375 Waarom doen economen zo weinig voor de maatschappij?
Een goede vriend van mij (laten we hem Martin noemen) is al zijn hele leven bezig na te denken over een betere wereld. Hij is altijd betrokken op een creatieve manier om te werken aan duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. Ondanks dat hij een economische achtergrond heeft, snapt hij niet goed waarom economen zo afstandelijk met modellen werken en zo weinig concreet meedenken over de grenzen aan de groei. Hij wil een boek schrijven om de economen wakker te schudden. Een soort oproep: kom van dat dak af, ik waarschuw niet meer. Hij interviewt voor zijn boek meerdere economen en ook aan mij is die eer te beurt gevallen. Ik mag met hem meedenken over zijn teksten en hem van feedback voorzien. Ik kan hier natuurlijk niet op zijn aanpak of teksten ingaan, dat is niet aan mij en het zou ook veel te vroeg zijn, hij zit nog in de denk- en conceptfase. Toch triggert zijn conceptversie en het gesprek met hem mij. Zoals ik het zie schetst hij op zijn manier een korte historie van economen en het economische denken en concludeert dat het ergens onderweg ‘mis is gegaan’.
Economen zijn zich in toenemende mate (in het grote geaccepteerde discours, de mainstream) van concrete maatschappelijke vraagstukken gaan afwenden. Andere geluiden in de economie zijn zoetjes aan ver naar de achtergrond geschoven. En zeker, de laatste decennia zijn er nieuwe economen die hun (tegen-) geluid laten horen. Denk aan Tim Jackson, aan Mazzucato, aan Raworth: ook zij zijn kritisch op het vak economie en de bijdrage aan de maatschappij. Maar toch … (mijn woorden) het zijn economen die niet voor de volle honderd procent serieus worden genomen door de ‘echte’ economen, het lijkt een aparte tak van sport, eerder een soort ruis op de lijn, de ‘grote jongens’ gaan gewoon door met hun technische en abstracte exercities over vrije markten en rationele agenten. Er zijn maar een paar uitzonderingen, nou ja eigenlijk kan ik er zo maar eentje noemen, en dat is Stiglitz. Een onbetwiste grote jongen die volledig bekend is met de mainstream en desondanks uiterst kritisch is op wat daar gebeurt. Iemand die een Nobelprijs heeft gewonnen voor zijn baanbrekende onderzoek naar onvolledige markten en dat helemaal volgens de regels van het spel van de ’traditionele’ economen. Stiglitz schuwt de strijd niet, publiceert zich een slag in de rondte, ook op een toegankelijke en leesbare manier voor leken, en heeft in zijn jongere jaren het zwaard gekruist met een andere mastodont Friedman (Stiglitz vertelt daar over in zijn laatste boek ‘De weg naar vrijheid’, ik ga daar later in een aparte blog nog wel op in). In mijn visie is Stiglitz hier de econoom en Friedman eerder een (ingehuurde) ideoloog die overigens wel een zwaar stempel op het vak heeft gedrukt.
Terug naar Martin: hij is in mijn ogen een soort zendeling die nog eens wil uitleggen dat economen een andere bril moeten opzetten. Wat hij in mijn ogen niet doet is de bestaande situatie verklaren: waarom is het zo dat die harde kern aan economen niet veel meer actief betrokken is bij het maken van een betere wereld? Welke dynamiek speelt daar? Pas als je daar zicht op hebt, kun je gaan denken over een interventie. Ik heb daar zelf wel een ‘systemische kijk’ op en wil die voor mezelf (en ik deel dat hier) eens gaan verkennen. Daarom schrijf ik in een aantal staccato zinnen voor mezelf op hoe ik denk dat het vak economie zich heeft ontwikkeld de laatste paar honderd jaren, en waarom die economen nu doen wat ze doen.
De oorsprong van het economisch denken
Het economisch denken is inderdaad begonnen met Adam Smith, al bestonden er daarvoor al belangrijke voorlopers zoals Quesnay en de fysiocraten, die grondeigendom centraal stelden. Dat past in de geest van die tijd: er ontstond een groeiend bewustzijn van schaarste, macht en eigendom, van arm en rijk. Men zocht naar samenhangende verklaringen voor verschijnselen als rijkdom, welvaart en handel.
Daaruit ontstond ook de kern van het vak economie: het denken vanuit schaarste en prijsvorming. Aanvankelijk gebeurde dat in verhalende en beschouwende vorm, maar gaandeweg verschoof het naar wiskundige formalisering — het denken in kleine, abstracte modellen. Ricardo was daarin een sleutelfiguur, en later formaliseerden Walras en Marshall de discipline verder. Met de zogenaamde marginalistische revolutie werd schaarste en prijsvorming benaderd in termen van differentiële wiskunde.
Waarom gebeurde dat? Enerzijds omdat de wiskunde zich snel ontwikkelde — denk aan Euler en zijn tijdgenoten — en anderzijds omdat economen hun vak op een vergelijkbaar ‘exact’ niveau wilden brengen als de natuurkunde, inclusief de bijbehorende status. Dat is volstrekt menselijk en verklaarbaar: een vorm van evolutie in aanpak en ambitie. Opvallend is wel dat de economie daarbij minder gericht raakte op het verklaren of verhelpen van armoede, en meer op het voorkomen van crises en het verhogen van de nationale welvaart — in de praktijk vaak die van ondernemers.
In deze vroege geschiedenis kun je nog spreken van verschillende scholen die met elkaar in dialoog waren. Maar na verloop van tijd verstomde die dialoog. Er kwam een duidelijke ‘winnaar’ naar voren die de handboeken en de universitaire leerstof ging domineren. Een econoom die al deze stromingen nog eens overzichtelijk heeft geduid tegen de achtergrond van hun tijd is D.B.J. Schouten, in zijn voor mij legendarische boek Exacte economie. Schouten was bovendien een van de weinige economen die zich bezighield met maatschappelijke vraagstukken, maar hij brak nooit echt door, omdat hij niet werkte volgens de Amerikaanse formule van toptijdschriften en publicatiecriteria.
De Amerikaanse overheersing en de ideologische wending
Dan komt er een tweede ontwikkeling bij — iets wat zelden wordt benoemd, maar wat in mijn ogen cruciaal is. In dezelfde periode kwam de Verenigde Staten op als wereldmacht. Amerika nam geleidelijk ook de leiding over in de economische wetenschap: daar zat het geld, daar zaten de prestigieuze universiteiten, en daar werden de normen gezet.
Paul Samuelson belichaamt die verschuiving. Hij legde met zijn leerboeken de canon vast voor generaties economen (in Nederland vertaald door Heertje als De kern van de economie). De invloed van zulke leerboeken is enorm: ze vormen het referentiekader waarmee generaties studenten het vak leren denken.
Met die Amerikaanse dominantie kwam ook een duidelijke ideologische lading mee. In de context van de Amerikaanse wereldhegemonie, oliebelangen en machtspolitiek ontstond het verhaal van marktwerking, vrijhandel en ondernemersvrijheid — het slechten van barrières en handelsbelemmeringen. Figuren als Ayn Rand voegden daar een romantisch, bijna heroïsch verhaal aan toe, dat de wiskundige abstractie van de economie een moreel fundament leek te geven: de ondernemer als drager van vooruitgang.
Samuelson was bovendien wetenschappelijk een mastodont. Zijn werk — waaronder het Stolper-Samuelson-theorema — zette de toon voor wat als ‘goede’ economie gold. Bert Hamminga heeft dat in zijn proefschrift (Springer-Verlag, circa 1985) prachtig blootgelegd: welke economen publiceerden, hoe ze dat deden, en hoe streng de grenzen van het vak werden bewaakt. Wie wilde publiceren op wereldniveau, moest zich voegen naar deze methode, deze taal en deze ideologie.
Dat was opnieuw een vorm van evolutie: geen toeval, maar een institutionele verankering van een dominante manier van denken. Economen hadden zich inmiddels meer gericht op de logica van modellen dan op het bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang. De richting van het vak werd nu bepaald door peer reviews, topuniversiteiten en internationale tijdschriften.
De confrontatie met de grenzen van groei
Toch begon de wereld zelf te veranderen. Met het rapport van de Club van Rome kwam een nieuw besef: er zijn grenzen aan groei. In economische termen betekende dat dat modellen niet langer lineair konden zijn — en dat is problematisch, want lineaire modellen zijn wiskundig overzichtelijk, terwijl niet-lineaire modellen lastig zijn en vaak geen elegante oplossingen hebben.
Voor het eerst werd zichtbaar dat de economie over grenzen, randen en niet-lineair gedrag zou moeten gaan. Maar dat is niet alleen wiskundig moeilijk; het is ook politiek gevoelig. Want als je serieus werk maakt van grenzen, gaat dat ten koste van macht en belangen.
In de begindagen van de economie was dat anders: toen diende de economische wetenschap juist om handel, rijkdom en ondernemerschap te legitimeren. De huidige uitdagingen — klimaat, ongelijkheid, duurzaamheid — bedreigen die fundamenten. En dus wordt de handschoen niet opgepakt. De dominante ideologie schrijft voor dat we moeten relativeren, innoveren en blijven consumeren.
De economie richt zich daarom liever op technologische oplossingen en innovatie — vormen van modern escapisme — in plaats van op een werkelijk andere manier van samenleven en produceren. De boodschap is niet: “we moeten minder”, maar: “we kunnen slimmer doorgaan zoals we bezig zijn.”
Slotbeschouwing
In dat licht vind ik het verhaal van onze fictieve laten we hem Martin noemen — en vele vergelijkbare initiatieven — wat naïef. Je kunt niet de vleeseter overtuigen door te zeggen dat hij moet stoppen met vlees eten. Hij wil vooral horen dat er manieren zijn om zonder schuldgevoel door te kunnen gaan: met een biologische koe, een stukje minder vlees of wat extra beweging. En precies dáár richt het economisch onderzoek zich op — niet op verandering, maar op het mogelijk maken van meer van hetzelfde, in een steeds verfijnder jasje.