meestal een mooi verhaal van gemaakt. Vaak zijn er jarenlange vele mensen mee bezig geweest, maar achteraf is er maar 1 held en is het allemaal zo bedacht. De held is daarbij vaak ook nog een nakomer in het spel die vooral commercieel wat handiger was dan de rest.

    Zo schijnt de uitvinding van de electronenbuis een gevolg te zijn van een verkeerde theorie. Lee de Forest (de uitvinder) was op zoek naar iets heel anders en had daarbij ook nog eens een verkeerde theorie. Toen dan door toeval het fenomeen ‘versterking’ zichtbaar werd had hij er ook nog eens hele andere toepassingen voor. Pas later is duidelijk geworden wat er hier aan de hand was en is de buis bruikbaar geworden als versterkend element voor elektronische signalen.

    Tip: fouten maken mag, maakt niet uit hoe je bij de uitvinding komt als ie maar werkt.

    Nieuwe omgeving

    Ook hier weer een fantastisch hype-woord: exaptation. Waar het om gaat is dat sommige ideeën in de ene context niets bijzonders zijn maar dat in een andere context wel kunnen worden. Zo weet ik uit eigen ervaring dat standaard inzichten uit de ene tak van sport, revolutionair kunnen zijn als ze worden toegepast in een andere tak van sport. Zo heb ik gesjeesde natuurkundigen zeer succesvol zien worden als top economen door hun oude inzichten maar eens op de economie toe te passen. Beter 5 jaar wiskunde en natuurkunde en in de avonduren wat economie bijspijkeren dan andersom blijkbaar (althans, ik ken geen topnatuurkundigen die van oorsprong economisch zijn opgeleid). Tja, je kunt het exaptation noemen, je kunt ook zeggen: in het land der blinden is eenoog koning.

    Maar, zonder gekheid, de tip is natuurlijk om hetzelfde idee eens van uit een heel andere hoek of context te bekijken. In de NLP-wereld is daar zelfs een aparte strategie voor ontwikkeld: de zogenaamde Bateson-strategie die oplossingen uit het ene domein probeert te vertalen naar oplossingen in een ander domein.

    Platforms

    De laatste. Hier noemt Johnson de uitvinding van GPS als voorbeeld. De russen hadden op een gegeven moment de satelleliet Sputnik om de aarde zweven. De Amerikanen waren daar niet gerust op en zetten een team op om dat ding in de gaten te houden. Ze konden op een gegeven moment berekenen wat de positie van de satelliet was op basis van een vaste plek op aarde (en wat natuurwetten). Tot iemand met de vraag kwam of je het dan ook kon omdraaien: als ik weet waar de satelliet is, kun je dan ook berekenen waar ik ben op aarde? En dat bleek te kunnen en zo is het huidige GPS systeem ontstaan.

    Wat is hier de boodschap? Als je maar genoeg geld, tijd, mankracht, energie en focus op een vraagstuk legt, dan forceer je innovatie en uitvindingen. De tip is, als je als land iets wilt en snel dan moet je er een bak geld tegen aan gooien. Google heeft om die reden ook een verplichte dag in de week dat medewerkers aan eigen onderzoek moeten besteden. Tijd en geld dat zich uiteindelijk terug verdient (naar het schijnt). Ik kan overigens ook allerlei nadelen van een dergelijke strategie bedenken maar dat is hier niet het onderwerp.

    Epiloog

    Leuk boek. Leuke voorbeelden. Zet je op punten wel aan het denken. Maar ook wel wat gezocht en bedacht. We beginnen met de titel en dan maken we er gewoon 7 wetten van. Kwestie van zoeken en die vind je altijd wel. Op het eind van het boek, misschien wel het interessantste gedeelte, probeert de auteur naar trends te kijken. Hij plot daartoe tientallen uitvindingen in de historie in een kwadrant. Dat kwadrent kent de assen – individueel versus collectief, en – markt-gedreven versus niet markt-gedreven. Duidelijk wordt dan dat grote uitvindingen niet meer komen van geniale eenlingen die jarenlang op hun zoldertje zitten. Die tijd is geweest. Grote doorbraken komen van grote organisaties of collectieven. Verder blijkt, en dat had ik niet verwacht, dat grote uitvindingen in toenemende mate een basis hebben in de publieke sector, ze zijn ontstaan vanuit algemene middelen en hadden geen winstoogmerk. Bedenk dus dat vele commerciële doorbraken en successen niet mogelijk waren geweest als er niet eerst een publiek betaald platform was geweest die de basis heeft gelegd (Tom Tom was niet mogelijk geweest zonder de grootscheepse militair-gedreven onderzoeken in de jaren 60). De auteur blijft op het einde van het boek worstelen met de paradox hoe het dan toch kan dat individuen zonder winstoogmerk het beste van hun kunnen willen geven (voor iets waar anderen later mee weglopen). Blijkbaar zijn er nog andere dingen in het leven dan snel rijk worden en veel roem vergaren. Een mooi voorbeeld van hoe een Amerikaan die zelf onderzoek doet naar goede ideeën ook met een nieuw inzicht komt …  

    Lessen uit de kredietcrisis – RMO (2012)

    Vorige week verscheen de studie ‘Tegenkracht organiseren: lessen uit de kredietcrisis’ (Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling 2012).

    Kernpatroon: niet uniek voor kredietcrisis

    De studie gaat op zoek naar het kernpatroon dat ten grondslag ligt aan het ontstaan van de kredietcrisis. Verder is de stelling dat dit kernpatroon niet uniek is voor de kredietcrisis en de financiele sector. Sterker nog, het is niet alleen voorbehouden aan de commerciele sector, we zien het ook terug in de publieke sector. De studie illustreert dit met voorbeelden uit de zorg en het onderwijs.

    Kernpatroon: abstractie

    Het kernpatroon dat het RMO heeft ontdekt bestaat uit 3 stappen. Het begint met een probleem of een uitdaging. Iets moet bijvoorbeeld goedkoper of sneller worden. In de zoektocht naar oplossingen wordt de werkelijkheid dan hanteerbaar gemaakt door te denken vanuit een versimpelde weergave van die werkelijkheid. Dat is stap 1, we maken een model of sjabloon van de werkelijkheid. Dit is de stap van de abstractie.

    Om een probleem op te lossen ga je terug naar de kern, je laat zaken sommige zaken weg en vergroot andere zaken juist uit. Op deze manier ontstaan doelstellingen als – maximaal rendement voor de aandeelhouder, – minimale kosten per patient, – een zo hoog mogelijke gemiddelde cito-score voor de school etc.

    Op zich is hier niets mis mee. Het maakt de complexe werkelijkheid hanteerbaar. Het gaat fout als vergeten wordt dat het maar om een model gaat, om een benadering van de werkelijkheid. Als er vergeten wordt wat ook alweer het echte probleem was waar het model de oplossing voor zou bieden.

    Kernpatroon: domineren

    Stap 2 in het patroon is dat in de nieuwe wereld van het abstractie model een belang gaat domineren. Zoetjesaan komt de oorspronkelijke doelstelling steeds meer op de achtergrond. Het middel wordt zoetjes aan een doel. De paradox is dat de werkelijkheid zich naar het model gaat zetten. Blijkbaar is de cito-score belangrijk, want daar word ik op afgerekend als docent, dan zal ik ook zorgen dat mijn leerlingen een hoge cito-score krijgen. Deelnemers aan dit spel gaan strategisch gedrag vertonen, gaan hun gedrag aanpassen aan het abstracte model. Mensen die het spel goed spelen worden beloond, mensen die zich verzetten worden afgestraft.

    Kernpatroon: escaleren

    Stap 3 in het patroon is dat er versterkende effecten optreden: zij die het spel het best spelen worden op dominantere posities gezet, zij die het spel niet goed spelen haken af en vertrekken. Er ontstaat een versterkende ‘bias’, er is sprake van zelfselectie. Uiteindelijk ontstaat een spel en een setting van deelnemers die uitblinken in het sturen van de werkelijkheid naar het vereenvoudigde model dat afziet van de oorspronkelijke gelaagdheid. De studie spreekt hier van een negatieve ‘reflexitiviteit’: systemen en mensen gaan op elkaar reageren (groupthink), het systeem gaat met zichzelf op de loop, er ontstaan perverse en averechtse effecten. Dit gaat door tot het systeem uit zijn voegen barst, ontploft, er zich een ramp voordoet etc. Dit is stap 3 van het uit de bocht vliegen, de stap van de escalatie.

    Abstraheren-domineren-escaleren

    Het patroon is dus – abstaheren, – domineren, – escaleren. Gevolg van het patroon is dat de systeemwereld het geleidelijk overneemt van de leefwereld.

    Sterk van de studie is dat er geen schuldigen worden aangewezen. De studie neemt afstand en gaat op zoek naar het patroon. Oplossingen voor het aanvankelijk geformuleerde probleem worden vanuit goede intenties bedacht. Als er veel geld naar het onderwijs gaat en we verwachten er meer van, dan is het niet raar om de prestaties te gaan meten en volgen. Over zo’n cito-score is goed nagedacht. Zo’n score heeft zijn nut maar natuurlijk ook zijn beperkingen. Als het hele systeem zich gaat richten naar maximale cito-scores dan ontstaan negatieve en ongewenste bijeffecten. Het is ook menselijk dat we ons gedrag aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid. We willen immers overleven in het systeem. En zo gaat survival of the fittest over in surviving of the fitting (niet de meest geschikte overleeft maar diegene die het best past). Dat de studie niet oordeelt door schuldigen aan te wijzen betekent overigens niet dat er geen schuldigen zijn. Diploma-fraude is begrijpelijk als systeem-effect maar kent natuurlijk wel een schuldige.

    Oplossingen

    Ook geloofwaardig van de studie is dat er geen simpele oplossingen worden geboden (ook wel weer jammer natuurlijk). Want wat kunnen we doen om verdere schade of herhaling te voorkomen? De studie stelt dat deze systeemeffecten er nu eenmaal bij horen, ze kunnen niet helemaal worden voorkomen.

    De oplossing om grotere schade te voorkomen:

    • Erkennen dat de werkelijkheid complex is. Erkennen dat er altijd meerdere belangen rond een probleem spelen. Breng de belangen in kaart en spreek er openlijk over hoe alle belangen zo goed mogelijk kunnen worden bediend.
    • Erkennen dat elke oplossing weer nieuwe problemen met zich meebrengt. Erkennen dat elke afspraak, elk systeem, elke spelregel tot een nieuwe dynamiek en werkelijkheid leidt die weer nieuwe (en ongewenste) bijeffecten genereert. De oplossing is, zoals deze studie doet, van afstand kijken naar het systeem en je afvragen: wat gebeurt hier nu eigenlijk, is dit wat we willen? Het visualiseren van de patronen geeft vaak weer nieuwe inzichten (en is in feite een vorm van interventie en het begin van verandering).
    • Tenslotte, en daar hebben we de titel van de studie, organiseer tegenkrachten. Haal andersdenkenden binnen je organisatie, luister naar kritische geluiden, geef gelegenheid tot het uiten van klachten, richt een procedure in dat de klachten op een goede plek terecht komen en serieus worden behandeld, organiseer toezicht, koester ondernemingsraden, clientenraden, burger-raden en zo verder.

    Rudy van Stratum  

    Boekbespreking van Tim Jackson’s ‘Prosperity without growth’. Ditmaal in een ander format gegoten.

    Voor beter leesbare versie, download pdf:
    klik hier voor download


    Dit is een experiment (dd 12-5-2026) om op basis van een map oude files op een server (ooit een website, cms werkt(e) niet meer) via Claude een reconstructie te maken met als output een enkele html-file. Aardig gelukt, de site heb ik inmiddels heruitgegeven als rudyretro.nl just for fun en for old times sake.

    Previous Post Next Post
    @media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*