661 Hoe zat dat dan met Milton Friedman?
Dan rest mij nog een vraag als het gaat over de noodzaak van formalisering in de economische wetenschap. Samuelson okay. Maar hoe zit dat dan bij de misschien wel meest bekende econoom/pleitbezorger van ongebreidelde winstmaximalisatie? Friedman heeft zonder wiskunde de zaak nog een verdere ideologie-boost gegeven, ook voor vakgenoten.
Je ziet het goed — en de spanning is reëel. Friedman is inderdaad de uitzondering die de regel lijkt te weerspreken. Maar bij nader inzien bevestigt hij haar op een dieper niveau.
Friedman: de uitzondering die de regel bevestigt
Friedman was geen modellenbouwer in de Walras/Samuelson-traditie. Zijn belangrijkste werk — A Monetary History of the United States (1963, met Anna Schwartz), Capitalism and Freedom (1962), de essays in Positive Economics (1953) — is overwegend empirisch, historisch en retorisch. Hij schreef helder proza. Hij deed geen algemeen evenwichtsanalyse. Hij bouwde geen DSGE-modellen.
In de strikte zin van de formalisering zoals Samuelson die definieerde, paste Friedman er inderdaad niet in.
Maar Friedman opereerde op een ander niveau
De formalisering had twee functies die je moet onderscheiden: legitimering naar binnen (de academische professie) en legitimering naar buiten (beleid, publiek, politiek).
Samuelson deed de eerste. Friedman deed de tweede — en dat was minstens zo belangrijk. Friedman begreep iets wat Samuelson niet deed of wilde: ideeën veranderen de wereld niet via journals maar via verhalen, metaforen en timing. Zijn beroemdste uitspraak — there’s no such thing as a free lunch — is geen formule maar een spreekwoord. Zijn Free to Choose (1980, ook als televisieserie) bereikte miljoenen mensen die nooit een economieboek zouden openslaan.
Hij opereerde dus bewust buiten de formele vaktaal — niet omdat hij die niet beheerste, maar omdat hij inzag dat de echte strijd elders werd gestreden.
Friedman en de methodologische list
Hier zit het subtielste punt. Friedmans essay The Methodology of Positive Economics (1953) is zijn meest invloedrijke methodologische tekst — en het is tegelijk een briljante en een gevaarlijke redenering.
Zijn stelling: het maakt niet uit of de aannames van een model realistisch zijn, zolang de voorspellingen kloppen. Een model dat bedrijven beschrijft alsof ze winstmaximalisatie nastreven is goed genoeg als het gedrag goed voorspelt — ook al maximaliseert geen enkel echt bedrijf zo.
Dit klinkt pragmatisch maar heeft een ideologisch effect: het maakt de aannames immuun voor kritiek. Je mag niet meer zeggen “maar mensen zijn niet zo rationeel” of “maar markten werken niet zo” — want de aannames hoeven niet waar te zijn, alleen de voorspellingen moeten kloppen. En welke voorspellingen tellen wordt bepaald door degene die het model bouwt.
Friedman gebruikte deze methodologische vrijbrief om de kern van het neoklassieke paradigma — rationele actoren, efficiënte markten — te beschermen tegen institutionele en historische kritiek. Niet via wiskunde maar via een epistemologisch schild.
Chicago versus MIT: twee vleugels van hetzelfde project
Het helpt om Friedman te zien als de andere vleugel van een tweedelig project. Samuelson en het MIT-model: formeel, mathematisch, gematigd Keynesiaans, geschikt voor overheidseconomen en internationale instellingen. Dit was de technische kern van het paradigma. Friedman en de Chicago School: retorisch, empirisch, anti-Keynesiaans, geschikt voor politici, ondernemers en publieke opinie. Dit was de ideologische vleugel. Ze bestreden elkaar fel — Friedman verafschuwde Samuelsons Keynesianisme, Samuelson vond Friedmans monetarisme te simplistisch. Maar samen definieerden ze de bandbreedte van het toelaatbare debat in de Amerikaanse economie. Buiten Samuelson en Friedman was er academisch gezien weinig ruimte. De institutionalisten, de post-Keynesianen, de Marxisten — die zaten buiten dit spectrum.
Twee vijanden die samen één gevangenis bouwen. (RR: en weer een typische ai-afsluiter, bah, ik laat deze bewust staan, eens kijken of zoiets over een jaar nog zo in deze vorm voorkomt)
Friedman als brug naar Rand
En hier sluit de cirkel naar het gesprek van eerder. Friedman deed voor de economische wetenschap wat Rand deed voor de populaire cultuur: hij gaf het ideologische project een gezicht en een verhaal dat mensen konden begrijpen en voelen. Rand zei: de ondernemer is de held, de overheid is de vijand, vrijheid is moreel. Friedman zei: de markt is efficiënt, de overheid verstoort, vrijheid is rationeel. Hetzelfde pakket, twee registers. Rand emotioneel-moreel voor de leek, Friedman empirisch-retorisch voor de beleidsmaker. Samuelson wiskundig-formeel voor de academicus. Drie lagen, één boodschap. En geen van de drie had de andere nodig om te werken — ze versterkten elkaar structureel zonder coördinatie.
Dat is precies wat je eerder too good to be true noemde. Maar het is hoe hegemonische systemen werken als ze op hun best functioneren: niet via een plan maar via convergentie van belangen, timing en institutionele versterking.
Profiel: Milton Friedman (1912–2006)
Vanuit het perspectief van de naoorlogse ideologische architectuur, de Mont Pelerin-infrastructuur en de relatie met het Amerikaanse hegemoniale project
De andere immigrant
Milton Friedman werd in 1912 geboren als kind van Joodse immigranten in New York City. Net als Samuelson, net als Rand. Het is een patroon dat in dit verhaal blijft terugkomen: de drie grootste architecten van het naoorlogse Amerikaanse economische zelfverstaan waren allen kinderen van Oost-Europese Joodse immigranten. Buitenstaanders die het systeem van binnenuit legitimeerden met de geloofwaardigheid van de bekeerling — elk op hun eigen manier, elk vanuit eigen motieven, samen een hegemonisch pakket vormend dat geen coördinatie vereiste.
Zijn ouders waren laat-negentiende-eeuwse Joodse migranten naar de VS vanuit Beregszász, destijds deel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, nu in Oekraïne. De ironie is niet gering: de man die de vrije markt tot morele categorie verhief, werd geboren in een keizerrijk dat tien jaar later zou verdwijnen en groeide op in de Grote Depressie. Zijn intellectuele vorming begon in 1929, het jaar van de beurscrash.
Chicago als tegenpolen van Cambridge
Om Friedman te begrijpen moet je eerst begrijpen wat hij bestreed. Keynes had in Cambridge een traditie gevestigd die economie verbond met politieke filosofie, institutionele analyse en historisch bewustzijn. Die traditie was via Samuelson gedomesticeerd maar niet vernietigd — de MIT-Cambridge as bleef Keynesiaans getint, gericht op overheidsstabilisering en gemengde economie.
Chicago macroeconomische theorie verwierp het Keynesianisme ten gunste van monetarisme. Maar Chicago was niet simpelweg anti-Keynes. Het was een alternatief paradigma met eigen methodologie, eigen vragen en eigen politieke implicaties. Waar Keynes vroeg: hoe voorkom je dat markten falen? vroeg Chicago: hoe voorkom je dat overheden falen?
Die omkering van de vraagstelling is de kern. Niet het antwoord maar de vraag bepaalt welke werkelijkheid zichtbaar wordt en welke verdwijnt.
Mont Pelerin: de infrastructuur van de contrarevolutie
Dit is het punt dat in gangbare biografieën onderbelicht blijft maar voor dit gesprek essentieel is.
In 1947 woonde Friedman de openingsvergadering bij van de Mont Pèlerin Society, een organisatie opgericht door Hayek en gewijd aan de studie en het behoud van vrije samenlevingen. Friedman zou later zeggen dat zijn deelname “het begin markeerde van mijn actieve betrokkenheid bij het politieke proces.”
Mont Pelerin was geen academisch genootschap. Het was een bewust geconstrueerde internationale infrastructuur om een bepaald ideeënpakket — vrije markten, minimale overheid, anti-Keynesianisme — over decennia te verspreiden via universiteiten, denktanks, media en beleidskringen. Onderzoekers hebben de verbanden blootgelegd tussen Chicago-projecten, de oprichting van de Mont Pèlerin Society en hun financiering door conservatieve organisaties, en betoogd dat “de opkomst van de Chicago School begrepen moet worden als één component van een specifiek groter transnationaal project van het innoveren van neoliberale doctrines voor de naoorlogse wereld.”
Dit is het punt waarop Friedman verschilt van Samuelson en Rand. Samuelson opereerde institutioneel via MIT en de academische mainstream. Rand opereerde cultureel via romans en een eigen kring. Friedman opereerde via een bewust gebouwd transnationaal netwerk dat ideeën vertaalde naar beleid — en daarin was hij uniek effectief.
De fundamentele verschuiving in de mondiale houding ten opzichte van markten had misschien nooit plaatsgevonden, althans niet in de vorm die het aannam, zonder decennia aan uiterst onmoderne academische “scribbelarij” door Friedman en zijn collega’s aan de Universiteit van Chicago. De Chicago School leverde een substantieel deel van de intellectuele basis voor de herformulering, zowel in de Verenigde Staten als wereldwijd.
De methodologische list: positivisme als wapen
Friedmans meest invloedrijke — en meest omstreden — bijdrage aan de economische methodologie is zijn essay The Methodology of Positive Economics (1953). De kern: het maakt niet uit of de aannames van een model realistisch zijn, zolang de voorspellingen kloppen.
Dit klinkt wetenschappelijk pragmatisch. Het effect is ideologisch. Want wie bepaalt welke voorspellingen tellen als bewijs? Wie bepaalt over welke tijdshorizon gemeten wordt? Wie bepaalt welke fenomenen buiten het model vallen?
In Friedmans handen betekende dit: markten hoeven niet perfect te zijn om beter te presteren dan overheidsinterventie. De aanname van rationele actoren en efficiënte markten hoeft niet empirisch aantoonbaar te zijn — zolang het model “goed genoeg voorspelt.” Kritiek op de aannames — mensen zijn niet rationeel, markten falen structureel, macht verdeelt zich ongelijk — wordt zo methodologisch buitenspel gezet voordat ze kan beginnen.
Het is een cirkel die zichzelf sluit: het model bepaalt wat als bewijs geldt, en het bewijs bevestigt het model.
Pinochet: waar de theorie haar grens toont
Het ongemakkelijkste hoofdstuk in Friedmans biografie is Chili. Friedman en Arnold Harberger accepteerden in 1975 een uitnodiging van een privé-Chileense stichting om Chili te bezoeken en te spreken over principes van economische vrijheid — twee jaar na de militaire coup die dictator Augusto Pinochet aan de macht had gebracht.
In een brief aan Pinochet van 21 april 1975 beschouwde Friedman de “sleutelproblemen van de Chileense economie” als inflatie en de bevordering van een gezonde sociale markteconomie. Hij adviseerde “schoktherapie” — een korte periode van hogere werkloosheid als de minste van twee kwaden.
De verdediging van Friedman was altijd dat hij economisch adviseerde, niet politiek — dat de vrije markt uiteindelijk ook politieke vrijheid zou brengen. Maar de praktijk toonde iets anders: economische liberalisering en politieke onderdrukking bleken uitstekend samen te gaan. De “Chicago Boys” implementeerden Friedmans monetaire recepten terwijl Pinochet zijn politieke tegenstanders liet verdwijnen.
Dit is geen randgeval maar een structurele onthulling. Friedmans these dat economische vrijheid politieke vrijheid noodzakelijk impliceert bleek empirisch falsifieerbaar — en werd gefalsifieerd in het land waar zijn ideeën het meest consequent werden doorgevoerd.
Zijn Nobelprijs-benoeming was controversieel, voornamelijk vanwege zijn associatie met militair dictator Pinochet. Sommige economen, zoals institutioneel econoom en Nobelprijswinnaar Gunnar Myrdal, bekritiseerden Friedman als reactionaire.
Reagan en Thatcher: de politieke landing
Friedmans ideeën wonnen brede acceptatie in de jaren tachtig via hun enthousiaste omarming door wereldleiders waaronder Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Dit is het moment waarop de lange mars van Mont Pelerin zijn vruchten afwierp. Dertig jaar lang was het neoliberale ideeënpakket gecultiveerd in academische kringen, denktanks en internationale netwerken. In 1979-1980 landde het tegelijk in Londen en Washington. Het was geen verrassing maar een culminatie van een bewust geconstrueerd traject.
Friedmans betrokkenheid omvatte het adviseren van president Nixon en Reagan, deelname aan verschillende instituten en genootschappen, en het schrijven van een wekelijkse column voor Newsweek van 1966 tot 1984, waarbij zijn artikelen afwisselden met die van meer liberale economen zoals Paul Samuelson. Die Newsweek-column is illustratief. Friedman en Samuelson, elkaars tegenpolen, definieerden samen de bandbreedte van het economisch debat voor miljoenen lezers. Wie buiten die bandbreedte viel — institutionalisten, post-Keynesianen, Marxisten — bestond in het publieke discours niet.
De paradox van de bekeerling
Friedman geloofde oprecht in wat hij verkondigde. Dat is het moeilijkst te begrijpen aspect van zijn profiel voor wie hem primair als ideologisch instrument ziet. Hij was geen cynicus die bewust diende als dekmantel voor machtsbelangen. Hij was een man die diep geloofde dat vrije markten het beste instrument waren voor menselijke vrijheid en welvaart — en die dat geloof met intellectuele consistentie en debattalent verdedigde gedurende zeventig jaar.
Maar juist die oprechtheid maakte hem zo effectief als structureel element van het grotere project. Een cynicus is kwetsbaar voor onthulling. Een ware gelovige is dat niet. Friedman kon Pinochet adviseren zonder interne contradictie omdat hij oprecht geloofde dat economische vrijheid uiteindelijk politieke vrijheid zou brengen. Dat de empirie dat beeld niet bevestigde was in zijn raamwerk altijd een kwestie van onvoldoende consequente implementatie, nooit van een fout in het model zelf.
Friedman in het licht van dit gesprek en deze reis
In de driehoek Keynes-Samuelson-Friedman is de taakverdeling nu volledig:
Keynes analyseerde de structurele tekortkomingen van kapitalistische markten vanuit historisch en institutioneel perspectief — en verloor de institutionele strijd bij Bretton Woods.
Samuelson domesticeerde Keynes, formaliseerde hem wiskundig, en produceerde het academische paradigma dat een generatie economen wereldwijd opvoedde — maar sneed daarbij de politieke en institutionele kern weg.
Friedman bestreed Keynes retorisch en empirisch, bouwde via Mont Pelerin een transnationaal netwerk van denktanks en beleidsadviseurs, en zorgde dat het ideeënpakket van de vrije markt de politieke klasse bereikte via Reagan en Thatcher.
Drie verschillende rollen, drie verschillende methoden, één structureel effect: de verdringing van alternatieve economische tradities — institutioneel, historisch, machtskritisch — uit het centrum van het academische en politieke discours.
Kijk naar deze geniale uiteenzetting over de herkomst van het potlood, het is geen technisch verhaal maar een ideologisch verhaal, subtiel maar overtuigend: