384 Een andere kijk op arbeidsmigratie (Hartog)
Ik had dit recente artikel van Joop Hartog gemist. Een verrassend pleidooi om onze eigen beroepsbevolking met veel talent wat meer te sturen richting de vraag naar arbeid. Dat we door de vergrijzing een ’tekort aan handen’ krijgen is niet per se waar. We hebben geen arbeid van buiten nodig. Dat was voor mij de reden een oud artikel dat ik in 2011 over Joop Hartog schreef er weer bij te halen. Daar schreef hij bij zijn afscheid als hoogleraar arbeidseconomie over hetzelfde onderwerp. Bijzonder is dat hij een (moderne) link legt naar welzijn ipv welvaart: een grotere bevolking ondermijnt zaken als rust, ruimte en diversiteit. Een kleinere bevolking (hij verwijst naar Denemarken) heeft vooral veel voordelen. Verder stelt hij dat economen dat al lang weten en dat andere motieven zijn ingezet op arbeidsmigratie toe te juichen (arbeidsmigratie beloont de factor kapitaal en benadeelt door extra concurrentie de factor arbeid). Zou iemand deze bal oppakken? Ik heb er in de drukke verkiezingscampagnes niks over gehoord.
1. De rode draad: welvaart ≠ bevolkingsgroei
In beide teksten stelt Hartog dat meer mensen niet automatisch meer welvaart betekenen.
Hij breekt met de klassieke economische aanname dat groei van bevolking en arbeidsaanbod gunstig is voor de economie. Al in 2009 betoogt hij dat de ruimte in Nederland schaars is, en dat een groter aantal mensen leidt tot minder leefkwaliteit, meer congestie en hogere grondprijzen. In 2024 werkt hij datzelfde idee verder uit: bevolkingsgroei veroorzaakt een permanente druk op infrastructuur, ecologie en woningmarkt, terwijl het bruto binnenlands product wel stijgt maar de “brede welvaart” juist daalt.
Met andere woorden: waar de meeste economen en politici groei beschouwen als doel, ziet Hartog het als een verlies aan ruimte, rust en kwaliteit van leven.
2. Van symptoombestrijding naar systeemcorrectie
De kernverschuiving tussen 2009 en 2024 zit niet in zijn visie, maar in zijn beleidsfocus.
- In 2009 diagnosticeert hij het probleem: Nederland is te vol, en de economische voordelen van immigratie zijn overschat.
- In 2024 presenteert hij het recept: stuur op de binnenlandse arbeidsmarkt via het onderwijs in plaats van tekorten te compenseren met migratie.
In plaats van meer mensen aantrekken wil hij de structuur van de economie zó inrichten dat ze past bij het eigen arbeidspotentieel.
Dat betekent hogere lonen, beter onderwijs, meer waardering voor ambacht en techniek — en minder afhankelijkheid van goedkope arbeid.
Kortom, waar zijn eerste betoog vooral waarschuwend is (“de maat is vol”), is zijn tweede oplossingsgericht (“zo kunnen we het beter organiseren”).
3. Een economisch in plaats van cultureel of moreel pleidooi
Wat Hartog onderscheidt van de gangbare politieke stromingen — links én rechts — is dat hij het immigratievraagstuk niet moreel of cultureel benadert, maar structureel-economisch.
Hij heeft niets met xenofobie of nationalisme; zijn analyse komt voort uit efficiëntie, rechtvaardigheid en welvaartsbegrip.
Zijn standpunt:
“We hebben geen immigratie nodig om ons welvaartsniveau te handhaven; we moeten beter omgaan met de mensen en de ruimte die we al hebben.”
Waar rechts vaak uit angst voor identiteit of veiligheid pleit voor een immigratiestop, pleit Hartog daarvoor uit zorg voor leefkwaliteit, schaarste en economische logica.
Dat maakt zijn verhaal verrassend nuchter en moreel ontlast: het is geen wij-tegen-zij, maar een rationele herwaardering van wat ‘groei’ betekent.
4. Politieke kleur en temperament
Hartog was jarenlang hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Amsterdam, een nest van sociaal-liberale en progressieve denkers. Hij behoorde nooit tot de neoliberale hardliners, maar evenmin tot de linkse herverdelers.
Zijn werk ademt de geest van de klassiek-liberale econoom die gelooft in markten, maar niet in onbeperkte groei of dogmatisch marktdenken.
Je zou hem kunnen plaatsen in de traditie van economen als Jan Tinbergen of Herman Wijffels, die eveneens pleitten voor balans tussen economie, ecologie en sociale rechtvaardigheid.
Hij schreef vaak voor het Tijdschrift voor Politieke Economie en de ESB (Economisch-Statistische Berichten) en stond bekend om zijn onafhankelijke, feitelijke toon — wars van ideologie, maar met een scherp moreel kompas.
Kort gezegd: politiek gezien een sociaal-liberaal realist met een duurzaam-economische grondtoon.
5. Ruimte als vergeten factor
Een van zijn originele bijdragen is het idee dat grond en ruimte de echte beperkende factor zijn in een vol land als Nederland.
Hij beschouwt ruimte niet alleen als geografisch gegeven, maar als economisch goed met reële kosten: meer mensen betekent minder stilte, minder groen, hogere huizenprijzen, slechtere lucht.
Daarmee maakt hij van “leefruimte” een economische variabele — een zeldzaam standpunt onder economen.
In 2009 introduceert hij dit als observatie (“ik hoor minder vogels”), in 2024 als beleidsvariabele (“stuur via onderwijs en arbeidsstructuur zodat we geen extra mensen nodig hebben”).
6. Waarom dit geluid niet is gehoord
Hartog zelf geeft hiervoor twee verklaringen, die elkaar versterken:
- Economen buitenspel gezet:
De migratiediscussie werd overgenomen door sociologen en cultuurwetenschappers, die de nadruk legden op integratie en menselijke hulp. De rationele kosten-batenanalyse verdween naar de achtergrond, omdat die als “koud” of “onmenselijk” werd ervaren. - Moreel frame van hulp en solidariteit:
Immigratie werd in het publieke debat gepresenteerd als een vorm van medemenselijkheid — “we geven anderen een kans”. Tegen dat frame in redeneren gold als onsympathiek. Daardoor was er geen ruimte voor een genuanceerde economische afweging.
Het resultaat is dat Hartogs geluid — zakelijk, systemisch, en in wezen pro-welvaart en pro-ruimte — nauwelijks is opgepikt. Terwijl het juist een alternatief moreel verhaal biedt:
namelijk dat het beschermen van de leefruimte en de kwaliteit van leven van bestaande inwoners óók een vorm van solidariteit is, met toekomstige generaties.
7. Samenvattend
| Aspect | 2009: Is de maat nou echt vol? | 2024: Beperk vraag naar immigranten… |
|---|---|---|
| Focus | Kritiek op bevolkingsgroei en ruimtegebrek | Beleidsvoorstel: onderwijs sturen op arbeidsaanbod |
| Argument | Meer mensen = minder ruimte, lagere welvaart | Minder immigratie = betere aansluiting arbeid–onderwijs |
| Sleutelbegrip | Welzijn en schaarste van grond | Brede welvaart en binnenlandse benutting |
| Economisch motief | Correctie op foute groeilogica | Herontwerp van productiestructuur |
| Oplossing | Beperking van groei, herwaardering ruimte | Sturing via onderwijs en loonstructuur |
| Politieke toon | Waarschuwend, beschouwend | Constructief, beleidsmatig |
8. De betekenis van zijn visie
Hartog vertegenwoordigt een zeldzaam geluid:
geen groei om de groei, maar kwaliteit boven kwantiteit — in mens, arbeid en leefruimte.
Zijn pleidooi voor een immigratiebeperking is niet ingegeven door angst, maar door een verlangen naar evenwicht tussen mens, economie en natuur.
In een tijd waarin migratie, woningnood en stikstofproblemen elkaar versterken, klinkt zijn analyse actueler dan ooit:
Nederland hoeft niet voller om welvarender te worden; het moet slimmer omgaan met wat er al is.
Samenvatting (joophartog.nl 2025)
Kernstelling:
Volgens Hartog (2024) moet Nederland streven naar een immigratiesaldo nul door niet langer de vraag naar buitenlandse arbeid centraal te stellen, maar het binnenlandse arbeidsaanbod beter af te stemmen op de gewenste economische structuur. De sleutel ligt in meer sturing van het onderwijsaanbod.
1. Beleidsdoel: immigratiesaldo nul
Hartog stelt dat bevolkingsgroei niet noodzakelijk is voor economische welvaart. Landen met een kleinere bevolking, zoals Denemarken, behalen vergelijkbare inkomensniveaus. In termen van “brede welvaart” heeft bevolkingsgroei vooral negatieve effecten: congestie, milieuschade en verlies aan leefkwaliteit.
Daarom pleit hij voor beleid gericht op nul groei van de bevolking en beperking van arbeidsmigratie door het binnenlandse arbeidsaanbod te versterken. De productiestructuur moet worden afgestemd op wat het Nederlandse arbeidspotentieel kan leveren. Dat vergt betere arbeidsvoorwaarden, hogere lonen en meer opleiding in tekortsectoren zoals techniek en ambacht.
2. Meer sturing in onderwijsaanbod
In Nederland wordt het onderwijs grotendeels bepaald door de vraag van studenten: instellingen worden gefinancierd op basis van studentenaantallen. Dat sluit aan bij het neoliberale vertrouwen in marktwerking. Studenten kiezen echter vaak op basis van beperkte informatie over arbeidsmarktperspectieven, waardoor onevenwichtigheden ontstaan (een overschot aan juristen, psychologen en communicatiespecialisten, en een tekort aan technici).
Hartog bepleit daarom meer centrale regie over welke opleidingen worden aangeboden. Het onderwijs moet niet slechts accommoderen wat studenten willen, maar gericht bijdragen aan de gewenste toekomstige productiestructuur.
3. Het Deense voorbeeld
Denemarken hanteert een gecentraliseerd plaatsingssysteem waarin het ministerie het aantal studieplaatsen bepaalt per studierichting, gebaseerd op arbeidsmarktperspectief. Studies met langdurige bovengemiddelde werkloosheid worden beperkt, terwijl schaarstegebieden prioriteit krijgen. Dit systeem combineert individuele voorkeuren en prestaties met nationale sturing en geldt als inspirerend voorbeeld voor Nederland.
4. Beperking van inschrijvingen in Nederland
Ook in Nederland bestaat al een juridisch kader voor sturing via numerus fixus (Wet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek; Wet Educatie en Beroepsonderwijs). Instellingen kunnen de instroom beperken op basis van:
- beperkte onderwijscapaciteit,
- of overschot van afgestudeerden op de arbeidsmarkt.
In de praktijk wordt dit nog beperkt toegepast. Op universiteiten geldt een numerus fixus voor 53 opleidingen (waarvan 13 medisch), en op hogescholen voor 32 (22 medisch). In het mbo gold in 2018-2019 een fixus voor 684 opleidingen – opmerkelijk genoeg ook in sectoren met personeelstekorten, zoals bouw en techniek.
5. Naar een gewenste economische structuur
Het sturen van onderwijsaanbod past niet bij het neoliberale marktdenken dat sinds de jaren ’80 dominant is, maar wel bij oudere beleidsmethoden zoals “manpower planning” (Parnes, 1968). Nederland beschikt via het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) over kennis en modellen die voorspellingen van arbeidsvraag per beroep kunnen leveren. Die kunnen de basis vormen voor gerichte planning van opleidingen.
Hartog pleit voor stimulerende én remmende maatregelen: aantrekkelijke voorwaarden voor tekortsectoren, en beperking van opleidingen met beperkte maatschappelijke of economische waarde. Daarbij moeten de baten niet enkel economisch worden begrepen, maar ook cultureel en sociaal.
6. Conclusie
Er is volgens Hartog (2024) dringend behoefte aan herziening van de aanbodstructuur van het onderwijs. Door numerus fixus, centrale coördinatie en gerichte stimulansen kan Nederland studenten sturen richting maatschappelijk en economisch wenselijke richtingen. Dit verkleint de behoefte aan arbeidsmigratie en bevordert een evenwichtige en duurzame economische structuur.
Samenvatting (slimmefinanciering.nl 2011)
1. Inleiding
Arbeidseconoom Joop Hartog opent zijn afscheidscollege met een persoonlijke observatie: in de dertig jaar dat hij dagelijks van zijn dorp naar Amsterdam reisde, zag hij de groene ruimte verdwijnen en de drukte toenemen. Vanuit zijn economische blik stelt hij de vraag: is Nederland te vol, en draagt bevolkingsgroei werkelijk bij aan onze welvaart?
2. Bevolkingsgroei: uitzonderlijk hoog in Nederland
Nederland groeide tussen 1500 en 2000 vijftien keer in bevolkingsomvang – veel sterker dan buurlanden als Frankrijk (factor 4) en België (factor 6). Die groei was economisch gedreven, mede door hoge vruchtbaarheid in katholieke landbouwregio’s met intensieve familiebedrijven.
Sinds 1970 is Nederland een immigratieland geworden: in 2009 kwam 40% van de bevolkingsaanwas door immigratie. De gebruikelijke redenering – dat bevolkingsgroei nodig is voor economische groei – zet Hartog vervolgens op losse schroeven.
3. Geen structureel voordeel van bevolkingsgroei
Volgens Hartog verhoogt een grotere bevolking het nationaal inkomen, maar niet het inkomen per hoofd. Nieuwe inwoners voegen hun eigen inkomen toe, maar veroorzaken ook druk op schaarse hulpbronnen, vooral ruimte. Alleen wanneer nieuwe instromers gemiddeld productiever zijn dan de bestaande bevolking kan er winst ontstaan.
Historisch gezien was dat niet het geval: de komst van laaggeschoolde gastarbeiders leverde in de jaren ’50-’60 slechts een minimale bijdrage aan het nationaal inkomen (+0,15%). De baten kwamen bovendien vooral terecht bij werkgevers en kapitaalbezitters, terwijl de factor arbeid erop achteruitging.
Conclusie: immigratie vergroot vooral ongelijkheid — kapitaal wint, arbeid verliest.
4. Alternatief: investeren in eigen bevolking
Hoogopgeleide migratie levert slechts effect als grote aantallen instromen, wat onrealistisch is. Bovendien volgt hoogopgeleid talent de groei, in plaats van die te veroorzaken.
Hartogs advies: investeer in de kwaliteit van de eigen beroepsbevolking.
“Het is beter de kwaliteit van de ingezetenen te verhogen. Tussen zestien miljoen mensen is genoeg talent te vinden.”
Het verbeteren van scholing en benutten van binnenlands talent is effectiever dan import van arbeid.
5. De waarde van ruimte
Uniek in Hartogs betoog is zijn nadruk op ruimte als economische factor.
In tegenstelling tot arbeid en kapitaal is grond niet reproduceerbaar; bevolkingsgroei maakt haar dus steeds schaarser en duurder. Hartog berekent dat een stijging van de bevolkingsdichtheid met 10% leidt tot een daling van het inkomen per hoofd met 2 à 3%.
Het traditionele bbp negeert echter deze ‘onzichtbare’ kosten van congestie, vervuiling, lawaai en verlies aan leefkwaliteit.
6. Een nieuw kompas voor welvaart
Hartog sluit zich aan bij het pleidooi van de Commissie Stiglitz-Sen-Fitoussi (2009), ingesteld door de Franse president Sarkozy, die stelt dat het bbp geen betrouwbare maat is voor welzijn of welvaart.
Echte groei moet worden berekend met inachtneming van externe kosten en kwalitatieve factoren zoals leefomgeving en gezondheid. Zijn eigen berekeningen tonen dat de “echte groei” van Nederland aanzienlijk lager ligt dan officieel gerapporteerd.
7. Weerwoord op vergrijzingsangst
De vaak gehoorde stelling dat bevolkingskrimp onvermijdelijk leidt tot tekorten aan arbeidskrachten, wijst Hartog van de hand. Hij verwijst naar de middeleeuwen, waar de pest tweederde van de bevolking wegvaagde — maar waarna juist een periode van economische bloei en innovatie volgde door hogere lonen en arbeidsbesparende technologie.
8. Politiek en taboevorming
Hartog bekritiseert het politieke klimaat waarin economen opzij zijn geschoven in het migratiedebat. Sinds de jaren ’70 bepalen sociologen en antropologen de toon, met nadruk op integratie en rechtvaardigheid, niet op economische kosten en baten.
In de jaren ’50 was dat precies omgekeerd: Nederland stimuleerde toen nog emigratie wegens een arbeidsovervloed.
9. Conclusie
Hartog pleit voor een fundamentele herziening van het Nederlandse groeidenken:
- Stop met het verwarren van bevolkingsgroei met welvaart.
- Beperk immigratie en richt beleid op de kwaliteit van de eigen beroepsbevolking.
- Herwaardeer ruimte als schaarse bron van welzijn.
- Gebruik nieuwe welvaartsindicatoren in plaats van bbp.
Zijn slotboodschap is even eenvoudig als radicaal:
“Echte welvaart vraagt niet om méér mensen, maar om beter gebruik van wat we al hebben.”