490 Doemdenken jongeren onterecht, zegt arbeidseconoom en mythekraker Paul de Beer

Een ander geluid, dat is mooi, Paul de Beer in het Financieel Dagblad van een paar dagen geleden (onderaan samenvatting). Je hoort het vaak, maar inderdaad vaak café-gesprekken, dat jongeren het niet meer zo goed gaan krijgen als hun ouders. Tel maar uit: klimaatproblemen, dreigende oorlogen, Europa begint technologisch achterop te raken, huizen zijn onbetaalbaar etc etc. Gevoelsmatig heb ik de neiging daarin mee te gaan. De recente historie wijst uit dat dit steeds wordt weersproken en ik ken ook de auteurs die tellen dat er nog nooit zoveel welvaart is geweest, dat de lucht schoner is dan jaren het geval is geweest. En we kunnen nog enorme uitvindingen tegemoet zien, de mens is nu eenmaal creatief, zeker als er geld valt te verdienen zoals aan het klimaat. Anyway, in Paul de Beer heb ik dan concurrentie in mijn hoedanigheid als zelfbenoemd tegendenker en mythekraker, want het valt allemaal reuze mee met die jeugd. Tja, zou kunnen, hij baseert zich zoveel mogelijk op de feiten immers. Laten we toch even doorvragen, met name de gestegen huizenprijzen zitten me niet lekker.

Veel kan ik wel volgen en delen van De Beer. Paar dingen nog. 1 = jongeren zouden andere prikkels hebben als verklaring voor tekort op arbeidsmarkt, niet het loon alleen telt maar ook aantrekkelijkheid etc. Hoe verhoudt zich dat tot andere dingen die je hoort over jongeren, dat ze het goed gewend zijn, geen broodtrommel en koffie meer meenemen van huis, vaak uit eten gaan, veel vliegvakanties. Dit suggereert dat geld en verdiensten wel degelijk belangrijk zijn? 2 = ook over huisvestingsperspectieven is De Beer niet pessimistisch, de kinderen van nu zijn niet slechter af. Hoe zit dat met andere bronnen die aangeven dat het deel van inkomen dat opgaat aan wonen hoger wordt, dat je uitgaande van 2 x modaal en wat je kan lenen bij dat bedrag nauwelijks huizen te koop ziet staan? Okay, ik kan me voorstellen dat huizen ook luxer en groter zijn geworden, net als auto’s in de loop van de tijd, maar dit lijkt me te simpel, er is toch gewoon ook speculatie, prijsopdrijving en je moet 2 inkomens hebben om te kopen?


1. “Aantrekkelijkheid van werk” vs. “jongeren geven veel geld uit”

Paul de Beer zegt: loon is niet de enige prikkel; mensen wisselen vooral van baan als werk aantrekkelijker is (inhoud, perspectief, zingeving). Jij zegt terecht: maar jongeren lijken juist geld belangrijk te vinden — uit eten, vakanties, lifestyle. Dat is geen tegenspraak, maar een onderscheid tussen twee niveaus:

a. Arbeidsmarktgedrag ≠ consumptiegedrag

  • Arbeidskeuze: jongeren zijn minder bereid onaantrekkelijk werk te doen, óók niet tegen iets meer loon.
  • Consumptie: binnen hun inkomen geven ze relatief veel uit aan ervaringen, gemak en status.

Dat betekent niet dat geld onbelangrijk is, maar dat meer loon een slechte compensatie is voor slecht werk. Een baan moet eerst acceptabel zijn; pas daarna speelt geld een rol. Je zou het zo kunnen formuleren: loon is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde.

b. “Goed gewend” is deels een structureel effect

Wat vaak wordt gepresenteerd als verwenning, is ook een rationele aanpassing aan:

  • onzekerheid over vaste banen
  • onzekerheid over wonen
  • minder geloof in lange termijn beloning

Dan wordt nu leven logischer dan later sparen. Dat is geen moreel punt, maar een economische reactie op een minder voorspelbare toekomst. In die zin bevestigt dit juist De Beers punt: jongeren prijzen werk anders, omdat het leven anders is ingericht.


2. Huizenbezit: “niet slechter af” vs. woonlasten, lenen en speculatie

Hier zit je scherpste punt — en hier versimpelt De Beer wél degelijk.

a. Formeel gelijk ≠ materieel gelijk

De Beer kijkt vooral naar:

  • percentage jongeren met een koopwoning
  • vergelijking per levensfase

Maar hij abstraheert daarmee van drie cruciale verschuivingen:

1. Woonquote is structureel hoger

Andere bronnen (CBS, CPB, NIBUD) laten zien dat:

  • een groter deel van het inkomen naar wonen gaat
  • vooral bij starters en middeninkomens

Dus: zelfs als je “even vaak” een huis bezit, kost het relatief meer van je leven.

2. Toegang is veranderd: twee inkomens + ouderlijke steun

Waar De Beer zegt: “jongeren doen het niet slechter”, zie je in de praktijk:

  • twee inkomens zijn vaak noodzakelijk
  • ouderlijke giften/schenkingen bepalen toegang

Dat betekent dat het systeem:

  • minder op individuele verdiencapaciteit draait
  • en meer op intergenerationele overdracht

Dat is géén triviale nuance, maar een structurele machtsverschuiving.

3. Speculatie en grondwaarde verdwijnen uit beeld

Hier raakt het jouw eigen werk (grondwaarde, residuele prijs, optimale extractie): De Beer vergelijkt uitkomsten, maar niet het onderliggende mechanisme:

  • financiële verruiming
  • hypotheekopdrijving
  • schaarste op grond
  • beleggersdruk

Dat huizen groter en luxer zijn geworden verklaart hooguit een deel. Het verklaart niet:

  • waarom 2× modaal weinig keus ziet
  • waarom huren zo duur is
  • waarom starters kwetsbaarder zijn

Met andere woorden: hij vergelijkt producten, jij kijkt naar prijzenstructuur en macht.


3. Hoe kun je dit eerlijk samenbrengen?

Je zou De Beer zo kunnen lezen (en tegelijk begrenzen):

  • ✔️ Hij heeft gelijk dat doemdenken over jongeren overdreven is
  • ✔️ Hij ontmaskert makkelijke verhalen (“vergrijzing”, “AI vernietigt alles”)
  • ❌ Maar hij normaliseert structurele verschuivingen door ze historisch te middelen

Dat is precies het punt waar jij vaak zit: gemiddelden kunnen kloppen, terwijl het systeem schever wordt.

Of scherper: jongeren kunnen het nog net redden, maar alle buffers zijn verplaatst: naar ouders, partners, geluk en timing.


4. Samenvattend in jouw toon

  • Jongeren zijn niet lui of verwend, maar rationeel kieskeurig
  • Loon is belangrijk, maar niet compenserend voor slecht werk
  • Huizenbezit is formeel niet ingestort, maar functioneel duurder en risicovoller
  • De Beer prikt mythes door, maar abstraheert van machts- en prijsmechanismen

Samenvatting

Paul de Beer positioneert zich nadrukkelijk als mythekraker in het arbeidsmarktdebat. Hij zet vraagtekens bij dominante verhalen over arbeidsmarktkrapte, AI en generatieverschillen, en wijst erop hoe makkelijk aannames worden herhaald zonder empirische onderbouwing.

Arbeidsmarktkrapte: geen vergrijzingsprobleem

Volgens De Beer is de huidige arbeidsmarktkrapte geen gevolg van vergrijzing. Als dat zo was, zou het aantal pensioneringen sterk moeten zijn toegenomen, wat niet het geval is: dit cijfer is al twintig jaar stabiel. De krapte is grotendeels een optisch en tijdelijk fenomeen, veroorzaakt door baanmobiliteit na corona. Mensen heroverwogen hun werk, wisselden vaker van baan, waardoor er ketens van openstaande vacatures ontstonden (frictievacatures). Het absolute aantal vacatures zegt daarom weinig over structurele schaarste.

Vraag en aanbod werken anders dan in het leerboek

De Beer benadrukt dat de marktmetafoor voor arbeid tekortschiet. Arbeidsmobiliteit wordt niet primair gestuurd door loonprikkels, maar door de aantrekkelijkheid van werk: inhoud, perspectief en betekenis. Arbeid is daarmee geen klassieke markt waar prijsaanpassingen alles verklaren.

AI: minder disruptief dan vaak wordt beweerd

De Beer is sceptisch over claims dat AI massaal banen zal vernietigen of productiviteit automatisch zal verhogen. Technische mogelijkheden worden lang niet altijd toegepast; sociale en institutionele context bepaalt of technologie werkelijk doorbreekt. Grote omscholingsgolven acht hij onwaarschijnlijk, omdat beroepsveranderingen grotendeels samenvallen met natuurlijke uitstroom uit de beroepsbevolking.

Jongeren zijn niet slechter af

Een centrale stelling: er is geen bewijs dat jongeren het economisch slechter hebben dan hun ouders. Op basis van tientallen jaren data concludeert De Beer dat elke generatie – gecorrigeerd voor inflatie – meer verdient dan de vorige in dezelfde levensfase. Ook het aandeel jongeren met een koopwoning is vergelijkbaar met dat van babyboomers destijds; wat vooral veranderd is, zijn normen en verwachtingen.

Generatie Z: vooral hogere verwachtingen

Gen Z verschilt volgens De Beer nauwelijks van eerdere generaties, behalve dat zij alles belangrijker vinden in werk: loon, zekerheid, zingeving, ontwikkeling. Opvallend is dat zij juist lager scoren op autonomie en initiatief. Mogelijke verklaring (voorzichtig): een meer beschermde opvoeding, maar dit blijft een hypothese.


Bron

Lien van der Leij, “Paul de Beer: ‘Ik zie geen enkel bewijs dat de jongeren van nu het slechter krijgen dan hun ouders het hadden’”, Het Financieele Dagblad, 2025.


Korte reflectie (optioneel, maar passend bij jouw lijn)

Dit stuk past naadloos in jouw bredere thematiek: verhalen versus gedrag, hype versus data, en het gemak waarmee morele en economische verklaringen achteraf worden gladgestreken. De Beer doet hier eigenlijk revealed preference op macro-niveau: niet kijken naar wat we zeggen te geloven (vergrijzing! AI! verloren generatie!), maar naar wat mensen feitelijk doen.

Als je wilt, kan ik dit ook:

  • inpassen in jouw revealed preference / arbeidsmarkt-lijn
  • contrasteren met populaire doom-narratieven (AI, jongeren, wonen)
  • of vertalen naar een korte blogintro in jouw eigen toon.
Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*