483 Een betere wereld: weten, kunnen en willen in een matrix
Na Bregman’s lezingen, kreeg ik wederom ter lezing en inspiratie een fraaie tekst (concept boek) voorgelegd. Weer een mooi pleidooi om in dit geval het vak economie te reorganiseren. Een analyse wat er nu fout is met het vak (gaat niet meer om de mens, geen oog voor grenzen en vernietiging), vervolgens het bespreken van een betere werkwijze voor dit vak (mens weer centraal, rekening houden met natuurlijke grenzen). Prachtig verhaal. En net als bij Bregman weer mijn terugkerende vraag en mantra: voor wie schrijven we dit eigenlijk? Vaak zijn de lezers mensen die dit allang weten en ook zeggen dat ze willen meewerken aan de verandering (totdat blijkt welke gevolgen het ook voor henzelf heeft, dan misschien weer niet). Preken voor eigen parochie. Vaak zijn het ook mensen die dit eveneens allang weten, maar absoluut niet van plan zijn hun gedrag te veranderen. Of het zijn mensen die het niet weten. Of die het wel weten maar niet kúnnen veranderen. Kortom: hoe zit dit? Mijn worsteling schreeuwt om een matrix.
Ik kan dit stuk natuurlijk weer langs dezelfde kritische meetlat leggen als eerder bij Bregman. Dat zou niet moeilijk zijn, en de bezwaren liggen inmiddels voor de hand. Maar ik wil twee dingen vermijden: herhaling én de indruk dat kritiek automatisch gelijkstaat aan cynisme, of erger nog, aan onwil om bij te dragen aan een betere samenleving.
Mijn twijfel zit namelijk niet bij de analyse zelf. Veel mensen – bedrijven, beleidsmakers, economen – weten allang hoe het zit. Ze kennen de cijfers, de grenzen, de alternatieven. Ze weten ook dat het anders kan. Waar het spaak loopt, is niet zozeer het gebrek aan inzicht, maar de bereidheid en mogelijkheid om daadwerkelijk te veranderen. Die bereidheid is vaak voorwaardelijk: zolang ik er zelf niet op achteruitga, zolang anderen ook meedoen, zolang de offers niet te groot zijn. Tegelijk worden de consequenties structureel onderschat, of verschoven in tijd en ruimte. En laten we eerlijk zijn: een groot deel van de wereldbevolking is simpelweg nog niet toe aan “minder”, omdat zij eerst nog meer nodig heeft – meer welvaart, meer zekerheid, meer ruimte om überhaupt na te denken over lange termijn en duurzaamheid.
Daar wringt voor mij iets in veel van deze teksten. Ze zijn inhoudelijk sterk, moreel vaak overtuigend, maar missen een serieuze analyse van de hobbels onderweg. Niet alleen wat wenselijk is, maar wat realistisch is. Niet alleen wat zou moeten, maar wat mensen, systemen en machtsverhoudingen daadwerkelijk toelaten.
Er is bovendien nog een andere route, die vrijwel nooit wordt besproken. De gedachte dat wij dit als soort misschien helemaal niet kunnen. Dat we het nooit eerder hebben bewezen. Dat uitsterven, transformatie of vervanging geen morele ramp hoeft te zijn, omdat de wereld zelf gewoon doorgaat. Dat ons vasthouden aan het ideaal van eeuwig voortbestaan misschien vooral een projectie is. Die gedachte is vrijwel taboe – niet omdat hij per se onwaar is, maar omdat hij elk maakbaarheidsoptimisme ondergraaft.
Om niet in dat alles te blijven hangen, zoek ik een andere ingang. Niet nóg een oordeel, maar meer afstand. Ik wil auteurs en visies niet langer vooral beoordelen op hun boodschap, maar ze ordenen. In kaart brengen waar ze staan. Daarbij denk ik aan twee assen, al worstel ik nog met de exacte formulering. Een eerste ligt voor de hand: weten versus niet weten. Een tweede raakt aan bereidheid of mogelijkheid tot veranderen.
Want kijk je zo, dan ontstaat een ander beeld. Er zijn mensen en groepen die het niet weten; daar is voorlichting, onderwijs en bewustwording zinvol. Er zijn mensen die het weten en ook willen veranderen – maar die hoef je dit verhaal eigenlijk niet meer te vertellen. De paradox is dat juist zij deze stukken schrijven, lezen en delen. Preken voor eigen parochie. En ook daar zit een ongemak: vaak gaat het om een relatief welvarende, hoogopgeleide westerse klasse die het zich kan veroorloven om het ermee eens te zijn, maar nog nauwelijks heeft ervaren wat daadwerkelijke inlevering betekent.
Dan blijven de groepen over waar het echt schuurt. Machthebbers en bedrijven die het weten, maar niet willen. En mensen die het weten en misschien zelfs wel willen, maar eenvoudigweg niet kunnen, omdat ze de luxe, het kapitaal of de speelruimte missen. Daar kom je onvermijdelijk uit bij macht, beleid, dwang, herverdeling en volgorde: wie draagt eerst bij, wie vervuilt het meest, wie heeft het meeste te verliezen – en wie juist niet.
De vraag die mij in deze blog dus bezighoudt is niet: wie heeft gelijk? Maar: hoe kunnen we de verschillende posities, aannames en blinde vlekken beter in kaart brengen? Zonder naïviteit, zonder morele verhevenheid, en zonder het alternatief van berusting of cynisme.
1. Eerst het kernprobleem expliciet maken (zonder waardeoordeel)
Wat je bij dit stuk (en ook bij Rutger Bregman) intuïtief mist, is niet de diagnose, maar de politieke economie van verandering:
Het probleem is niet primair kennis, maar coördinatie, offers, macht en verdeling.
Dat is geen cynisme, dat is realisme.
2. Twee assen die wél werken (en waarom)
Je eerste intuïtie is goed, maar we moeten de assen iets preciezer formuleren om moralistisch denken te vermijden.
As 1 – Inzicht / bewustzijn
Van:
- Onwetend / misleid / geen toegang tot kennis
naar: - Goed geïnformeerd / systeemdoorzichtig
Deze as gaat niet over intelligentie, maar over:
- toegang tot informatie,
- tijd om erover na te denken,
- mate van directe overlevingsdruk.
As 2 – Reële veranderingsruimte
Van:
- Kan niet veranderen zonder ernstige schade aan eigen bestaanszekerheid
naar: - Kan veranderen zonder existentiële schade
Dit is cruciaal: niet willen, maar kunnen. Veel analyses verwarren morele bereidheid met materiële speelruimte.
3. De 2×2-matrix: geen moreel oordeel, alleen positie
| Kan niet veranderen | Kan wél veranderen | |
|---|---|---|
| Weet het niet | A. Overlevers Grote delen wereldbevolking – groei nog nodig – moreel appel werkt niet | B. Onbewuste comfortklasse – consument – technocratisch vertrouwen |
| Weet het wel | C. Vastgezetenen – hypotheken – schulden – systeemdwang | D. Machtsposities – bedrijven – elites – beleidsmakers |
Dit schema ontmoraliseert het debat:
- A is niet “achterlijk”
- C is niet “laf”
- D is niet “onwetend”
- B is niet “slecht”, maar passief
4. Waar zit dit stuk en Bregman?
Vrijwel al deze literatuur richt zich op B → C:
- mensen met tijd, opleiding, inkomen;
- die denken dat ze kunnen veranderen;
- maar zelden geconfronteerd zijn met echte offers.
Dat verklaart jouw gevoel van: preken voor de eigen parochie zonder dat dat een persoonlijke aanval hoeft te zijn.
5. De échte breuklijn: macht en afdwingbaarheid
Wat structureel ontbreekt bij dit stuk (en grotendeels ook bij Bregman) is een analyse van D:
Wie weet het, kan veranderen, maar heeft belang bij niet-veranderen?
Daar hoort onvermijdelijk bij:
- dwang,
- regelgeving,
- fiscale herverdeling,
- machtspolitiek,
- internationale coördinatie (of conflict).
Dat is geen pessimisme, maar historisch consistent:
- afschaffing kinderarbeid,
- milieuwetgeving,
- sociale zekerheid → nooit vrijwillig, altijd afgedwongen.
6. Jouw taboe-gedachte verdient een plek (zonder hem te omarmen)
Je “radicale route” – misschien kan onze soort dit niet – is filosofisch legitiem en zelden eerlijk besproken. Die positie kun je plaatsen buiten de matrix als meta-standpunt:
- Niet: “laat maar kapotgaan”
- Wel: “stop doen alsof morele vooruitgang vanzelfsprekend is”
Dit sluit aan bij:
- evolutionair denken,
- tragisch mensbeeld,
- systeemdenken zonder verlossingsfantasie.
Juist door hem expliciet te maken, voorkom je dat hij als cynisme wordt gelezen.
Samenvattend in één zin
Wat jij zoekt is geen betere boodschap, maar een realistisch krachtenveld waarin kennis, macht, verdeling en menselijke beperkingen zichtbaar worden — en dát is precies de stap voorbij zowel naïef optimisme als gemakzuchtig cynisme.