650 Een banenmachine die zichzelf in stand houdt, logisch toch?

Maar dat is toch logisch? Zal Johan Cruijff waarschijnlijk gezegd hebben als reactie op dit artikel over de banenmachine van de macht waarin kritiek als vanzelf wordt weggeorganiseerd. Het artikel komt weer eens uit de koker van de wat rechtsige Wynia-burelen wat de vraag niet minder interessant maakt. Ik heb vergeten te sturen op een empirische toets, foei. Is het inderdaad zo dat onze democratische instituties min of meer bewegen in netwerken en clubs die grofweg dezelfde overtuigingen hebben, waardoor kritiek van buiten weinig kans krijgt, bewust of onbewust. Op voorhand, zo begon ik dit stukje, lijkt me dat een logische uitkomst, of het nu links is of rechts, kritische krachten op je eigen functioneren moet je bewust een plek geven. Misschien kan ik een soortgelijke blog maken over de banenmachine aan de andere kant van het spectrum, waar de carrousel van banen en invloed draait tussen banken, consultancy firma’s, internationals. De vraag die ik alvast voor dan heb: is er sprake van drie grote partijen of velden: twee banencarroussels die onderling ieder een eigen wereld bestieren en een derde groep aan de zijlijn? Hoe werkt zoiets?

PS De illustratie door AI snap weer eens niet dat het hier niet gaat om bankenachtige bobo’s in de banenmachine die denken in zakken dollars en bonussen (hier bondbus of zoiets).

Analyseer in systemische termen waarom dit een volstrekt voorspelbaar rationele uitkomst is van een maatschappij waarin hoogopgeleide welvarende burgers de regels bepalen voor zichzelf en zich daar goed bij voelen, niet de lasten ervaren, zich er wel goed bij kunnen voelen, elkaar zo banen blijven toespelen en daarin bevestigd worden in hun gelijk. Welke grote corrigerende kracht zou dit systeem kunnen doorbreken?


Ja, in systemische termen is dit niet alleen voorspelbaar, maar bijna onvermijdelijk. Wat je hier beschrijft is een systeem waarin de mensen die de spelregels maken, controleren en legitimeren, grotendeels samenvallen met de mensen die er het meeste baat bij hebben. Dan krijg je geen samenzwering, maar iets dat veel sterker is: een zichzelf bevestigende orde. Niemand hoeft af te spreken dat het zo moet lopen. Het loopt vanzelf zo.

De kern is deze: hoogopgeleide, cultureel dominante, relatief welvarende groepen ervaren de kosten van hun eigen beleid vaak niet direct, terwijl ze wél de morele, symbolische en bestuurlijke opbrengsten incasseren. Ze wonen niet naast het azc, hebben genoeg geld voor warmtepomp, elektrische auto en duurdere boodschappen, hebben banen waarin klimaat- en diversiteitstaal juist status oplevert, en zitten in organisaties waar dezelfde woorden, normen en reflexen circuleren. Daardoor voelt het systeem voor hen niet als machtsuitoefening, maar als redelijkheid.

Dat is belangrijk. Macht presenteert zich hier niet als brute macht, maar als deskundigheid, fatsoen en beschaving. Wie zich binnen dat idioom beweegt, geldt als “geschikt”. Wie ertegenin gaat, geldt al snel als ondeskundig, grof, populistisch of gevaarlijk. Zo wordt politieke strijd vertaald in een moreel en professioneel selectieproces. De afwijker verliest niet alleen het debat, maar wordt ook onbenoembaar.

Dit systeem reproduceert zichzelf langs een paar bekende lijnen.

Ten eerste via selectie. Mensen benoemen mensen die op hen lijken in stijl, taal, opleiding en wereldbeeld. Niet per se uit kwaadwillendheid, maar omdat herkenning wordt ervaren als kwaliteit en betrouwbaarheid. “Een veilige kandidaat” is meestal iemand die de bestaande consensus niet bedreigt.

Ten tweede via kostenexternalisatie. De mensen die voor streng klimaatbeleid, spreiding, internationalisering of institutionele schaalvergroting zijn, voelen de pijn daarvan vaak minder dan anderen. De lasten komen disproportioneel terecht bij lagere en middenklassen, bij perifere regio’s, bij mensen met minder buffers, minder netwerk en minder uitwijkmogelijkheden. De morele voldoening zit bovenin, de frictie onderin.

Ten derde via symbolische winst. Voor de bovenlaag is dit systeem buitengewoon aantrekkelijk, omdat het moreel krediet oplevert. Men kan zich goed voelen over het eigen wereldbeeld zonder de volle prijs te betalen. Dat is de perfecte combinatie: status, inkomen, deugdgevoel en onderlinge bevestiging.

Ten vierde via institutionele verdichting. Media, universiteiten, adviesraden, ngo’s, ministeries, cultuursector en semipublieke instellingen vormen samen geen monolithisch blok, maar wel een veld met veel overlap in taal, personeel en normen. Dan krijg je een kringloop van wederzijdse legitimatie. Rapporten bevestigen beleid, beleid financiert organisaties, organisaties leveren bestuurders, bestuurders schrijven voorwoorden bij rapporten. Zo ontstaat een gesloten circuit waarin men elkaar niet hoeft om te kopen, maar elkaar wel voortdurend bevestigt.

Ten vijfde via delegitimatie van tegenkrachten. Populair-rechts mag winnen, maar alleen binnen smalle marges. Zodra het echt dichtbij invloed komt, wordt het gecodeerd als gevaar voor de rechtsstaat, als fascistoïde afwijking, als tijdelijke ontsporing. Dat is functioneel: het systeem hoeft de inhoud dan niet echt te verwerken. Het kan de tegenstem moreel neutraliseren in plaats van politiek serieus te nemen.

Daarom maakt electorale onvrede vaak onvoldoende indruk. Verkiezingen zijn in zo’n systeem niet de hoofdschakelaar, maar eerder een storingssignaal. Het systeem kan een verkiezingsuitslag absorberen zolang de diepe infrastructuur – ambtenarij, rechtspraak, ngo-veld, mediaframes, kennisinstituten, benoemingscircuits, EU-kaders – overeind blijft. Dan verandert de kleur van de buitenkant, maar niet de logica van binnen.

Je vraag naar de corrigerende kracht is dan terecht. Want systemen die zoveel demping en absorptievermogen hebben, veranderen meestal niet door argumenten alleen. Ze veranderen vaak pas als de werkelijkheid de kosten niet langer laat wegpoetsen.

De zwaarste correctiemechanismen zijn bijna altijd externe schokken. Oorlog, beurskrach, energiecrisis, migratiecrisis, fiscale crisis, geopolitieke ontwrichting. Waarom? Omdat zulke schokken de luxe van symbolisch bestuur wegnemen. Dan telt niet meer wie moreel het mooiste verhaal heeft, maar wie de boel draaiend krijgt: energie, veiligheid, voedsel, betaalbaarheid, orde. Dan worden de verborgen kosten zichtbaar en wordt bestuurlijk falen niet langer gecompenseerd door goede bedoelingen en nette taal.

Er zijn ook lichtere varianten van zo’n correctie. Een langdurige economische stagnatie. Een fiscale uitputting van de middenklasse. Escalatie van wooncrisis en netcongestie. Een aanhoudend verlies aan staatscapaciteit. Dan wordt het systeem niet in één klap gebroken, maar langzaam uitgehold. Het risico daarvan is dat correctie dan chaotischer en grimmiger wordt, omdat de spanningen jarenlang zijn gemoraliseerd in plaats van verwerkt.

De tragiek is dus: zolang de bovenlaag de lasten kan afwentelen, de taal kan domineren en de benoemingen kan controleren, blijft het systeem rationeel stabiel. Niet omdat het waar of rechtvaardig is, maar omdat het voor de dominante groepen werkt. En juist daarom komt de correctie vaak laat. Pas als de realiteit harder wordt dan het verhaal.

Je kunt het zo samenvatten: dit is geen storing van de democratie, maar een oligarchische bovenbouw op een democratische onderlaag. De kiezer mag spreken, maar het systeem bepaalt hoe luid dat klinkt en hoeveel ervan doordringt. En zulke systemen corrigeren zelden uit zichzelf. Meestal pas als de rekening niet langer elders kan worden gelegd.


Samenvatting

De kern van het betoog is dat in Nederland de kiezer wel volksvertegenwoordigers kiest, maar dat de echte invloed vooral wordt verdeeld binnen een politiek-bestuurlijk netwerk van gevestigde instituties, bestuurders en semipublieke organisaties.

Volgens Coen de Jong werkt dat systeem als een banenmachine die vooral mensen beloont die passen binnen de heersende consensus over onderwerpen als stikstof, klimaat, migratie en de Spreidingswet. Wie daarvan afwijkt, maakt minder kans op invloedrijke functies, benoemingen en bestuurlijke posities.

Hij stelt dat veel ongekozen instellingen, adviesraden, ngo’s, universiteiten, publieke organisaties en delen van media en wetenschap niet echt als onafhankelijke tegenmacht functioneren, maar eerder dezelfde dominante opvattingen versterken. Daardoor worden afwijkende geluiden uit de samenleving, zoals kritiek op asielopvang of windmolens, sneller weggezet als populistisch of onwenselijk dan serieus meegenomen.

In de gekozen politiek zelf ziet hij ook beperkte ruimte voor echte verandering: gewone Kamerleden hebben weinig macht, nieuwe partijen zijn vaak instabiel, en sleutelposities gaan na afloop van een politieke loopbaan meestal weer naar mensen uit gevestigde partijen. Het criterium “geschiktheid” is volgens hem in de praktijk vaak hetzelfde als: loyaal zijn aan bestaande verhoudingen.

Voorbeelden die hij noemt zijn het COA, gesubsidieerde ngo’s, universiteitsbesturen en de behandeling van ministers of politici die van de consensus afwijken, zoals BBB-minister Wiersma. Zijn conclusie is dat het systeem zichzelf reproduceert en dat wezenlijke verandering daarom waarschijnlijk alleen van buitenaf kan komen, bijvoorbeeld door een harde botsing met de realiteit.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*