660 Vanwaar al die wiskunde in de (Amerikaanse) economie?
De reis gaat voort ……
Waarom is het een pre dat de Amerikaanse economie-beoefening naast ideologisch ook wiskundig en formeel moest worden? De roots daarvan liggen ook in Europa, met name Frankrijk en Walras, en ook UK met oa Marshall. En wat heeft wiskunde en formalisatie (ala Paul Samuelson) te maken met een neoliberale ideologie?
Deze vraag snijdt precies door de mythe heen dat de formalisering een neutrale methodologische stap was.
De pre van de formalisering: waarom het ideologisch functioneel was
Léon Walras (Lausanne, 1870s) bouwt het eerste algemeen evenwichtsmodel — een wiskundig systeem waarin alle markten simultaan in evenwicht zijn. Alfred Marshall (Cambridge, 1890) voegt de partiële evenwichtsanalyse toe: vraag- en aanbodcurves, marginale analyse, de gereedschapskist van de micro-economie. Vilfredo Pareto verfijnt Walras en introduceert het welvaartsbegrip dat zijn naam draagt.
Dit is dus Europees, Frans-Italiaans-Brits, en het is wiskundig van het begin af aan. Waarom werd het dan zo’n pre in Amerikaanse handen?
De vier functies van formalisering als ideologisch instrument
Eerste functie: schijn van neutraliteit
Een wiskundig model ziet er waardevrij uit. Vergelijkingen hebben geen politieke kleur. Wie de conclusies aanvecht, moet de wiskunde aanvechten — en dat is technisch veel moeilijker dan een politiek argument bestrijden.
Maar de neutraliteit is schijn. Elk model begint met aannames. Walras’ algemeen evenwicht veronderstelt dat markten bestaan, dat prijzen zich aanpassen, dat actoren rationeel maximaliseren, dat eigendomsrechten gegeven zijn. Die aannames zijn politieke keuzes — maar zodra ze in de axioma’s van het model zijn ingebakken, zijn ze onzichtbaar geworden. Je vecht niet meer over de vraag óf markten efficiënt zijn; je vecht over de parameters van het model dat die efficiëntie beschrijft.
Dit is wat Myrdal — zelf Nobelprijswinnaar — “de verborgen waardeoordelen van de economie” noemde. Ze zitten in de structuur, niet in de conclusies.
Tweede functie: professionele afsluiting
Formalisering creëert een toegangsdrempel. Wie niet kan rekenen, doet niet mee. Dat sluit niet alleen leken uit maar ook hele intellectuele tradities — de Historische School, het institutionalisme, de politieke economie — die hun argumenten in proza formuleerden.
De American Economic Review publiceert vanaf de jaren vijftig overwegend formele modellen. Galbraith schrijft briljant en invloedrijk proza — en wordt weggezet als populist, niet als econoom. Zijn analyses van marktmacht, institutionele structuur en reclame als producent van behoeften zijn analytisch scherpzinnig maar niet formaliseerbaar. Dus tellen ze niet mee in de vakliteratuur.
Dit is een perfecte zelfselectiemachine: de methode bepaalt wie serieus genomen wordt, en de methode sluit precies die vragen uit die het systeem in twijfel trekken.
Derde functie: universaliteitspretentie
Een wiskundig model claimt universele geldigheid — het beschrijft niet een specifieke economie op een specifiek moment maar de economie als zodanig. Walras’ evenwichtsmodel is niet Frans, het is algemeen. Samuelsons synthesemodel is niet Amerikaans, het is economische wetenschap.
Dit was ideologisch buitengewoon handig in de naoorlogse periode. Amerika exporteerde geen Amerikaans economisch model — het exporteerde de wetenschap van economie, toevallig ontwikkeld in Cambridge (Mass.) en Chicago. Ontwikkelingslanden die het IMF-programma volgden kregen geen Amerikaanse politieke keuzes opgelegd maar universele economische wetmatigheden.
De Historische School had dit altijd bestreden: economische wetmatigheden zijn historisch en institutioneel gesitueerd, ze gelden niet altijd en overal. Friedrich List had al in 1841 betoogd dat vrijhandel de ideologie is van de sterkste partij — en dat beschermend beleid precies was waarmee Amerika en Duitsland zelf groot waren geworden. Maar die these is niet formaliseerbaar in een universeel model. Dus verdween ze uit het mainstream-discours.
Vierde functie: beleidslegitimering zonder politiek debat
Als economisch beleid gebaseerd is op wetenschappelijke modellen, is het geen politieke keuze meer maar een technische noodzaak. De bezuinigingsprogramma’s van het IMF in de jaren tachtig en negentig werden niet gepresenteerd als ideologische voorkeur maar als de enige rationele respons op de parameters van het model. Er viel niets te debatteren — alleen te implementeren.
Dit is wat Foucault “gouvernementalité” noemde in een andere context: macht die zichzelf niet als macht presenteert maar als expertise. De econoom als technicus, niet als politicus. Het werkt precies zolang de aannames onzichtbaar blijven.
Waarom het in Amerika optimaal landde
De Europese formalisering — Walras, Marshall, Pareto — was in Europa ingebed in bredere intellectuele contexten. Walras was socialist. Marshall waarschuwde uitdrukkelijk voor de beperkingen van zijn modellen. Pareto’s sociologie was cynisch over élites, niet vergoelijkend.
In Amerika werden ze losgeweekt uit die context en in een nieuw frame gezet. Samuelson’s synthese pakte de wiskunde maar liet de politieke ambivalentie los. De formalisering werd gekoppeld aan één specifieke set aannames — rationele actoren, efficiënte markten, groei als norm — die toevallig naadloos aansloten bij het Amerikaanse naoorlogse zelfbeeld.
De pre zat hem dus niet in de wiskunde zelf maar in de combinatie: Europese formele methode plus Amerikaanse institutionele infrastructuur plus naoorlogse universaliteitspretentie. Dat pakket was onklopbaar. Het had de prestige van wetenschap, de verspreiding van een imperium, en de financiering van de Ford Foundation.
De diepste laag
Jij en Schouten staan in de traditie die dit altijd heeft bestreden — niet de wiskunde als zodanig maar de aannames die erin worden verstopt. De echte vraag is niet of modellen formeel moeten zijn maar welke werkelijkheid ze modelleren en welke ze weglaten.
Macht, eigendomsverhoudingen, historische padafhankelijkheid, institutionele structuur — dat zijn geen parameters die je in een Walrasiaans evenwichtsmodel stopt. Ze zijn er systematisch uitgelaten. En wat eruit is gelaten, is precies de werkelijkheid die jouw vriend al dertig jaar beschrijft.
De formalisering was dus geen methodologische verbetering. Het was een selectiemechanisme dat bepaalde vragen wetenschappelijk maakte en andere vragen onwetenschappelijk — precies op het moment dat Amerika die selectie kon institutionaliseren via zijn universiteiten, journals en internationale instellingen.
Too good to be true — maar precies daarom waarschijnlijk waar.