614 Enkele boeken over rijkdom revisited (uit de oude doos)
Onlangs kreeg ik een herinnering dat ik zoveel jaar geleden uitgebreid stil heb gestaan bij een serieuze studie over (Nederlandse) rijkdom door de eeuwen heen van machtsdenker en elite-deskundige Jos van Hezewijk. Een indrukwekkend boek dat schreeuwt om nog eens afgestoft te worden en tegen het nieuwe licht van rudymentair en de ai-meetlat te houden. Rond diezelfde tijd las ik ook een andere, eveneens indrukwekkende, studie van Sam Wilkin over precies datzelfde onderwerp. De artikelen uit die tijd vind je hier en hier terug en ik ga ze nu voor mijzelf laten samenvatten en integreren tot een totaalplaatje. En ja, het zijn maar twee boeken natuurlijk, niet willekeurig gekozen, en het past zo mooi bij mijn andere insteken over de mythes rond ondernemerschap en de legacy van Ayn Rand.
BOEK I
JvH portretteert bijna 50 superrijken uit Nederland en België over een periode van 1000 jaar, op zoek naar patronen achter het ontstaan en behoud van extreme rijkdom.
Hoe word je superrijk?
Niet door hard werken. Wel door: in de juiste familie geboren worden, weinig loon betalen, weinig belasting betalen, monopolies beschermen, risico’s afwentelen, slim lobbyen, en — cruciaal — op het juiste moment op de juiste plek zijn. Toeval wordt structureel onderschat. Wie al rijk is, houdt dat zo door endogame netwerken, slim huwen en familiebehoud. De karavaan trekt altijd verder.
Het gitzwarte deel
De wortels van rijkdom liggen in geweld, slavernij en plundering. Rijken mijden echte innovatie en vrije markt — ze jatten liever uitvindingen en koesteren monopolies. Ze verdienen aan problemen die ze zelf veroorzaken (turfwinning → polders → gemalen; fossiele energie → energietransitie). Ze vertonen psychopathische trekken, vluchten in financiële hefbomen, kopen politieke invloed, ontwijken belasting, en poetsen dat alles op met goede doelen en musea.
Mythes die sneuvelen
Trickle-down werkt niet (het werkt eerder omgekeerd). De overheid is geen rem maar juist de enabler van rijkdom. Nederland is minder egalitair en minder succesvol dan we denken. Goede doelen dienen ook de rijke familie zelf. Van krantenjongen tot miljonair: statistisch kansloos.
De lichtpuntjes
Het is geen georganiseerd complot — te complex, te opportunistisch. Rijken zijn ook onderling wantrouwig. De massa profiteert indirect mee. Milieu-crises worden opgelost (al verdienen dezelfde partijen er weer aan). En: zolang het volk zelf vooruit gaat, tolereert het de ongelijkheid — maar die grens lijkt bereikt.
Jouw conclusie
JvH is in zijn analyse een soort Marx-Darwinist, maar zonder revolutionaire agenda. Zijn boek is feitelijk een modellering van de schurk — niet om na te doen, maar om te begrijpen hoe het systeem werkt en wat er eventueel aan te doen valt. Dat JvH zelf optimistisch blijft, verklaart hij door zijn blikvernauwing na een leven lang in dit materiaal zitten.

Het startpunt: hoe begint rijkdom?
Rijkdom start historisch gezien vaak met bruut geweld — plunderen, stelen, roven door warlords en roofridders. Daarna speelt veel toeval een rol, gecombineerd met psychopathische eigenschappen zoals overdreven bewijsdrang en een groot ego.
De karavaan trekt verder
Het centrale mechanisme: rijken trouwen met rijken, vermogen blijft via vererving 2 tot 4 generaties in de familie, maar lekt daarna weg naar andere families. Ondertussen blijft de rijke bovenlaag zichzelf reproduceren via netwerken, lobbyen, ritselen en jatten — maar ook: rijken zijn elkaars vijanden. Met gegeven talent is de kans op rijkdom vanuit de rijke klasse 8.000 keer groter dan vanuit de massa.
De massa
Het gewone volk wil ook rijk worden, maar de kans is statistisch verwaarloosbaar (1/8000 vergeleken met mensen die al in hogere regionen verkeren). Toch leidt deze illusie — 80% denkt beter te zijn dan gemiddeld — tot extra inzet, uitvindingen en economische groei. Dat is de motor van de economie: de aspiratie tot rijkdom, ook al is die grotendeels een micro-macro-illusie.
Nieuwe toetreders zijn mogelijk maar zeldzaam. Ze komen relatief al van de maatschappelijke ladder, maken slim gebruik van demografische of technologische veranderingen, maar de drempel blijft hoog door gesloten netwerken, ‘old boys’-cultuur, eigen signalen en rituelen, en zelfverzonnen titels.
Factoren die bijdragen aan het behoud van extreme rijkdom
- Lage lonen door immigratie, outsourcing en automatisering
- Beschikbaarheid van grondstoffen en grote afzetmarkten
- Aanwezigheid in een grote metropool
- Weinig of geen belasting betalen; gebruik van private equity en charity
- Invloed op bestuur en politiek; dicht bij de staatsruif zitten
- Een betrouwbare overheid die bescherming biedt zonder te veel macht te hebben
- Risico’s afwentelen op anderen (de belastingbetaler)
- Monopolies en onderlinge beschermende afspraken
- Nieuwe technieken liever jatten of overnemen dan zelf uitvinden
- Invloed op dominante media
Factoren die rijkdom vernietigen of herverdelen
- Oorlogen en recessies (maar die creëren ook weer nieuwe rijken)
- Revoluties en opstanden
- Democratische processen die uit de hand lopen
Opmerkelijk slot
Extreme rijken worden door de massa bewonderd — men spreekt van “boefjes en schavuiten” — zolang het volk zelf voldoende meeprofit van de economische groei. Zodra dat wegvalt, keert het sentiment.
BOEK II. Sam Wilkin bestudeerde een reeks historische superrijken — van oude Romeinen tot Bill Gates — op de vraag hoe ze zo rijk zijn geworden.
De zeven geheimen — samengevat in vier stappen
Jij ordende de bevindingen langs vier vragen: Wie? Hoe? Waar? Wat?
Wie? Superrijken hebben al vroeg een sterk geldmotief (“Porsche at the house”, voor toelichting op die term zie blokjesenpijltjes-site), denken van nature in kansen en gaten, en zijn niet aardig of sympathiek — termen als meedogenloos, psychopaat en over lijken gaan zijn meer van toepassing dan passie of samenwerking.
Hoe? Door concurrenten uit te schakelen en de hele keten te beheersen. Eigendom — van grondstoffen, octrooien, toegang tot de bron — is daarbij cruciaal. Als niemand om je heen kan, bepaal jij de condities.
Waar? Daar waar niemand wil zijn. Weinig concurrentie betekent sneller een monopoliepositie. Dat zijn vaak instabiele, onaantrekkelijke markten.
Wat? Zo groot worden dat anderen je niet meer kunnen kopiëren of omzeilen. Het eindmodel is too big to fail: zodanig verweven met een publiek belang dat als het misgaat, het probleem bij anderen ligt.

Dit is het scherpste plaatje uit het artikel: een directe vergelijking tussen het werkelijke recept voor superrijkdom (geldgedreven, monopolistisch, risico’s afwentelen) en het populaire managementboekjesbeeld (passievol, innovatief, fair, concurrerend). Het contrast maakt de mythevorming zichtbaar.
Rijkdom door de eeuwen heen: een synthese
1. De oorsprong: geweld en toeval, niet verdienste
Beide boeken zijn het eens over het startpunt. Rijkdom begint zelden met hard werken of briljante uitvindingen. Van Hezewijk laat zien dat de basis van vroege rijkdom letterlijk geweld was — roven, plunderen, moorden. Wilkin vult aan dat superrijken altijd opereren waar niemand anders wil zijn, in de marges van het systeem, waar regels zwak zijn en concurrentie ontbreekt. Toeval speelt een structureel onderschatte rol. De overlevenden komen in de geschiedenisboeken terecht; de mislukkingen niet.
2. Het mechanisme: monopolie boven innovatie
Het meest robuuste patroon over alle eeuwen: superrijken mijden concurrentie en haten innovatie op eigen kosten. Ze wachten tot anderen uitvinden, jatten of kopen vervolgens de octrooien op, en bouwen daarna een positie die anderen buitensluit. Wilkin noemt dit de kern: zorg dat ze niet om je heen kunnen. Van Hezewijk bevestigt dit — rijken zijn geen industriebouwers maar positiebeschermers. De vrije markt is een mythe die ze zelf verkondigen maar nooit beoefenen.
3. De structuur: een zichzelf reproducerende bovenstroom
Van Hezewijk’s “karavaan trekt verder” beschrijft hoe rijkdom 2 tot 4 generaties in een familie blijft, weglekt, maar via netwerken en endogame huwelijken toch altijd een dikke bovenstroom in stand houdt. Wilkin’s analyse van schaalgrootte sluit hierop aan: wie eenmaal groot genoeg is, creëert drempels die nieuwe toetreders structureel buitensluiten. De kans om vanuit de massa door te stromen is 8.000 keer kleiner dan vanuit de rijke klasse zelf.
4. De psychologie: meedogenloos en zelfgerechtigd
Beide auteurs beschrijven een consistent karakterprofiel. Psychopathische trekken — overdreven bewijsdrang, over lijken gaan, gebrek aan empathie — zijn geen bijwerking maar een werkzaam ingrediënt. En als de rijkdom eenmaal is vergaard, treedt een cognitieve sluiting op: de rijke gelooft oprecht dat het verdienste was, niet geluk. Noblesse oblige. Dit verklaart ook de musea, de goede doelen en de zelfverzonnen titels — een vernisje over een keiharde binnenkant.
5. De staat: vijand in de retoriek, bondgenoot in de praktijk
Zowel Van Hezewijk als Wilkin doorprikken de mythe dat rijken de overheid als obstakel zien. In werkelijkheid hebben ze de staat altijd gebruikt: als financier van infrastructuur en onderzoek, als beschermer van eigendom, als reddingsboei bij faillissement (too big to fail), en als instrument via lobby om fiscale en juridische regels naar eigen hand te zetten. De staatsruif is geen risico maar een grondstof.
6. De illusie die het systeem draaiende houdt
Adam Smith zag het al: de motor van de economie is een ingebouwde rekenfout. Iedereen denkt een grotere kans te maken dan statistisch realistisch is. Die illusie drijft arbeid, uitvinding en groei aan — ten voordele van allen, maar onevenredig ten voordele van de bovenstroom. Wilkin’s superrijken exploiteren dit bewust: ze laten anderen het werk doen, de risico’s dragen en de uitvindingen betalen, om vervolgens op het juiste moment op te schalen en te incasseren.
7. De tolerantiegrens: wanneer het systeem kantelt
Van Hezewijk biedt hier het meest heldere inzicht: ongelijkheid wordt getolereerd zolang de massa zelf meegroeit. Zodra economische groei stilvalt of de vruchten ervan structureel bij de bovenstroom terechtkomen, ontstaat onrust — en uiteindelijk correctie via revolutie, belastinghervormingen of democratische omwenteling. Dat moment lijkt, aldus Van Hezewijk in 2018, opnieuw aangebroken.
Synthese in één zin
Rijkdom door de eeuwen heen is geen beloning voor verdienste, maar de uitkomst van een zichzelf reproducerend systeem van monopolievorming, netwerken, staatsgebruik en psychologische illusie — robuust over duizend jaar, en structureel weerbarstig tegen hervorming.