472 Lessen economie uit de boekjes
Vanuit de analyse van ‘de economie van goed en kwaad’ kwam ik destijds op het idee om voor mezelf op te schrijven wat nu de ‘canon’ van het vak economie is. Welke lessen en riedels en mantra’s en bezweringen worden elke keer weer herhaald en vormen een constante in alle uitingen van economen. Dat zie je elke dag in de kranten terug bij wijze van spreken. Het is de taal en logica. De meesten van die ‘lessen’ zijn mythes, niet letterlijk waar, ook niet onwaar, maar meer vormen ze de taal van het spel, het zijn de lego-blokken of zo je wilt de ideologie van de beoefenaars van het vak. Ik kwam toen uit op 10 van die lessen (waar ik soms net over het randje ging door ook Keynes en onderbesteding te noemen, de figuur van Keynes behoeft echt nog een keer aandacht, is Keynes nu de grote uitzondering binnen de economen of is hij juist de redder of tussenpaus geweest?) en kon er ook niet meer bedenken. Leuk om dat nu nog eens met de moderne techniek te vragen: vul dit indien mogelijk aan met nog 5 canonieke lessen die we elke dag om de oren krijgen gesmeten.
Ik eindigde destijds met:
Ik blijf bij mijn conclusie die ik vorige keer al trok. Een magere oogst. Economie is een veredelde vorm van wiskundige puzzels oplossen. Alle inzichten hier zijn toch vooral aannames vooraf en/of resultaten achteraf die volgen uit ‘als dit, dan dat’ exercities. Grotendeels los van de dagelijkse praktijk. En let eens op het taalgebruik dat erin sluipt. Er wordt gesproken over ‘verstoringen’ (zoals in ’tax distortion’) en ‘afwijkingen’ (zoals in ‘a deviation from market equilibrium’). Het model is hier het uitgangspunt en de absolute referentie. De werkelijkheid vertoont dus verstoringen en afwijkingen. In plaats van andersom. Het model staat dus niet ter discussie, maar het is de werkelijkheid die zich helaas niet aan het model wenst te houden. Apart. Toch staan onze kranten er dagelijks vol mee en heeft deze manier van denken (want dat is het dus volgens mij) een grote invloed op tal van zaken.
De canon van de (klassieke) economie – volgens Rudy van toen
1. De ‘wet’ van vraag en aanbod
Voor de leek
Als iets schaars is en veel mensen het willen, stijgt de prijs. Is er veel aanbod en weinig vraag, dan daalt de prijs. Prijsveranderingen sturen gedrag: kopers haken af, producenten komen erbij, en zo schuift de markt richting een evenwicht.
Voorbeeld
Concertkaartjes: zijn er weinig plekken en veel liefhebbers, dan stijgt de prijs (officieel of via doorverkoop). Bij lege zalen zakken prijzen en komen er acties.
Zoals jij het formuleert
Geen natuurwet maar een denkraster: “de prijs ruimt de markt”, met dat veilingmeester-idee erachter (in theorie geen handel buiten evenwichtsprijzen).
Koppeling aan later werk
In je stukken over wonen, arbeid en publieke diensten komt steeds terug dat prijzen vaak niet “mogen” of “kunnen” bewegen (contracten, regels, traagheid), en dat markten daardoor níét automatisch ruimen.
2. Agenten zoeken naar de laagste kosten
Voor de leek
Mensen proberen hetzelfde doel te bereiken met zo min mogelijk geld, moeite, risico of tijd. Dit is de basis van “efficiënt gedrag” in modellen.
Voorbeeld
Je kiest de snelste route naar huis, of de supermarkt met dezelfde boodschappen maar lagere prijzen, tenzij de reistijd of het gedoe het niet waard is.
Zoals jij het formuleert
Kostenminimalisatie als postulaat; achteraf verklaar je gedrag via “revealed preference”: als iemand het doet, was het blijkbaar “het beste”, anders had hij iets anders gedaan.
Koppeling aan later werk
Jij gebruikt dit later om te laten zien dat kosten vaak verborgen of verplaatst zijn (naar anderen, naar de toekomst, naar het milieu, naar de werknemer).
3. Agenten streven naar de hoogste opbrengsten
Voor de leek
Als twee opties evenveel kosten, kies je wat meer oplevert: meer geld, meer nut, meer gemak.
Voorbeeld
Twee banen met dezelfde reistijd en uren: dan is het logisch dat je de baan met hoger salaris of betere voorwaarden kiest.
Zoals jij het formuleert
Het spiegelbeeld van 2: maximaliseer opbrengst bij gegeven kosten. “Ceteris paribus” is hier de sleutel: al het overige gelijk.
Koppeling aan later werk
In je ondernemerschaps- en machtsstukken komt terug dat “opbrengst” in het echte leven vaak status, zekerheid, autonomie of macht is — maar het model duwt alles terug in één opbrengstmaat.
4. Afnemende meeropbrengsten
Voor de leek
Elke extra stap levert meestal minder extra resultaat op. De eerste uren studeren hebben veel effect, de laatste uren leveren nog maar kleine winst.
Voorbeeld
Een website verbeteren: met 20% inspanning heb je hem “goed genoeg”. De stap van 95% naar 99% perfectie kost belachelijk veel tijd.
Zoals jij het formuleert
Dit principe zit overal: productie, nut, inspanning. En het is ook wiskundig “handig”, omdat je anders geen netjes optimum vindt.
Koppeling aan later werk
Je past dit later toe op groei en overoptimalisatie: systemen blijven drukken voor de laatste procenten (winst, rendement, score), terwijl de maatschappelijke meeropbrengst afneemt.
5. MO = MK (marginale opbrengst = marginale kosten)
Voor de leek
Je gaat door met iets zolang de extra opbrengst groter is dan de extra kosten. Je stopt waar ze gelijk worden: daar ligt het “optimum”.
Voorbeeld
Een bedrijf produceert meer zolang de extra winst op de volgende unit groter is dan de extra kosten. Als die extra unit niets meer toevoegt, stop je.
Zoals jij het formuleert
De grensregel/afkapconditie: economie gaat niet om “maximaal”, maar om “optimaal”.
Koppeling aan later werk
In jouw beleid- en systeemkritiek zit dit onderhuids steeds mee: wie definieert wat kosten zijn (en voor wie), stuurt het optimum. Dat zie je terug bij wonen, zorg, klimaat, pensioen.
6. Arbitrage
Voor de leek
Als er prijsverschil is voor “hetzelfde”, ontstaat winstkans: goedkoop kopen, duur verkopen. Door dat gedrag verdwijnen verschillen.
Voorbeeld
Valuta of aandelen: als hetzelfde aandeel op beurs A net goedkoper is dan op beurs B, springen handelaren ertussen en trekken de prijs gelijk.
Zoals jij het formuleert
Verschillen worden weg gehandeld tot het voordeel verdwenen is en er een nieuw evenwicht ontstaat.
Koppeling aan later werk
Jij gebruikt dit later als lens op wie wel/niet kan meedoen: niet iedereen heeft dezelfde toegang, timing of informatie. Dan blijven verschillen juist bestaan.
6a. Huur–koop-equivalentie (residuele grondwaarde)
Voor de leek
Een huis levert je “woondiensten”. Je kunt die diensten kopen (huis kopen) of huren. Als alles gelijk was, zou het financieel ongeveer op hetzelfde neerkomen.
Voorbeeld (simpel)
Als een huis huren €1.200 per maand kost, dan kun je terugrekenen: wat is die stroom aan huren “nu waard” als je contant maakt? Dat geeft een anker voor de koopprijs.
Zoals jij het formuleert
De koopprijs ≈ contant gemaakte huurstroom. En de grondwaarde is residueel: wat je overhoudt als je bouwkosten eraf trekt.
Koppeling aan later werk
Hier sluit jouw latere woningmarktlijn direct op aan: fiscale voordelen, financieringsruimte en beleid worden in prijzen “opgeslokt”. Arbitrage drukt winsten weg en duwt grondprijzen omhoog.
6b. Ricardo-equivalentie
Voor de leek
Als de overheid vandaag minder belasting heft maar hetzelfde blijft uitgeven, moet ze lenen. Die lening moet later terugbetaald worden via toekomstige belastingen. Dus rationele mensen “zien” dat al.
Voorbeeld
Een tijdelijke belastingkorting van €500: als jij verwacht dat die later wordt teruggehaald via hogere belasting, dan ga je het geld eerder sparen dan uitgeven.
Zoals jij het formuleert
Belasting nu of schuld nu: lood om oud ijzer, want agenten anticiperen op toekomstige heffing. (En ja: dit is onderwerp van debat, maar als les hoort het tot de canon.)
Koppeling aan later werk
In jouw stukken over crisisbeleid en schulden zie je precies deze spanning terug: waarom stimuleringsmaatregelen soms “niet aankomen” in consumptie.
6c. Modigliani–Miller-equivalentie
Voor de leek
De waarde van een bedrijf hangt af van wat het verdient, niet van hoe het is gefinancierd. Lenen of aandelen uitgeven zou in theorie niet uitmaken.
Voorbeeld
Als een bedrijf jaarlijks structureel €1 miljoen vrije kasstroom kan genereren, dan is dat de bron van zijn waarde. Of je dat bedrijf financiert met 70% schuld of 70% eigen vermogen verandert de bron niet.
Zoals jij het formuleert
Wiskundig: de waarde is de contant gemaakte som van toekomstige kasstromen/dividenden; financiering schuift risico en verdeling, niet de totale waarde.
Koppeling aan later werk
In je financiële posts komt dit terug als “baseline”: daarna laat je zien hoe fiscaliteit en risicoverdeling (en daarmee gedrag) alsnog enorme effecten hebben.
7. Comparatief voordeel
Voor de leek
Niet doen waar je absoluut het beste in bent, maar waar je relatief het meeste voordeel hebt t.o.v. alternatieven. Dan loont specialisatie.
Voorbeeld (klassieker)
Land A is beter in wijn én kaas dan land B. Toch kan handel lonen als A relatief beter is in wijn en B relatief minder slecht in kaas. Dan specialiseert A in wijn, B in kaas, en ruilen ze.
Zoals jij het formuleert
Ricardo: relatieve productiviteit bepaalt specialisatie en handel.
Koppeling aan later werk
In je globaliserings- en populismelijn gebruik je dit als verklaringskader: welvaart kan stijgen, maar de verdeling en transitie zijn politiek.
8. Permanente-inkomenshypothese
Voor de leek
Mensen proberen hun levensstandaard glad te strijken. Ze baseren consumptie op wat ze over langere tijd denken te verdienen, niet op één meevaller.
Voorbeeld
Krijg je een bonus van €1.000, dan koop je niet ineens structureel duurdere boodschappen; je spaart, lost schuld af of doet één keer iets extra’s.
Zoals jij het formuleert
Consumption smoothing: tijdelijke schokken leiden niet tot even grote consumptieschokken.
Koppeling aan later werk
Je gebruikt dit bij belastingprikkels en crisis: waarom eenmalige voordelen vaak weinig doen, en waarom onzekerheid consumptie dempt.
9. Hoeveelheidsaanpassing / onderbestedingsevenwicht (Keynes)
Voor de leek
Soms passen prijzen niet snel genoeg aan. Dan “ruimt” de markt niet via prijs, maar via hoeveelheid: bedrijven produceren minder en nemen minder mensen aan. Werkloosheid en stilstaande capaciteit kunnen lang blijven hangen.
Voorbeeld
In een crisis kunnen lonen ‘sticky’ zijn (contracten, normen). Bedrijven ontslaan dan mensen in plaats van lonen te verlagen. Consumptie daalt, waardoor bedrijven nóg minder verkopen: een vicieuze cirkel.
Zoals jij het formuleert
Niet prijzen maar hoeveelheden passen zich aan; de economie kan vastlopen in een onderbestedings-evenwicht. En economen hebben moeite dit microfundamenteel “netjes” te modelleren.
Koppeling aan later werk
Dit sluit aan bij jouw bredere lijn over systeemfricties: coördinatie ontbreekt, instituties haperen, en de standaardmarktlogica verklaart dan te weinig.
10. Tijdsvoorkeur, rente en netto contante waarde
Voor de leek
Mensen willen liever nu iets dan later. Daarom moet je iemand belonen om te wachten: dat is rente. Met rente kun je geldstromen door de tijd vergelijken: wat is €100 over tien jaar vandaag waard?
Voorbeeld 1 – contant maken (NPV)
Stel: je krijgt €1.000 over 1 jaar en rente is 5%. Dan is dat vandaag waard:
€1.000 / 1,05 ≈ €952.
Krijg je elk jaar €1.000 “voor altijd”, dan kun je met rente überhaupt pas rekenen wat zo’n oneindige stroom waard is.
Voorbeeld 2 – investeringsbeslissing
Een zonne-installatie kost €5.000 en levert 10 jaar lang €700 per jaar op. Door die €700 elk jaar contant te maken, kun je bepalen of de netto contante waarde positief is. Positief = economisch “rendabel”.
Zoals jij het formuleert
Tijdsvoorkeur is deels gedragsfeit en deels een wiskundige noodzakelijkheid om waarderingen te doen (huizen, bedrijven, pensioenen, dividenden).
Koppeling aan later werk
Dit is de sleutel onder jouw stukken over pensioen, schuld en lange-termijnbeleid: rente als rekenvoet stuurt wat “rendabel” lijkt, en dus welke wereld er gebouwd wordt.
Klassieke aanvullingen (11–15) – jouw “canon-uitbreiding”
Hier voeg ik toe wat jij vroeg: efficiëntie, welvaart, groei en trickle-down als “harde lessen” zoals een klassiek econoom ze zou presenteren.
11. Markten alloceren middelen efficiënt
Voor de leek
Als markten vrij werken, gaan middelen vanzelf naar de meest productieve inzet. Dat verhoogt de totale opbrengst van de economie.
Voorbeeld
Kapitaal stroomt naar bedrijven met de hoogste verwachte opbrengst; arbeid naar sectoren die (relatief) beter betalen.
Koppeling aan later werk
Je gebruikt “efficiëntie” vaak als term om te laten zien hoe krachtig dit frame is in beleidstaal — zelfs buiten economie.
12. Welvaart neemt toe door ruil en concurrentie
Voor de leek
Vrije ruil en competitie zorgen voor lagere prijzen, meer keuze en innovatie, waardoor consumenten beter af zijn.
Voorbeeld
Concurrentie tussen supermarkten drukt prijzen en dwingt tot betere logistiek.
Koppeling aan later werk
In je posts over ondernemerschap en marktmacht contrasteer je het succesverhaal met de realiteit van schaal, macht en positionering (maar de canon-les blijft: competitie = welvaart).
13. Groei is de motor van welvaart
Voor de leek
Als de economie groeit, is er gemiddeld meer inkomen, meer mogelijkheden en meer ruimte voor voorzieningen.
Voorbeeld
Historisch: rijke landen kunnen meer uitgeven aan zorg, onderwijs en infrastructuur.
Koppeling aan later werk
Je latere stukken over systeemgrenzen en duurzaamheid hangen vaak aan deze groeipremisse: groei als standaarddoel.
14. Groei komt uit arbeid, kapitaal en technologie (productiviteit)
Voor de leek
Je wordt rijker door: meer werken (arbeid), meer/betere machines (kapitaal) en slimmer werken (technologie/organisatie).
Voorbeeld
Dezelfde fabriek met robots produceert meer per uur; de lonen en winsten kunnen daardoor stijgen.
Koppeling aan later werk
Dit raakt jouw “optimalisatie/extractie”-lijn: productiviteit als zegen én als mechanisme dat verdelingsvragen scherper maakt.
15. Trickle-down: als je de top laat groeien, sijpelt het door
Voor de leek
Als investeerders en bedrijven meer ruimte krijgen (lagere lasten, hogere winsten), investeren ze meer, groeit de economie en profiteren uiteindelijk bredere groepen mee.
Voorbeeld
Lagere winstbelasting → meer investeringen → meer banen → hogere lonen/consumptie.
Koppeling aan later werk
Dit is precies zo’n “canon-idee” dat jij later vaak als referentiepunt neemt wanneer je beschrijft hoe beleid zichzelf legitimeert via economische taal.