732 Bootleggers en Baptisten (Yandle) (met eigen casus)
Een artikel waar ik direct de neiging had hier een plek te geven, van Henk Jonkhoff op de bekende week van Wynia. Het is alweer een week of wat geleden dat ik het las, dus laat ik het even voor mezelf ophalen. Het gaat om goede bedoelingen (in dit geval van een hoogopgeleide ‘elite’) bijvoorbeeld het verbeteren van het milieu, die dan vervolgens worden ‘overgenomen’ of ‘ingewilligd’ door partijen die hier aan verdienen, zoals bij het milieu het verkopen van zonnepanelen en warmtepompen. Zo ontstaat een systeem van moralisme en goede bedoelingen enerzijds gevolgd door een commerciële inkapseling anderzijds. Deze twee bewegingen tesamen genereren een dynamiek die zeer robuust is en in stand wil blijven. Op zich niks mis mee misschien, maar in dit geval (vgls JonkHoff) gaat dat samen met een onrechtvaardige verdeling van de bijkomende lusten en lasten. Even voor het gemak: de dure elektrische auto wordt gekocht door een lid van die ‘elite’ en/maar gesubsidieerd uit belastinggeld. Onderaan vind je een samenvatting van het bewuste artikel.
Dit thema raakt me omdat er spanning zit op de goede doelen (milieu verbeteren maar ook rechtvaardig de kosten verdelen) én omdat er een (ongewilde, ongeplande) dynamiek ontstaat waar we bijna niet meer vanaf komen. En de bron die in het artikel wordt genoemd is van een econoom uit 1983 (Bruce Yandle) waar ik niet eerder van gehoord heb. Voor mij zit ie met deze verwijzing direct in het kamp van Akerlof, Olson, Akerlof en Stiglitz (economen die het net anders aanvliegen, misschien eens een lijstje van maken, ’tegeneconomen’). Yandle spreekt van ‘Bootleggers en Baptists’. Dit kan niet in mijn dossier ontbreken en dank voor de tip heer Jonkhoff! In een latere bijdrage gaat Jonkhoff overigens in op deze spagaat in de verkiezingsprogramma’s van oa Groen Links. En eerder scheef ik ook over de ‘hoogopgeleide elite’ die ongetwijfeld met goede bedoelingen een quasi-monopolie heeft op beleidsbeslissingen die ook en met name burgers aan de onderkant treffen (wat volgens anderen dan weer de opkomst van ‘radicaal rechts’ verklaart). Zoek ook op Ewald Engelen en Van Dijk.
Een persoonlijke ervaring met deze materie. Toen ik met mijn broer een schoonmaakbedrijf runde liepen we tegen beschermende maatregelen op voor de werknemer die onder gevaarlijke omstandigheden zijn werk moest doen. In ons geval het reinigen van industriële machines die in de nacht stilstonden en met soms agressieve middelen vetvrij gemaakt werden. De maatregelen zijn goed en noodzakelijk, laat dat duidelijk zijn. Dus de middelen zijn gekeurd, moeten apart worden opgeslagen, daar moet een administratie van aanwezig zijn, de medewerkers krijgen beschermingsmiddelen, voorlichting en ga zo maar door. Zo hadden we ooit een uitzendkracht die slechts 3 dagen bij ons had gewerkt. Maanden later kregen we een brief van een letselschade-advocaat waarin we aansprakelijk werden gesteld voor de schade aan een van de handen van deze uitzendkracht. Ik ben in deze casus gedoken en kwam er achter dat er op industrieterreinen dubieuze tussenpersonen ‘slachtoffers’ aan het werven waren. Wie heeft er ergens last van? Die kan zich melden, no cure no pay, een offer you can’t refuse. En inderdaad de kans dat je als ‘slachtoffer’ een uitkering krijgt is behoorlijk groot. De bewijslast ligt geheel aan de kant van de werkgever. Kortom een heerlijk verdienmodel voor de kwaadwillenden. Deze grap heeft ons € 40.000 gekost voor een uitzendkracht die ooit 3 dagen voor ons gewerkt heeft en op dag 3 zonder zich af te melden is vertrokken. Dan de vraag aan de arbeidsinspectie: hoe kunnen we dit in de toekomst voorkomen …. antwoord: niet of nauwelijks, je zou alles moeten opnemen en er moet continue iemand naast gaan staan, woorden van die strekking. De rechter heeft aan dit soort overwegingen weinig boodschap en zegt: niet mijn probleem, u bent de ondernemer, u regelt het maar.
Los van dat dit heel onrechtvaardig voelt voor het bedrijf in kwestie, los van de enorme financiële schade (de boete, de schadeloosstelling, kosten rechtsgang, eigen uren), het eind van het liedje is dat kleine bedrijven hierdoor gedwongen worden om te stoppen. Want mind you, dit is ook niet zonder meer te verzekeren, kleine lettertjes, nog ook weer los van de enorme premies die horen bij grote risico’s. De maatschappij houdt zou alleen grote bedrijven die de weg weten, buffers kunnen aanleggen zodat ze hun eigen verzekering regelen, over. Goedbedoelde maatregelen eindigen zo in een robuust dynamisch systeem met perverse prikkels en ongewenste maatschappelijke gevolgen.
Hier onder kun je een analyse van deze casus terug vinden langs de lijnen van de Yandle-theorie.
Het mechanisme van “Bootleggers and Baptists” komt van de Amerikaanse econoom Bruce Yandle. Hij beschreef het in 1983 om uit te leggen waarom bepaalde regelgeving politiek zo sterk overeind blijft, zelfs als die economische nadelen heeft. De metafoor komt uit de Amerikaanse drooglegging (Prohibition) in de jaren 20.
- De Baptists = de morele voorstanders
Zij wilden alcohol verbieden vanuit oprechte overtuiging: alcohol was slecht voor gezinnen, moraliteit en de samenleving. - De Bootleggers = de illegale dranksmokkelaars
Zij verdienden juist enorm aan het verbod, omdat legale concurrentie wegviel en de zwarte markt groeide.
En nu komt het interessante: Beide groepen wilden hetzelfde beleid — een alcoholverbod — maar om totaal verschillende redenen.
- De Baptists leverden de morele legitimatie.
- De Bootleggers kregen de economische winst.
Dat is het mechanisme. Niet omdat ze stiekem samen in één kamer zaten, maar omdat hun belangen toevallig samenvielen.
De diepere logica
Yandle zag dat veel regelgeving zo werkt:
| Groep | Wat leveren ze? | Wat krijgen ze? |
|---|---|---|
| Morele of idealistische groep | Legitimiteit | Goed gevoel / ideologische winst |
| Economische belanghebbenden | Lobbykracht / steun | Geld, marktmacht, banen |
Voorbeelden
Milieuregels
- Baptists: klimaatactivisten, milieubeweging
- Bootleggers: grote adviesbureaus, subsidiebedrijven, compliance-industrie, gevestigde energiebedrijven die concurrentie kunnen afschudden
De activist zegt: “We moeten de planeet redden.” De consultant denkt: “Mooi, weer nieuwe audits, rapportages en certificeringen.”
Bankencrisis
Na 2008 kwamen veel extra regels.
- Baptists:
“Nooit meer een financiële crisis.” - Bootleggers:
Grote banken konden de dure compliance-afdelingen betalen.
Kleine banken en nieuwe toetreders veel moeilijker.
Resultaat: de regelgeving verstevigde deels juist de positie van grote spelers.
Europese voedsel- en kwaliteitsregels
- Baptists: voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzaamheid
- Bootleggers: grote supermarktketens en multinationals die de administratieve eisen makkelijk aankunnen
Kleine boeren of kleine producenten verdrinken soms juist in de papierlast.
Waarom het zo krachtig is
Omdat het mechanisme morele kritiek ontwapent. Als jij zegt: “Deze regels bevoordelen bepaalde groepen,” dan krijg je snel terug: “Dus jij bent tegen veiligheid/milieu/gezondheid?” De morele laag beschermt de economische belangen eronder. Dat betekent niet dat de moraal nep is. Veel Baptists geloven écht in hun zaak. Maar Yandle zegt: let op welke economische structuren ondertussen meeprofiteren.
Waarom het concept populair werd
Het idee werd later populair bij:
- libertariërs,
- publieke-keuzetheorie (public choice),
- systeemdenkers,
- critici van bureaucratie,
- en ook sommige populistische denkers.
Omdat het laat zien dat beleid vaak niet simpelweg:
- “goed versus slecht” is,
maar eerder:
- een combinatie van moraal,
- economische belangen,
- institutionele groei,
- en zelfversterkende systemen.
De belangrijke nuance
Yandle zei nadrukkelijk niet: “alle regelgeving is corrupt.” Zijn punt was subtieler: Zelfs goedbedoeld beleid creëert vaak:
- nieuwe belangengroepen,
- nieuwe banen,
- nieuwe afhankelijkheden,
- nieuwe instituties,
- en daardoor een systeem dat zichzelf wil uitbreiden.
Dat zie je later ook terug in discussies over:
- klimaat,
- stikstof,
- ESG,
- diversiteitsbeleid,
- consultancy,
- subsidie-economie,
- toezicht,
- compliance,
- NGO’s,
- Europese regelgeving.
Samenvatting
Het artikel stelt dat goedbedoeld progressief beleid een nieuwe elite heeft voortgebracht, terwijl de rekening terechtkomt bij de werkende klasse. Kern: De auto was in de jaren zestig een symbool van verheffing: de arbeider kon eindelijk meedoen aan de welvaart. Nu is diezelfde auto een probleem geworden door klimaatbeleid, milieuregels, emissienormen en stedelijke beperkingen. Volgens de auteur ontstaat daardoor een reguleringseconomie: regels leveren werk, status en inkomen op voor juristen, consultants, beleidsmakers, toezichthouders en NGO’s. De kosten worden breed betaald door burgers, maar de baten komen terecht bij een smalle hoogopgeleide klasse. De auteur koppelt dit aan Piketty’s idee van de Brahmin Left: links is volgens hem verschoven van arbeiderspartij naar diplomapartij. Hoger opgeleide, stedelijke en postmaterialistische groepen domineren progressieve politiek. Zij hechten aan klimaat, identiteit, internationale samenwerking en regelgeving, terwijl lagere inkomens vooral worstelen met energieprijzen, huur, boodschappen en bestaanszekerheid.
Klimaatbeleid is volgens het artikel het scherpste voorbeeld. Hogere energieprijzen raken lage inkomens veel harder dan hoge inkomens. Subsidies voor warmtepompen, zonnepanelen en elektrische auto’s komen vooral terecht bij huizenbezitters met spaargeld. Huurders en lagere inkomens betalen mee, maar profiteren minder. Dat noemt de auteur het Mattheüseffect: wie al heeft, krijgt meer. Ook bekritiseert hij klimaatprocedures via de rechter, zoals Urgenda, Greenpeace en Bonaire. Volgens hem verplaatsen NGO’s beleid van het parlement naar de rechtszaal. Daardoor kunnen kiezers zoals de fictieve arbeider Kees Dijkstra niet echt tegen deze beleidsverscherping stemmen, maar betalen ze wel de rekening.
De centrale stelling is dus:
Progressief beleid presenteert zich als sociaal en rechtvaardig, maar werkt in de praktijk vaak regressief: de lasten komen terecht bij lagere en werkende inkomens, terwijl hoger opgeleide beleidsklassen economisch, cultureel en moreel profiteren van de uitbreiding van regels, subsidies en instituties.
De auteur ziet daarin een verklaring voor de afkeer van traditionele arbeiders van centrumlinks en hun overstap naar partijen als PVV, BBB en SP.
Tot slot de analye van mijn casus langs de lijnen van Yandle:
Dit is bijna een zuiver voorbeeld van Yandle’s Bootleggers and Baptists, maar dan in arbeidsveiligheid. De Baptists zijn hier helder: werknemers moeten beschermd worden tegen gevaarlijk werk, agressieve middelen, nachtwerk, industriële machines, onvoldoende instructie. Dat is moreel terecht. Niemand wil terug naar de tijd waarin een arbeider “pech gehad” kreeg bij letsel. Maar daarnaast ontstaat een tweede kring: de Bootleggers. Dat zijn niet per se klassieke criminelen, maar partijen die economisch profiteren van het beschermingssysteem:
- letselschade-advocaten;
- claimtussenpersonen;
- arbodienstverleners;
- verzekeraars met hoge premies en uitsluitingen;
- juristen;
- consultants;
- controleurs;
- administratieve dienstverleners;
- grote bedrijven die de compliancekosten makkelijker dragen.
De morele taal is: bescherming van de kwetsbare werknemer. De economische realiteit wordt: een verdienmodel rond risico, aansprakelijkheid en bewijsnood. Het perverse zit in de asymmetrie. De werknemer hoeft achteraf relatief weinig hard te bewijzen; de werkgever moet bewijzen dat alles goed is gegaan. Maar in de praktijk is dat bijna onmogelijk, zeker bij tijdelijke krachten, nachtwerk, wisselende locaties en fysieke arbeid. De arbeidsinspectie zegt dan feitelijk: je kunt het nauwelijks voorkomen. De rechter zegt: u bent ondernemer, dus uw risico. Daarmee verschuift het systeem van redelijke zorgplicht naar bijna onbegrensde bewijs- en aansprakelijkheidsplicht. En dan ontstaat precies jouw punt: dit is geen incident, maar een selectieproces.
Grote bedrijven kunnen dit opvangen. Zij hebben HR-afdelingen, juristen, complianceprotocollen, buffers, verzekeringsconstructies en onderhandelingsmacht. Kleine bedrijven hebben dat niet. Voor hen is één claim van €40.000 geen “bedrijfskostenpost”, maar een existentiële dreun. Dus het beleid dat formeel de zwakke partij beschermt, creëert tegelijk een economie waarin alleen de sterke organisaties overblijven. Dat is de Yandle-logica:
De Baptist zegt:
“Wij beschermen werknemers tegen gevaarlijke arbeid.”
De Bootlegger denkt:
“Prachtig systeem: meer claims, meer dossiers, meer procedures, meer verzekeringspremies, meer advieswerk.”
Het grote bedrijf denkt:
“Vervelend, maar wij kunnen dit organiseren.”
Het kleine bedrijf denkt:
“Dit risico is niet meer te dragen.”
De wrange conclusie is:
Goedbedoelde arbeidsbescherming kan omslaan in een institutioneel verdienmodel waarin de werknemer symbolisch centraal staat, maar waarin advocaten, verzekeraars, complianceprofessionals en grote bedrijven structureel sterker worden.
Voor jouw bredere bloglijn is dit sterk, omdat het laat zien dat “regulering” niet simpelweg links of rechts is. Het is een systeem dat zichzelf uitbreidt. Eerst is er een reëel probleem. Dan komt er bescherming. Daarna ontstaan er procedures. Daarna ontstaan er professionals die van die procedures leven. En uiteindelijk verdwijnen de kleine spelers die het minst in staat zijn om aan alle beschermende eisen te voldoen.
De werknemer moest beschermd worden tegen de macht van de werkgever. Maar het systeem dat daarvoor werd gebouwd, werd zo zwaar dat vooral kleine werkgevers erdoor werden vermorzeld. De grote werkgever bleef over — precies de partij waartegen de bescherming ooit nodig was.