651 Twee banenmachines en de frustratie vanaf de zijlijn: een rationeel stabiel systeem
De vorige blog vertrekt vanuit een artikel van Wynia’s Week (Coen de Jong) over de Nederlandse “banenmachine van de macht” — het mechanisme waardoor bestuurlijke posities (op ‘links’) vooral naar mensen gaan die aansluiten bij de heersende consensus. Jij vindt dat weinig verrassend: “Maar dat is toch logisch?” is eigenlijk al het hele verhaal. Je vraagt je af of je eenzelfde blog kunt maken over de andere ‘rechtse’banenmachine — die van banken, consultancy en internationals — en of er sprake is van drie velden: twee carrousels die elk hun eigen wereld bestieren, plus een groep aan de zijlijn.
Ik herken de banenmachines wel, de ene zou ik ‘links’ noemen en de ander ‘rechts’, hoewel dat gedateerde begrippen zijn. Dat de groepen elkaar versterken en benoemen en zo relatief gesloten zijn, dat lijkt me vanzelfsprekend. Hoe zit het met de beide groepen onderling, het zijn allemaal nette mensen die door dezelfde opleidingsmachine zijn gegaan. En is het niet te simpel om dan ‘de rest’ te zien als de afwachtende massa die het nakijken heeft, ze mogen stemmen maar echt geluisterd wordt er niet (blijkbaar, hypothese). Analyseer deze velden in het licht van wat Engelen ‘de kletsende klasse’ noemt en die hij als verklaring ziet voor de groeiende onvrede en polarisatie en opkomst van populair-rechtse partijen.
Korte conclusie: de twee banenmachines overlappen elkaar deels, samen vormen zij de ‘managerial class’ die aan de knoppen zitten van resp het publieke (links) en het private (rechts) domein. Beiden hebben een langere opleiding met eigen normen en waarden gemeen. De zijlijn, hen waarover geregeerd en besloten wordt, bestaat uit meerdere groepen die met elkaar gemeen hebben het gevoel dat er niet naar hen wordt geluisterd. Populair rechts biedt iets wat de anderen weigeren te bieden: erkenning van de woede en frustratie.
De kletsende klasse als overkoepelend begrip
Engelen maakt een onderscheid dat jouw intuïtie over “beide banenmachines” al aanraakte. Hij leunt op Piketty’s indeling van twee elite-fractions: de culturele brahmanen (journalisten, wetenschappers, ambtenaren, ngo-werkers, kunstenaars) en de kapitaalbezitters (banken, consultancy, corporate sector). Samen vormen zij wat hij de “managerial class” noemt, die de toon zet.
Maar — en dat is het cruciale punt — Engelen’s kletsende klasse zijn de mensen die een buitenproportionele invloed hebben op de politieke agenda, de beleidsagenda en het publieke debat: journalisten, denktankers, academici, politici, kunstenaars, cabaretiers, consultants, fractiemedewerkers en hoge ambtenaren. Zij bepalen daarmee gezamenlijk wat burgers lezen, horen en zien, en uiteindelijk welk vakje ze tijdens verkiezingen rood kleuren.
Dat is dus niet de rechtse zakenelite — die is grotendeels buiten de kletsende klasse. De kapitaalbezitters kletsen niet, die beïnvloeden stilletjes via lobby, fusies, aandeelhouderswaarde en revolving doors naar ministeries. De kletsende klasse is de discursieve elite, de mensen die de taal van het publieke domein maken en bewaken.
De verhouding tussen beide “machines”
Jij vermoedt terecht dat het te simpel is om twee nette gescheiden circuits te tekenen. De werkelijkheid is subtieler: de twee elites overlappen meer dan ze tegenover elkaar staan, maar doen dat niet gelijk.
De culturele elite (jouw “linkse banenmachine”) domineert het publieke debat, de symbolische orde, de morele taal. Ze bevolkt universiteiten, media, adviesraden, semipublieke instellingen. Ze is zichtbaar en luid. Ze is meer en meer een klasse-an-und-für-sich geworden die zichzelf als hoeder van waarheid, weldenkendheid en betamelijkheid ziet, in een strijd verwikkeld met een vijand die waarheid afwijst en uitgesloten moet worden van de conversatie.
De economische elite (jouw “rechtse banenmachine”) is minder zichtbaar, minder ideologisch expliciet, maar niet minder machtig. Ze werkt via structuren, niet via taal. Haar invloed zit in welke vragen níet gesteld worden, welke beleidskeuzes als “technisch” worden gepresenteerd, welke externe druk als “marktrealiteit” wordt aanvaard.
De paradox is dat ze elkaar nodig hebben maar ook op gespannen voet staan. De culturele elite legitimeert het systeem; de economische elite financiert en profiteert ervan. Maar ze bewonen andere werelden en begrijpen elkaar matig. Een consultant bij McKinsey en een klimaatactivist bij een gesubsidieerde ngo zijn beide hoogopgeleid, hebben dezelfde opleidingstrajecten doorlopen, kennen dezelfde taal — maar hun dagelijks leven, hun netwerken en hun belangen lopen sterk uiteen.
“De rest” is geen homogene afwachtende massa
Hier zit een van Engelens scherpste observaties: het derde veld is allerminst passief, maar wordt systematisch verkeerd gelezen door de kletsende klasse. Mensen die theoretisch geschoold zijn menen dat zij het privilege hebben om met rationele argumenten een juiste analyse van maatschappelijke vraagstukken te kunnen maken — maar hun probleemanalyses zijn over het algemeen verkeerd, en het zijn vaak slechte oplossingen waarmee ze komen. Ze hebben echter geen last van de consequenties, want de gevolgen zijn doorgaans voor mensen die er niet over mogen meepraten.
De “rest” is daarbinnen gedifferentieerd: de werkende klasse met vaste banen, zzp’ers in de knel, perifere regio’s, ouderen zonder buffer, kleine ondernemers. Ze hebben wel degelijk opvattingen, maar geen platform. Ze spreken niet de taal van het publieke debat en worden daardoor systematisch gereduceerd tot stemvee of, erger, als ondeskundig (of erger nog) weggezet.
De kletsende klasse is neurotisch overgevoelig als je niet de juiste woorden gebruikt om minderheden aan te duiden, maar tegelijkertijd is geen belediging te dol om afkeer uit te spreken van de levensstijl van de werkende klasse. Dat is de kern van de asymmetrie: de culturele elite heeft een verfijnd apparaat voor zelfbescherming (je kunt haar taal niet goed spreken), maar oefent tegelijkertijd neerbuigende klasse-kritiek op de groep die ze pretendeert te vertegenwoordigen.
De verklaring van de polarisatie
Engelen’s verklaring voor de opkomst van populair-rechts is niet irrationeel stemgedrag, maar een heel begrijpelijke reactie op precies die combinatie. De opgekropte frustratie over burgers die zich niet hielden aan het script van de academisch geschoolde commentatoren, leidde na BBB’s overwinning tot een stortvloed van onbeheerste woede over de stupiditeit van de kiezer — wat al langer bestaande autoritaire tendensen onder de kletsende klasse zichtbaar maakte.
Populair-rechts biedt iets wat de kletsende klasse structureel weigert: erkenning. Niet per se de beste oplossingen, maar de ervaring dat iemand zegt: jouw boosheid is terecht, jij bent niet dom, het systeem heeft jou niet serieus genomen (buiten gesloten). Dat is een politiek aanbod waar de kletsende klasse geen equivalent voor heeft, omdat ze de diagnose niet deelt.
Systemisch samengevat
Het zijn dus niet zozeer twee gesloten banenmachines met een afwachtende massa ertussenin. Het is eerder:
Een discursief monopolie van de culturele elite op de taal van het debat, in combinatie met een structureel monopolie van de economische elite op de herverdeling van kapitaal en risico’s — terwijl een grote, heterogene groep de kosten van beide betaalt zonder toegang tot de taal of de structuren die haar ervaringen zouden kunnen omzetten in beleid.
BELANGRIJKE TOEVOEGING
Of waarschuwing! Bovenstaande analyse of visie op banenmachines (die ik logisch blijf vinden) heb ik bewust zo uitgelokt vanuit het kader van het ‘kletsende klasse’ narratief. Dat betekent uiteraard niet dat de analyse waar of waarschijnlijk is, of dat ik het daar mee eens ben. Ik vind de verklaring interessant en verfrissend en herken het zeker. Maar met net zoveel gemak kun je er alternatieven tegenover zetten. Wat ik hieronder dan ook laat zien:
Laten we een paar alternatieve duidingen langs lopen.
1. Het is gewoon kwaliteitsselectie, en dat is oké
De meest voor de hand liggende tegenwerping: complexe organisaties vragen om mensen met bepaalde vaardigheden — analytisch vermogen, communicatiekracht, institutionele kennis, stressbestendigheid. Die vaardigheden komen nu eenmaal vaker voor bij mensen met hogere opleidingen en brede netwerken. Dat er dan een zekere homogeniteit ontstaat, is geen complot maar een functionele uitkomst. Een waterschapsbestuur heeft nu eenmaal geen baat bij iemand die “gewoon boerenverstand” meebrengt maar de Waterwet niet kent.
Kritiek hierop: dit klopt deels, maar mist de vraag wie de kwaliteitscriteria bepaalt. Als “de juiste toon” en “culturele fit” onderdeel zijn van de selectie, dan is het geen neutrale kwaliteitstoets maar een sociale filter.
2. Het is padafhankelijkheid, geen macht
Organisaties reproduceren zichzelf omdat verandering duur is, niet omdat de elite bewust haar positie verdedigt. Wie er al in zit heeft een informatievoorsprong, wie nieuw binnenkomt moet bewijzen dat hij/zij het systeem begrijpt. Dat geldt voor een ziekenhuis, een aannemer en een ministerie. Pfad dependency, niet hegemonie.
Dit frame maakt de elite minder intentioneel kwaad, maar ook moeilijker te corrigeren — want er is geen slechterik om aan te pakken, alleen een inertiesysteem.
3. De populaire ontevredenheid is deels geconstrueerd
Rechtse media, desinformatienetwerken en sociale media-algoritmes versterken selectief het gevoel van “niet gehoord worden.” De woede is reëel, maar de richting ervan wordt mede gestuurd door actoren die er belang bij hebben dat mensen niet naar het systeem maar naar de elite kijken als vijand. In dit scenario is “de kletsende klasse” een handig target dat aandacht afleidt van bijvoorbeeld belastingontwijking, platformmacht of arbeidsrechtafbraak.
Dat wil niet zeggen dat Engelen ongelijk heeft — maar het zou kunnen dat de banenmachine-these zelf ook een discursief product is dat bepaalde machtsstructuren onzichtbaar maakt terwijl andere zichtbaar worden gemaakt.
4. De elite is intern veel verdelder dan het lijkt
De “kletsende klasse” als homogeen blok is een analysefictie. In werkelijkheid zijn er diepe conflicten: tussen universiteiten en media, tussen ambtenaren en politici, tussen ngo’s en bedrijfsleven, tussen generaties binnen dezelfde instituties. De consensus die van buitenaf coherent lijkt is van binnenaf vol strijd en onderhandeling. De banenmachine maalt dan wel, maar niet in één richting.
5. Het alternatief is onduidelijk
Dit is misschien de scherpste tegenwerping: oké, de banenmachine bestaat. Maar wat is het alternatief? Loting? Ervaringsdeskundigen aan het hoofd van het CPB? Directe democratie via referenda? Elk alternatief heeft zijn eigen selectiemechanismen, zijn eigen blinde vlekken, zijn eigen nieuwe elite in wording. De Fransen hebben geprobeerd met gilets jaunes iets te forceren — wat werd het? Niets structureels. Populair-rechts wint verkiezingen maar raakt verstrikt in diezelfde instituties zodra het gaat regeren.
Conclusie van de tegenlezing
Geen van deze vijf duidingen ontkracht de banenmachine-these volledig. Maar ze maken haar minder fatalistisch en minder eendimensionaal. De these is sterk als beschrijving van een tendens, zwakker als verklaring van een systeem met één logica en één richting. Echte analyse vraagt om beide bewegingen: ontmaskeren én de grenzen van het eigen ontmaskeringsapparaat zichtbaar maken.
Als ik tenslotte nogmaals de vraag stel, na deze overwegingen van alternatieven, vind ik de betere vraag (en die ik eigenlijk bedoelde te vragen) wat een buitenstaander zou zien gegeven twee banenmachines en een relatief grote heterogene groep ‘anderen’ die zich buitengesloten voelen.
Goed. Onpartijdig buitenstaander, systeemblik. Wat zie je dan?
Wat de buitenstaander ziet
Twee relatief gesloten circuits die elk hun eigen domein bestieren — het publieke en het private — met voldoende overlap in opleiding, taal en levensstandaard om elkaar niet fundamenteel te bedreigen. Ze concurreren wel, maar niet op de vraag of er een managerial class aan de knoppen zit. Dat staat buiten kijf. De derde groep is groot, heterogeen, en heeft één ding gemeen: het gevoel dat de uitkomsten van dat systeem hen overkomen. Of dat feitelijk klopt doet er voor de dynamiek minder toe dan dat het zo wordt ervaren.
De systeemlogica die dan ontstaat
De twee circuits produceren beleid, taal en legitimatie. De derde groep produceert iets anders: druk van buiten. Zolang die druk diffuus is — verspreid over veel groepen zonder gemeenschappelijke taal of organisatie — absorbeert het systeem haar moeiteloos. Een beetje populisme hier, een aanpassing in de toon daar, een commissie die “luistert.” Zodra die druk zich concentreert — in een partij, een beweging, een crisis — ontstaat er een moment van werkelijke instabiliteit. Het systeem heeft dan drie opties:
- Incorporatie: de beweging of partij wordt opgenomen in de bestaande structuren, haar scherpe kanten slijten af. Zie Fortuijn, BBB, in zekere zin ook de SP.
- Delegitimatie: de beweging wordt weggezet als gevaarlijk, ondeskundig of moreel verwerpelijk. Zie de reactie op Wilders na 2023.
- Echte aanpassing: het systeem past zijn uitkomsten substantieel aan. Dit is historisch gezien het zeldzaamste scenario — en gebeurt vrijwel alleen onder externe druk, niet door interne reflectie.
Wat de buitenstaander opvalt
Het systeem is buitengewoon stabiel, niet omdat het goed werkt voor iedereen, maar omdat de kosten van instabiliteit voor de twee circuits enorm zijn en de baten van aanpassing klein. Niemand geeft vrijwillig grip af. Tegelijk is het systeem brozer dan het lijkt, juist omdat het zo weinig terugkoppeling verwerkt. Het mist vroegtijdige signalen. Kleine spanningen worden niet opgelost maar opgestapeld. En als de schok dan komt — economisch, geopolitiek, institutioneel — is er weinig reserves aan wederzijds vertrouwen om die op te vangen.
De buitenstaander ziet dus geen samenzwering en geen incompetentie, maar een rationeel stabiel systeem met een structureel tekort aan zelfreiniging — dat precies daardoor kwetsbaar is voor abrupte, moeilijk beheersbare correcties.