654 Of zijn wij Europeanen zo dom ….?
We gaan door met de reis. Als Amerika dan zo slim is (ja!), dan kan het toch niet anders dat wij zo dom zijn (geweest)? Nou, min of meer ….
Over Europa: waren ze echt zo naief, of hadden ze geen echte keuze, of was het simpelweg onvermogen, tot samenwerking? Waren er stemmen binnen Europa die hebben aangekaart wat de strategie was van Amerika en hoe kwetsbaar Europa daarmee was of werd? En hoe luidden de tegenreacties?
Naïef, geen keuze, of onvermogen? Alle drie — maar in lagen
De vraag verdient een gelaagd antwoord, want de drie opties sluiten elkaar niet uit. Ze beschrijven opeenvolgende fasen. (RR: typisch Ai-sjabloon, antwoord altijd in 3 lagen!).
Fase 1: geen echte keuze (1945–1950)
Europa lag in puin. De economische en militaire afhankelijkheid van Amerika was in 1945 geen politieke keuze maar een feitelijke toestand. Wat Europa kon doen was marginaal onderhandelen over de voorwaarden — niet over de afhankelijkheid zelf.
Wat daarbij weinig bekend is: de Amerikaanse steun voor Europese integratie was onderdeel van een bredere agenda om een hervormd internationaal economisch stelsel te vestigen. Marshall Plan-financiering was expliciet gekoppeld aan ratificatie van de Bretton Woods-akkoorden. Met andere woorden: Europa tekende niet alleen voor wederopbouwgeld maar voor de hele financiële architectuur daaromheen.
Nog opmerkelijker: de CIA financierde via het American Committee on United Europe — opgericht in 1948 door de latere CIA-directeur Allen Dulles — pro-Europese bewegingen en organisaties, waaronder de invloedrijke Europese Beweging die Monnet, Schuman, Adenauer en Churchill als erevoorzitters had. De “vaders van Europa” werden dus mede gefinancierd door Washington. Dat is geen complot — het is zichtbare beleidsstrategie.
Fase 2: lucide stemmen die het zagen — en werden geneutraliseerd (1958–1969)
Dit is het meest dramatische hoofdstuk, en het minst bekend.
De Gaulle zag de EEG als instrument dat de Atlantische afhankelijkheid economisch zou verlengen en Europa zou maken tot een aanhangsel van Amerika in plaats van een autonome kracht. Zijn analyse was helder: het Marshall-plan had Europa opgebouwd op dollarbasis, de NAVO bond het militair aan Washington, en de EEG dreigde die afhankelijkheid institutioneel te voltooien.
Zijn respons was consequent: eigen kernmacht (force de frappe), NAVO-uittreding (1966), het Élysée-verdrag met Adenauer als kern van een Frans-Duits blok buiten Angelsaksische invloed, én toenadering tot Oost-Europa inclusief Polen-bezoek in 1967.
Maar hier wordt het interessant. Washington speelde “the hardest kind of hegemonic hardball”: de VS dreigde de veiligheidsgarantie aan West-Duitsland in te trekken tenzij de Bondsdag een preambule aan het Élysée-verdrag toevoegde die de Atlantische band boven de Frans-Duitse relatie stelde. Dit bespoedigde Adenauers pensionering en hielp zorgen dat hij werd opgevolgd door de meer plooibare Atlanticus Ludwig Erhard.
Amerika saboteerde dus actief het enige serieuze Europese autonomie-project van de naoorlogse periode — niet via retoriek maar via directe politieke druk op Duitsland. En het werkte.
De Suez-crisis (1956) was het andere keerpunt. Toen een verslagen Mollet Adenauer vertelde dat Amerika Engeland en Frankrijk had gedwongen zich terug te trekken uit Suez, zei Adenauer: “Nu is het tijd om Europa te bouwen.” De intentie was er dus. Maar de uitvoering stokte structureel.
Fase 3: structureel onvermogen (1969–heden)
Na De Gaulle’s vertrek in 1969 verdween de enige staatsman die de analyse én de wil had om er consequenties aan te verbinden. Wat overbleef was een fundamentele Europese paradox:
Het kardinale Amerikaanse belang in Europa is sinds het begin van de twintigste eeuw consistent geweest: de economische en militaire macht van het continent verdeeld houden door het voorkomen van een Europese hegemon. Dat is geen verborgen agenda maar een expliciet geformuleerde doelstelling. Secretaris van State Acheson verwoordde het in 1949 al: controle van Europa door één dominante macht vormt een existentiële bedreiging voor de Amerikaanse veiligheid.
De implicatie is bijna mathematisch: een werkelijk autonoom en geünificeerd Europa is per definitie in strijd met de Amerikaanse belangen. En toch verwachtte Europa dat Amerika een dergelijk Europa zou steunen.
Waarom de tegenreacties systematisch faalden
Er waren wel degelijk stemmen — maar ze botsten op vier structurele obstakels:
Veiligheidsafhankelijkheid als hefboom. Zolang Europa zijn veiligheid uitbesteedde aan Washington, had Amerika altijd een drukmiddel. Duitsland was kwetsbaarder dan anderen — wat de Élysée-preambule-interventie illustreert.
Verdeeld Europa als structurele zwakte. De Frans-Duitse as was de enige coherente kern. Maar Engeland koos consistent voor de Atlantische band boven het Europese project, en de kleinere landen hadden economisch belang bij open Atlantisch systeem.
Ideologische verpakking werkte. De “vrije wereld”-retoriek was effectief genoeg dat alternatieve analyses als pro-Russisch of anti-Atlantisch werden weggezet. De Gaulle werd internationaal afgeschilderd als koppig nationalist, niet als lucide geopoliticus.
De generatie die het begreep verdween. De directe naoorlogse periode wierp grote Europese leiders op die begrepen dat Europa samen moest optrekken om opnieuw een rol te spelen op het wereldtoneel. Na Adenauer, De Gaulle, en later Schmidt en Mitterrand werd dat strategisch bewustzijn dunner — vervangen door technocraten die de architectuur beheerden maar de onderliggende machtsvraag niet meer stelden.
De eerlijke samenvatting
Europa was in 1945 niet naïef — het had geen keuze. In de jaren ’60 waren er lucide stemmen die de structuur doorzagen en alternatieven bouwden — maar die werden actief geneutraliseerd, door Amerika én door interne Europese verdeeldheid. Daarna werd het onvermogen structureel: de institutionele logica van de EEG/EU optimaliseerde voor economische integratie, niet voor strategische autonomie. En elke generatie politici die dat wilde doorbreken stuitte op het feit dat de vorige generatie de afhankelijkheid al te diep had ingebakken.
Het bittere is dat de analyse al in de jaren ’50 beschikbaar was — bij Adenauer na Suez, bij De Gaulle vanaf 1958, bij Kennan vanaf 1947. Ze werd genegeerd, gesaboteerd, of simpelweg niet overgedragen aan de volgende generatie.