630 Heeft de rat plaats gemaakt voor morele ambitie?
Ik geloof er niks van. Het is een geloof en weer een mogelijk voorbeeld van tunnelvisie en AI laten bevestigen wat je al denkt. Ik was van plan even te stoppen, maar dan kom je weer zo’n prikkelend verhaal tegen uit de school van Wynia. De tekst stelt kort door de bocht 1) waar is het oude rattengedrag gebleven (Joep Schrijvers, hoe word ik een rat)? De huidige generatie lijkt meer te willen deugen ala Bregman, 2) in de politieke arena zien we dat deugen (te veel) terug waardoor we geen vuist meer kunnen maken in deze nieuwe harde realiteit ala Trump cs.
De tekst van Van Willigenburg is vermoedelijk met een knipoog en die van mij ook. Het zijn maar wat associaties en speculaties, vol met ongecontroleerde vooronderstellingen, echt materiaal voor borrelpraat.
Ik denk dat de tekst een aantal foute inschattingen maakt. Ik geloof niet dat de huidige generatie carrière-makers moreler of deugender is. Ik denk zelfs meer bezig met zichzelf en onder invloed van sociale media en buitenwereld. Zie de vele onderzoeken naar stress onder jongeren, ook op dating-gebied. Kijk naar de film van Theroux over de manosfere en hoe belangrijk het is om snel rijk te worden en je eigen ego-pad te bewandelen (en merk op dat het niet alleen mannen zijn die hier veel geld willen verdienen, ook vrouwelijke influencers weer op hun manier). Ik zou zeggen dat de huidige generatie juist een nog subtielere manier heeft van dat ego-pad volgen, een rat 2.0 met andere woorden. Feitelijk hetzelfde gedrag maar met een worstel-deug-randje of je wel of niet mag vliegen (een EV-kopen als 2e auto, naar de bio-slager gaan etc). Ik zou zeggen nog meer bubbel, nog meer verhuld en complex. Bregman tja, kan ik moeilijker over oordelen, zoon van een predikant, ik denk dat hij wel een niche aanspreekt en het is ook hip zijn boeken te lezen en geassocieerd te worden met iets verheveners dan platte handel en geld verdienen. Maar de quiet-quitters zijn in mijn ogen te dominant herkenbaar aanwezig om dit verhaal van Van Willigenburg voor waar aan te nemen. Dan maakt de auteur de sprong naar de politiek of het macro-verhaal. Moeten hier meer ratten komen? Die vind ik lastiger te duiden. Ik denk dat veel jongere mensen niet kiezen voor de politiek om begrijpelijke redenen (je wordt er niet rijk van, je loopt veel risico op afbreuk, te zichtbaar, niet sexy), dus wellicht wordt dat een verzameling ambtenaren, leraren, hoogopgeleiden met een afwijkend profiel. Zou kunnen dat zij inderdaad minder alert zijn op een hardere gemeen vechtende buitenwereld ala Trump cs, juist omdat de politiek geen afspiegeling meer is van ‘de maatschappij’? Analyseer die stappen eens.
Ja, jouw bezwaar snijdt hout. De redenering uit die tekst is waarschijnlijk te lineair. De auteur doet alsof er een vrij duidelijke overgang is geweest van de openlijke carrièrerat naar de moreel bevlogen professional. Jij zegt eigenlijk: nee, het gedrag is niet verdwenen, het is van verpakking veranderd. Dat lijkt mij analytisch sterker.
De nuttigste manier om dit te bekijken is in vier stappen.
1. De eerste stap van de auteur is al zwak: van “rat” naar “passie” is geen echte vervanging.
Dat werk vandaag vaker wordt verpakt in termen van missie, zingeving en identiteit is plausibel. Initiatieven als The School for Moral Ambition presenteren succes expliciet als iets dat moreel hoger moet worden gericht: “de meest ambitieuze mensen” zouden aan “de belangrijkste wereldproblemen” moeten werken. (Rutger Bregman) Maar daaruit volgt nog niet dat ambitie zelf zachter, altruïstischer of minder narcistisch is geworden. Eerder is de taal veranderd: vroeger carrière, nu impact; vroeger status, nu purpose; vroeger slim zijn, nu betekenisvol zijn.
Jouw formulering “rat 2.0” is daarom scherp. Het gaat dan niet om minder eigenbelang, maar om een geciviliseerde, esthetische, sociaal wenselijke vorm van hetzelfde spel. Dat past ook bij een tijd waarin sociale media identiteit permanent zichtbaar en verkoopbaar maken. Internationale rapporten van WHO en OECD koppelen intensiever en problematischer socialemediagebruik onder jongeren aan mentale druk, vergelijking en welzijnsproblemen. (Wereldgezondheidsorganisatie) Dat ondersteunt jouw vermoeden: niet per se een morelere generatie, maar een generatie die sterker leeft onder publieke beoordeling.
2. Jouw alternatief model is overtuigender: niet minder ego, maar een complexer ego.
De auteur van de oorspronkelijke tekst ziet de nieuwe generatie als te idealistisch en te kwetsbaar voor betekenisloosheid. Jij draait dat om: veel van dat morele taalgebruik kan óók gewoon onderdeel zijn van zelfpresentatie en statusstrijd. Dat lijkt mij een betere lezing van deze tijd. Deloitte’s Gen Z- en millennialsurvey uit 2025 laat bijvoorbeeld zien dat jonge generaties tegelijk zoeken naar betekenis én financiële zekerheid. (Deloitte) Dat is niet hypocriet; het laat juist zien dat morele zelfbeelden en materiële belangen naast elkaar lopen.
Daarmee wordt “quiet quitting” ook interessant. Niet als bewijs van hoog moreel idealisme, maar als bewijs van afstand, calculatie en zelfbescherming. Dan krijg je inderdaad niet de oude rat die openlijk elleboogt, maar iemand die subtiel optimaliseert: reputatie beheren, moreel consumeren, de juiste symbolen kiezen, risico’s vermijden, ondertussen wél maximaal op zichzelf letten. Dus: EV als tweede auto, bio-slager, vliegen met schuldgevoel, LinkedIn-taal over impact, en intussen dezelfde onderliggende strijd om positie. Jouw punt is dan: de façade is ethischer geworden, het gedrag niet noodzakelijk.
Dat sluit ook aan bij de aantrekkingskracht van de manosphere. De Netflix-documentaire van Louis Theroux wordt expliciet gepresenteerd als onderzoek naar een invloedrijke omgeving van influencers die jonge mannen vormen rond mannelijkheid, macht en succes. (Netflix) En Ofcom laat in 2025 zien dat manospherecontent juist appelleert aan identiteit, status, onzekerheid en de zoektocht naar houvast. (www.ofcom.org.uk) Dat ondersteunt jouw intuïtie: onder de oppervlakte leeft nog steeds een harde logica van geld, rangorde en ego, alleen nu in meer gefragmenteerde en digitaal versterkte vormen.
3. De sprong van werkvloer naar geopolitiek is in de oorspronkelijke tekst te groot.
Hier wordt de redenering minder stevig. Dat op de werkvloer meer morele gevoeligheid bestaat, betekent nog niet automatisch dat Europa daarom zwakker staat tegenover Trump-achtige machtspolitiek. Daar zitten meerdere tussenstappen tussen die de auteur overslaat.
De betere vraag is: wie kiest nog voor politiek, en met welk profiel? Daar raakt jouw intuïtie iets belangrijks. Als politiek relatief weinig geld, veel reputatierisico en weinig glamour biedt, kan het aantrekkelijker worden voor mensen die bovengemiddeld institutioneel, verbaal en moreel zijn ingesteld, en minder voor de harde statuszoekers die elders sneller geld en invloed kunnen pakken. Dat is op zichzelf een plausibele hypothese. Ik heb hiervoor in deze snelle check geen nette Nederlandse bron gevonden die jouw precieze stelling direct bevestigt, dus dat moet ik als redelijke inferentie presenteren, niet als vastgesteld feit. Wat wél goed onderbouwd is: het vertrouwen in politici in Nederland is de afgelopen jaren gedaald, en SCP/CBS signaleren al langer lage politieke tevredenheid en tanend vertrouwen. (Centraal Bureau voor de Statistiek)
Daarmee ontstaat een interessant mechanisme. Niet: “jongeren zijn te moreel dus Europa is zwak.” Maar eerder: de selectie aan de top kan scheef groeien als politiek minder aantrekkelijk wordt voor ondernemende, conflictvaardige, opportunistische types, terwijl de maatschappelijke arena buiten de politiek juist steeds harder, commerciëler en ‘mediatieker’ wordt. Dan krijg je mogelijk een bestuurdersklasse die procedureel, juridisch en moreel sterk is, maar soms minder instinctief aanvoelt hoe rauw macht in de buitenwereld werkt. Dat is een veel betere tussenstap dan die van de auteur.
4. De macro-conclusie “we hebben meer ratten nodig” is daarom te grof.
Ik zou het anders formuleren. Niet: meer ratten. Ook niet: meer heiligen. Maar: meer mensen met realiteitszin, conflictvaardigheid en strategisch vermogen, zonder dat ze cynische plunderaars worden. Want ook jouw kritiek heeft een risico. Als je te veel nadruk legt op rat 2.0, kun je doorschieten naar: “iedereen doet maar alsof, alles is façade.” Dat is ook te plat. Er zijn echt mensen die idealen hebben. Er zijn ook echt jongeren die zingeving zoeken zonder berekening. Maar de fout van de oorspronkelijke tekst is dat hij die idealen te snel als dominante waarheid neemt, terwijl jij terecht ziet dat eronder vaak nog steeds competitie, angst, ijdelheid en status werken.
De tekst van de auteur mist waarschijnlijk drie dingen. Ten eerste: morele taal is geen bewijs van moreel gedrag. Ten tweede: sociale media hebben ambitie niet afgeschaft, maar juist verfijnd en geënsceneerd. (Wereldgezondheidsorganisatie) Ten derde: de stap van cultuurkritiek naar geopolitiek kan alleen via een analyse van selectie, representatie en prikkels in de politiek, niet via een simpele klacht over overgevoeligheid.
De tekst betoogt dat Hoe word ik een rat? van Joep Schrijvers in korte tijd moreel verdacht is geworden. Waar slim manipulatief carrièregedrag vroeger nog gold als efficiënt of zelfs bewonderenswaardig, is het nu iets waarvoor je sociaal en professioneel wordt afgestraft.
Volgens de auteur is daarvoor een nieuwe norm in de plaats gekomen: werk moet niet alleen geld opleveren, maar ook identiteit, zingeving en morele zuiverheid bieden. Niet de handige opportunist, maar de werknemer met “passie”, missiegevoel en morele overtuiging staat nu hoog aangeschreven. Projecten als de School for Moral Ambition van Rutger Bregman worden opgevoerd als voorbeeld van die bijna religieuze verheerlijking van moreel werk.
De schrijver erkent dat het weren van “ratten” op zichzelf als beschavingswinst kan worden gezien, maar ziet ook een gevaarlijke keerzijde: mensen, vooral jongeren, zouden steeds slechter tegen betekenisloosheid, dubbelzinnigheid en harde realiteit kunnen. Alles wat niet past in het beeld van een betere, moreel verheven wereld roept sneller verontwaardiging, gekwetstheid en escalatie op, bijvoorbeeld op de werkvloer.
Diezelfde morele overgevoeligheid ziet de auteur ook terug op grotere schaal: in Europa’s houding tegenover geopolitiek, in het vasthouden aan morele principes terwijl hardere machten het spel bepalen, en in bredere gevoelens van psychische kwetsbaarheid en onmacht.
De slotsom is provocerend: misschien zijn in politiek en bedrijfsleven juist weer hardere, slimmere, minder sentimentele leiders nodig. Vandaar de ironische eindconclusie: “Een rat, graag.”