391 Ricardo: de rekenmeester van het kapitalisme
Na Quesnay (boeiende onderschatte en ‘eerste econoom’) en Smith (de bekendste ‘eerste econoom’ en gedoodverfde reclamemaker voor de vrije markten), is Ricardo een fenomeen onder economen. Persoonlijk denk ik dat Ricardo een van de eersten was die economie formeel en precies wist te maken, zonder formules maar met woorden en strakke redeneringen. Hij was kort van stof. Waar Smith ellenlange beschouwingen en overdenkingen heeft, is Ricardo droog en feitelijk en in zijn woorden bijna wiskundig. Latere economen konden veel van Ricardo’s inzichten vrij makkelijk omzetten in formules en daar verdere conclusies uit trekken. Ricardo was een man van de praktijk (niet dat hij timmerman of zo was, maar belegger, handelaar). Minimaal twee theorieën van Ricardo worden nog regelmatig gebruikt: de residuele grondwaardetheorie en de wet van de comparatieve voordelen. Die eerste is hier al meerdere keren genoemd als drijvende kracht achter de te hoge huizenprijzen. Zie hier onder voor korte uitleg.
Terug naar de rode draad van dit ‘dossier economie’: Ricardo is de man die van economie een exacte wetenschap maakt (de overgang van iemand als Adam Smith naar latere ‘echt’ wiskundige economen als Leon Walras) en de man die economie als vehikel van de rationele egoïstische kapitalist definitief op de kaart zet (ik zou beweren dat hij de ethiek en de nuancering rond het eigenbelang uit Smith heeft gesloopt). Deze lijn (wiskunde en eigenbelang) wordt daarna stevig doorgezet en uitvergroot. Marx en Keynes zijn wellicht nog wat zijpaden, maar met Marshall en Samuelson worden de lijnen nog dikker gezet en verstommen de geluiden van andersdenkende economen. Ondertussen vindt daar ook ergens de sprong plaats van Frankrijk/Engeland als bakermat van de economen naar Amerika als quasi-monopolist van het economen-volkje (althans qua denken en aanpak en thematieken). Nu ik dit zo intik zou het best ook kunnen zijn dat er in diezelfde tijd groot economisch werk is verricht door China of India of Rusland, maar daar heeft niemand me nog op gewezen en los daarvan is er weinig van blijven hangen in wat we nu de ’toptijdschriften’ noemen.
Ricardo’s wet van de comparatieve voordelen is een van de bekendste principes uit de economie — en eigenlijk verrassend eenvoudig.
Hij stelde dat landen (of personen) zich moeten specialiseren in datgene waar ze relatief het best in zijn, niet per se in wat ze absoluut het best doen.
Kort uitgelegd
Zelfs als één land in alles efficiënter is dan een ander land, loont het nog steeds om te handelen — zolang beide landen zich concentreren op die producten waar hun voordeel het grootst is (of hun nadeel het kleinst).
Door die specialisatie:
- wordt de totale productie groter,
- kunnen beide landen meer consumeren dan wanneer ze alles zelf doen,
- en stijgt de wereldwelvaart.
Klassiek voorbeeld
Engeland en Portugal kunnen allebei wijn en textiel produceren. Portugal is beter in beide, maar verhoudingsgewijs is het nog beter in wijn dan in textiel. Engeland is minder slecht in textiel dan in wijn.
→ Portugal specialiseert zich in wijn, Engeland in textiel. Beide ruilen, en uiteindelijk staan ze er beiden beter voor dan zonder handel.
De essentie
Specialisatie op basis van relatieve efficiëntie levert meer op dan zelfvoorziening op basis van absolute kracht.
Dit werd de theoretische rechtvaardiging van vrije handel:
landen hoeven niet allemaal alles te kunnen — zolang ze doen waar ze het minst inefficiënt in zijn, wint iedereen.
Ricardo’s theorie van de residuele grondwaarde (of: theory of rent) legt uit waarom grond verschillende waarden krijgt, zelfs als alle boeren hetzelfde werk doen.
Kort uitgelegd
Niet alle grond is even vruchtbaar of gunstig gelegen. De beste grond levert met dezelfde inspanning meer opbrengst op dan slechtere grond. De boer op de goede grond hoeft niet harder te werken, maar krijgt meer opbrengst per hectare. Die extra opbrengst boven wat nodig is om de kosten te dekken (arbeid, zaaigoed, onderhoud) is de grondrente — de residuele grondwaarde. Het is dus het overschot dat overblijft na betaling van alle productiefactoren, veroorzaakt door de natuurlijke of locatievoorsprong van die grond.
In zijn eigen woorden
De waarde van grond is geen oorzaak van hoge voedselprijzen, maar het gevolg daarvan. Wanneer de vraag naar landbouwproducten stijgt, moeten ook minder vruchtbare gronden worden ontgonnen. De prijs van graan stijgt dan tot het niveau waarop zelfs de minst productieve grond nog net rendabel is. → De eigenaren van betere grond krijgen daardoor een monopolievoordeel: hun opbrengst is hoger bij dezelfde marktprijs.
De essentie
Grondrente is het residuele voordeel van schaarste en ongelijkheid in natuurlijke kwaliteit of ligging.
Ze ontstaat niet door arbeid of kapitaal, maar doordat de beste grond schaars is.
Actuele parallel
Vandaag zie je hetzelfde mechanisme in woning- en grondprijzen: de waarde stijgt niet door wat er gebouwd wordt, maar door locatie, bereikbaarheid en schaarste. De stijgende prijzen vloeien niet naar de bouwer of gebruiker, maar naar de eigenaar van de plek — precies wat Ricardo al 200 jaar geleden beschreef.
Ricardo is dé brug tussen Quesnay’s wereld van grond en Smith’s wereld van handel naar de moderne logica van kapitaal, groei en uitputting.
David Ricardo – de rekenmeester van het kapitalisme
Met Ricardo verschuift het decor van de economie. De landbouw verliest zijn centrale plaats en de industrie wordt het nieuwe hart van de samenleving. De fabriek, niet de boerderij, bepaalt nu het ritme van de rijkdom. Waar Quesnay de grond zag als bron van waarde, ziet Ricardo arbeid en kapitaal als de motor van groei.
De nieuwe productieve wereld
De arbeider is de moderne boer. Hij produceert niet langer graan, maar goederen. Hij ontvangt een minimumloon – net genoeg om te leven en te blijven werken – en de rest van de waarde die hij creëert stroomt naar de kapitalist, de ondernemer die het proces financiert. Een deel van de opbrengst gaat op aan slijtage en vervanging van machines; wat overblijft is de winst.
Die winst vormt de rentevoet van het nieuwe tijdperk. De ondernemer gebruikt dat overschot deels voor consumptie (onderhoud, luxe) en deels om opnieuw te investeren. Zo groeit de fabriek, groeit het kapitaal, en groeit ook de productie – althans zolang er voldoende arbeid en grondstoffen beschikbaar zijn. Ricardo’s wereld is daarmee de eerste systematische beschrijving van het kapitalisme als groeimachine.
De rationele markt
De drijvende kracht is het eigenbelang. Ricardo deelt met Smith het idee dat mensen rationeel handelen: als ieder zijn voordeel zoekt, ontstaat vanzelf een evenwicht dat voor de hele samenleving gunstig is.
De overheid hoeft zich daar niet mee te bemoeien, behalve om de basis te garanderen: veiligheid, recht en infrastructuur. Hier ligt het fundament van het liberale geloof in de zelfregulerende markt.
De jaargangentheorie van grond
Toch verdwijnt de grond niet uit beeld. Ricardo ziet dat landbouw nog steeds grenzen kent: de beste grond wordt het eerst gebruikt, daarna volgt slechtere grond. Elke “jaargang” van uitbreiding levert minder op dan de vorige. Zolang de bevolking groeit en de vraag naar voedsel stijgt, moeten steeds minder vruchtbare gronden worden ontgonnen. Dat betekent: meer arbeid, meer kosten, lagere winsten.
De groei houdt aan totdat de winstvoet naar nul tendeert – er blijft uiteindelijk niets over om te investeren. De grondbezitter wint hier opnieuw: naarmate goede grond schaarser wordt, stijgt zijn pacht.
Zo ontstaan monopoliewinsten – niet door productiviteit, maar door schaarste.
Van landbouw naar grondstoffen en energie
Ricardo’s redenering blijkt verrassend actueel. Zijn theorie van residuele grondwaarde – de waarde van wat nog net rendabel is – geldt ook voor moderne grondstoffen: olie, gas, metalen. Wie de beste bronnen bezit, kan de productie doseren en zo de prijs hoog houden. Rusland, Saoedi-Arabië en andere grondstofrijke landen passen feitelijk Ricardo’s model toe: ze knijpen de pijplijn net genoeg dicht om het maximale rendement te behouden. Het is de wet van optimale extractie in praktijk.
Bevolking en arbeid
Ook de arbeid kent grenzen. Ricardo’s tijdgenoot Malthus zag dat de bevolking geneigd is te groeien zolang er werk en voedsel is. Pas als de lonen stijgen boven het bestaansminimum, neemt die groei af.
In tijden van voorspoed breidt de bevolking zich uit; zodra de middelen schaarser worden, zakt ze terug.
Zo houdt het systeem zichzelf in evenwicht — niet sociaal, maar biologisch.
De macht van kapitaal
Wat Quesnay zei over de adel, zegt Ricardo over de kapitalist. De nieuwe elite beheerst niet langer de grond, maar het voorschot: het geld, de machines, de fabriek. Wie kapitaal bezit, bepaalt wie mag werken, hoeveel loon wordt betaald, en wat er met het overschot gebeurt. Concurrentie tussen ondernemers drukt de winstmarges, maar tegelijk kan de machtige kapitalist die druk verleggen:
door schaalvergroting, door arbeidsmarkten te verdelen, door patenten en lobby’s. Zo ontstaan hybride markten: officieel vrij, maar in praktijk gestuurd door macht en bezit.
De uitputting als systeem
Ricardo beschreef onbedoeld het mechanisme van zelfuitputting. De groei jaagt zichzelf aan, maar loopt steeds tegen grenzen aan – van grond, arbeid, of winst. Wanneer alles in gebruik is, verdwijnt de marge: de marginale winst daalt naar nul. De motor van groei draait dan op de laatste druppel brandstof.
Marx zou later laten zien wat dat betekent: als arbeid en natuur tot het uiterste worden uitgeperst, ontstaat onvermijdelijk crisis.
Ricardo vandaag
In onze tijd speelt dezelfde logica, alleen in andere vormen:
- De grond is vervangen door energie en data.
- De arbeider door flexwerker en algoritme.
- De kapitalist door multinational en investeringsfonds.
Toch blijft de structuur herkenbaar: wie de schaarste beheerst, plukt de rente. Of het nu gaat om olie, woningen of digitale infrastructuur – de waarde concentreert zich bij de houder van de sleutel.
Samenvattend
Ricardo maakte van economie een exact vak: een systeem van relaties tussen arbeid, kapitaal en grond, waarin alles in beweging blijft tot de grens is bereikt. Hij liet zien dat groei zijn eigen uitputting in zich draagt, en dat elke winst gebaseerd is op een verlies elders – van arbeider, natuur of toekomst.
Daarmee legde hij, vaak zonder het te willen, de logica bloot die nog steeds geldt: Waar schaarste bestaat, ontstaat macht. En waar macht bestaat, is de verleiding groot om precies zóveel te nemen dat het nog net doorgaat.
Van Quesnay’s pacht tot Ricardo’s winst tot onze schulden en grondrentes: het is één lange kringloop van extractie, accumulatie en uitputting.