658 Paul Samuelson: nieuw hoofdstuk
In deze reis plopt oer-Amerika-econoom Paul Samuelson zomaar op. Ooit eerder in mijn blogs had ik Samuelson op mijn lijstje staan (evenals Keynes). Toen kwam ik er niet meer aan toe, nu komt Samuelson via de achterdeur weer terug. Dat is een goed teken. Samuelson was in mijn visie de eerste grote bekende Amerikaanse ‘massa-econoom’ die wereldwijd de toon zette door een ‘verplicht frame’ neer te zetten hoe je vanaf nu economie zou moeten beoefenen. Dat frame is het onderwerp van zijn proefschrift uit 1947 (de ‘Foundations’ of grondslagen van de economie). Een vuistdik lesboek (ontstaan vanuit zijn proefschrift) dat vele generaties lang op alle inleidingen economie verplichte stof was. En dan heb ik het nog niet eens over de honderden lesboeken die later verschenen (tot op de dag van vandaag) die feitelijk niet meer zijn dan samengevatte en opgepoetste versies van de oer-Samuelson. Wie was deze man? Maak een profiel in het licht van deze reis over de opkomst van Amerika na WO-I.
Profiel: Paul Samuelson (1915–2009)
Vanuit het perspectief van de naoorlogse machtsconsolidatie en de institutionalisering van het economisch denken
De buitenstaander die het systeem definieerde
Paul Anthony Samuelson werd geboren op 15 mei 1915 in Gary, Indiana, in een familie van Poolse Joodse immigranten die aanzienlijk had geprofiteerd van de eerste wereldoorlog, omdat Gary een gloednieuwe staalstad was. Die biografische details zijn niet triviaal. Net als Ayn Rand was hij een immigrantenkind dat de Amerikaanse droom van binnenuit zou legitimeren — maar dan via de wetenschap in plaats van via de roman.
Samuelsons biograaf betoogt dat een centrale reden voor zijn overstap van Harvard naar MIT het antisemitisme was dat destijds wijd verbreid was aan Harvard. De buitenstaander vond zijn plek niet aan de meest prestigieuze instelling maar aan de meest technisch georiënteerde — wat zijn verdere traject mede verklaart.
Het project: economie als exacte wetenschap
Samuelson beschouwde wiskunde als de “natuurlijke taal” voor economen en droeg significant bij aan de wiskundige grondslagen van de economie met zijn boek Foundations of Economic Analysis. Dat was geen stijlkeuze maar een programma. Economie moest ophouden een tak van de moraalfilosofie te zijn — wat het bij Smith, Mill en Marshall nog grotendeels was — en een exacte wetenschap worden met universele aanspraken.
Onderzoekers passen Schumpeters definitie van ideologie toe op zijn student Samuelson: zijn visie bestaat uit twee delen — Keynesiaanse stagnatiethese en wiskundige economie. Net als Keynes zag Samuelson zichzelf en zijn rol in de geschiedenis op een bepaalde manier. De wiskundige formalisering was dus zelf ideologisch geladen — niet als bewuste misleiding maar als voorwetenschappelijke visie die de richting van het werk bepaalde.
Het tekstboek als politiek project
Economics: An Introductory Analysis, voor het eerst gepubliceerd in 1948, werd het bestverkochte economietextboek aller tijden. Maar de totstandkoming ervan was allesbehalve neutraal.
Het “middle-of-the-road” standpunt dat Samuelson in het boek innam was bewust geconstrueerd door de MIT-econoom, met hulp van zijn thuisinstelling en zijn uitgever McGraw-Hill, als reactie op conservatieve kritiek en druk van leden van het bestuur van MIT. Hoewel Samuelson oorspronkelijk van plan was een beleidsgeoriënteerd tekstboek te schrijven met een sterke Keynesiaanse inslag, maakten de veranderingen die hij doorvoerde het een meer theoretisch gericht werk waarin beleidsaanbevelingen afgezwakt werden gepresenteerd.
Met andere woorden: het meest invloedrijke economietextboek ter wereld werd politiek bijgesteld voordat het de drukpers verliet. Niet door censuur maar door institutionele druk — precies het mechanisme dat hegemonische systemen kenmerkt.
Samuelsons bewering dat de overheid in tijden van werkloosheid verantwoordelijkheid had om in te grijpen — dat het Amerikaanse kapitalisme alleen goed kon functioneren als de overheid een rol speelde — was als een rode lap voor conservatieven. Zijn boek werd aangevallen nog voordat het gepubliceerd was. De notie dat de overheid een kapitalistische economie moest stabiliseren werd door zijn critici gelijkgesteld aan communisme.
De neoclassical synthesis: Keynes gedomesticeerd
Samuelsons grootste intellectuele ingreep was de zogenaamde neoclassical synthesis — de fusie van Keynesiaanse macro-economie met neoklassieke micro-economie. Het resultaat was elegant maar had een prijs.
Keynes had geschreven vanuit een specifieke historische crisis — de Grote Depressie, het falen van het kapitalisme, de dreiging van fascisme. Zijn General Theory was een politiek-economisch werk. Samuelson maakte er tijdloze modellen van — het IS-LM framework, de Phillips-curve — die overal en altijd zouden gelden.
Wat verdween in die vertaling: de institutionele context, de machtsverhoudingen, de historische padafhankelijkheid. Wat overbleef: een technisch apparaat dat kapitalisme als gegeven veronderstelde en overheidsbeleid reduceerde tot het fine-tunen van parameters.
Op latere leeftijd bekritiseerde Samuelson economen om hun blinde acceptatie van vrijhandel. Een opmerkelijke zelfreflectie — want zijn eigen textboek had decennialang precies die acceptatie bevorderd.
Adviseur van de macht
Samuelson diende als adviseur van president Kennedy en president Johnson, en was consultant voor het Amerikaanse ministerie van Financiën, het Bureau of the Budget en de President’s Council of Economic Advisers.
Dit is de institutionele kern van zijn invloed. Samuelson was niet alleen een academicus die modellen bouwde — hij zat aan tafel bij de mensen die de naoorlogse economische architectuur uitvoerden. Zijn synthese werd niet alleen onderwezen maar ook toegepast, via de instellingen die diezelfde architectuur beheerden: IMF, Wereldbank, het Amerikaanse financiële apparaat.
Het paradox in zijn persoon
Er is een paradox in het hart van Samuelsons werk. Hij was politiek een New Deal-liberaal, supporter van de Democratische Partij, adviseur van Kennedy en Johnson. Hij geloofde in overheidsingrijpen en sociale stabilisering. Dat stond ver van Friedman en ver van Rand.
Maar zijn methodologische project — economie als universele exacte wetenschap, wiskunde als natuurlijke taal, aannames die onzichtbaar worden in de formalisering — produceerde een discipline die structureel ongeschikt was voor de vragen die hij zelf politiek belangrijk vond: macht, verdeling, institutionele structuur.
Hij zag zichzelf als de laatste generalist onder steeds meer gespecialiseerde economen. Die zelfperceptie was juist en tragisch tegelijk. Hij was de laatste die het geheel nog kon overzien — en hij bouwde het systeem dat zijn opvolgers zou reduceren tot specialisten die de aannames van het geheel niet meer konden bevragen.
De systemische functie: wat hij deed zonder het te weten
Vanuit de lijn van dit gesprek is Samuelson het meest interessant als onbewust instrument van een groter project. Hij was geen propagandist. Hij was een immigrant die wiskundig briljant was, gevormd door de Grote Depressie, oprecht gelovig in de stabiliserende rol van een gemengde economie. Maar zijn methodologische keuzes hadden structurele effecten die hij zelf niet volledig overzag:
De formalisering maakte economie professioneel afgesloten — wie niet kon modelleren, deed niet mee. De universaliteitspretentie maakte Amerikaans naoorlogs kapitalisme tot norm — niet als politieke keuze maar als wetenschappelijke uitkomst. Het tekstboek verspreidde die norm wereldwijd, via generaties studenten in de VS én ver daarbuiten. De synthese domesticeerde Keynes — en sloot daarmee de tradities buiten die synthese structureel uit.
Samen met Friedman definieerde hij de bandbreedte van het toelaatbare debat. Samen met Rand definieerde hij de ideologische atmosfeer waarin dat debat plaatsvond. Geen van de drie had de andere nodig. Ze convergeerden structureel — wat het systeem robuuster maakt dan elk bewust plan ooit had kunnen zijn.