606a De deegroller en de discontovoet: hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1 — De kaart
De Rue du Faubourg Saint-Antoine liep van nergens naar nergens, maar hij liep hem toch. Het was kwart over elf. De workshop was afgelopen om negen uur, daarna hadden ze nog wat gedronken in een café waarvan hij de naam al niet meer wist, en nu liep hij. Hij had geen bestemming. Dat was prettig.
Parijs deed altijd alsof het je begreep.
Hij had de hele dag geluisterd naar mensen die dingen uitlegden. Economen, voornamelijk, maar ook een filosoof die zichzelf een denker noemde en een vrouw van een denktank die sheets had met pijlen erin. Ze spraken over transities, over veerkracht, over de noodzaak van nieuwe narratieven voor een post-groei-tijdperk. Het was goed werk. Degelijk. Betaald ook, redelijk betaald zelfs. Hij had zelf ook iets gezegd. Iets over institutionele prikkels en de structuur van grondmarkten. De mensen hadden geknikt.
Op een bankje bij een fontein ging hij zitten.
Het water maakte geluid en de stad maakte geluid en hij maakte geen geluid. Hij had zijn jasje losgemaakt en voelde de wijn nog een beetje in zijn hoofd, niet onaangenaam, als een licht gestoorde kompas die toch ongeveer de goede kant aanwijst.
Waar ben ik mee bezig geweest?
Niet vanavond. Niet de workshop. Zijn leven. De vraag was ouder dan vanavond, maar vanavond voelde hij hem scherper dan anders, misschien door de wijn, misschien door de fontein, misschien omdat hij hier ver genoeg van huis was om eerlijk te zijn tegen zichzelf. Hij had rapporten geschreven. Honderden pagina’s. Aanbevelingen, analyses, beleidsnota’s, transitieagenda’s. Stuk voor stuk correct. Stuk voor stuk vergeten zodra ze gelezen waren, en soms daarvoor al.
Hij had geld verdiend met het begrijpen van de wereld en de wereld had er weinig aan gehad.
Ergens in de stad werd gelachen. Een stel liep voorbij met een fles in een papieren zak. De man hield de vrouw vast alsof hij bang was dat ze weg zou waaien.
Zijn vader had met zijn handen gewerkt. Dat was altijd het verschil geweest, het onuitgesproken verschil, het verschil dat zijn vader nooit had benoem maar dat er altijd was, als een laag onder de vloer. Zijn vader begreep dingen die hij niet begreep: hoe iets gemaakt werd, hoeveel moeite erin zat, waarom de prijs ergens op sloeg of nergens op. Hij had economie gestudeerd, nota bene, en wist toch minder over waarde dan zijn vader die de krant las aan de keukentafel en zweeg.
Ontrouw. Dat was het woord. Hij was zijn vader ontrouw geweest. Niet bewust, niet kwaadwillig, maar structureel. Hij had een taal geleerd die zijn vader buitensloot, en was die taal vervolgens zijn hele werkzame leven blijven spreken zonder zich af te vragen of er ook iets verloren was gegaan.
Hij stond op van het bankje en liep verder.
De bakkerijen waren dicht. Achter een luik zag hij nog licht branden en rook hij iets — bloem, boter, iets warms — en hij bleef staan als iemand die een naam probeert te herinneren.
Worstenbroodjes.
Het was een gedachte die nergens vandaan kwam en overal vandaan kwam tegelijk. Zijn vader en worstenbroodjes, dat was een verhaal op zichzelf: de man kon er niet genoeg van krijgen, at ze koud, at ze lauw, at ze staand boven de gootsteen als er niemand keek. Het was zijn enige snoepgoed. Deeg, vlees, warmte. Een product zo eenvoudig dat je er geen model voor nodig had. Geen pitch. Geen narratief voor een post-groei-tijdperk. Je at het en het was goed en daarmee was alles gezegd.
Stel, dacht hij.
Hij liep langzamer.
Stel dat ik ze zelf ga bakken.
De gedachte was belachelijk. Hij wist dat. Hij was een man van bijna zestig met een achtergrond in institutionele economie en een abonnement op drie vakbladen die hij niet meer las. Hij had nog nooit brooddeeg gemaakt. Hij kende de prijs van grondrente en de marginale kosten van sociale woningbouw, maar niet de verhouding tussen bloem en vet.
En toch.
Er was iets in de gedachte dat niet wegging. Een soort stevigheid, een soort logica die anders was dan de logica van zijn rapporten. Als hij worstenbroodjes bakte — goede, echte, met zijn handen — dan maakte hij iets wat iemand blij maakte. Niet na implementatie van de aanbevelingen, niet na het doorlopen van de beleidskolom, niet afhankelijk van politieke wil en institutionele capaciteit. Gewoon: iemand at het en was even blij. Dat was de hele keten. Dat was het hele verhaal.
Hij dacht aan zijn vader.
Hij dacht aan zijn vader en voelde iets wat hij niet goed kon benoemen, een mengsel van spijt en tederheid en iets wat op opwinding leek. Alsof er een plan was geweest, al die jaren, zonder dat hij het wist. Alsof zijn vader allang had gewacht op dit moment, ergens, in de beleefde stilte van iemand die weet dat zijn kind het uiteindelijk zelf moet uitvinden.
Ik ga het doen, dacht hij.
Hij zei het niet hardop. Er was niemand om het tegen te zeggen. Maar hij dacht het met een helderheid die los stond van de wijn, die al begon te wijken, en van Parijs, dat hem omsloot met zijn vertrouwde onverschilligheid. Hij zou worstenbroodjes bakken. Hij zou er zijn ziel in leggen, iets wat in geen enkel rapport ooit was gelukt, iets wat niet mogelijk was als je schreef voor mensen die je nooit zagen, over problemen die ze liever niet hadden. Hij zou iets maken dat zijn vader zou hebben begrepen zonder uitleg.
De cirkel. Eindelijk de cirkel.
En dan — hij wist niet waarom dit nu ook opkwam, misschien was het de stad, misschien was het de nacht, misschien was het gewoon tijd — dan zou hij er ook over schrijven. Een roman. Zijn roman. Niet een rapport, niet een analyse, niet een aanbeveling in de richting van een instituut dat er toch niets mee deed. Een boek over een man die te lang de verkeerde taal had gesproken en op een avond in Parijs, enigszins aangeschoten, naast een gesloten bakkerij, besloot het anders te doen.
Zijn vader zou het begrijpen.
Dat was genoeg.
Hij liep verder door de Rue du Faubourg Saint-Antoine, die van nergens naar nergens liep, maar nu ergens anders eindige dan waar hij begon.